10. Makedonia

13-18 juni | dag 38-43

Здраво! (Zdravo!)

In het midden van de historische regio Macedonië ligt vandaag een bewaakte grens. Dat hield me niet tegen om de volgende vier fietsdagen in één hoofdstuk te gieten.

De Makedónes, of hooglanders, zouden opvallend lange mensen zijn. Ik vond ze vooral aangenaam langzaam en oprecht vol van belangstelling. De Grieken stijgen steeds trapsgewijs met hun intonatie, om te climaxen op de voorlaatste lettergreep en dan nog één trede te dalen. Zo ook in de naam Thessaloníki, de stad die aan het einde van mijn Macedonische tocht lonkte en waar weer 3 dagen vakantie stonden te wachten.

13 juni | Debar – Radožda

Ik word wakker in een land waarvan ik beschamend weinig weet. Ik leerde gisteren aan de geldautomaat pas dat men hier met Denars betaalt. Officieel dan toch, in de praktijk draait hier een hele schaduweconomie op uitheemse Euroots.  

Ik weet dat de hoofdstad Skopje heet, dat die niks te maken heeft met het nummer A far l’amore comincia tu – hoewel ik dat lang heb gedacht – en dat het hier tot voor kort de Former Yugoslavic Republic of Macedonia (FYROM) was want dat articuleerden ze vroeger altijd zo vermoeiend volledig tijdens de televisie-uitzendingen van het Eurovisiesongfestival. Dat is het zowat.

Vandaag heb ik alle tijd, dus ik ontbijt met te veel koffie, een uitzicht en knapperige feiten van Wikipedia. ’s Noenens pas vertrek ik voor een plezierrit van 55 km, denk ik. Na een kilometer sputtert mijn knie tegen. Bij de eerste klim draait mijn maag zich om. Is de zevende fietsdag op rij er te veel aan?

Vanaf een minaret schalt een mysterieus gebed door de bergen. Ik dwing mezelf om steeds eerst de Macedonische signalisatie te lezen, een oefening op snel cyrillisch ontletteren. Die gespiegelde N in een oogopslag lezen als een i blijft lastig. Als het aan mij lag, stonden er puntjes op.

Langs het smalle Debarmeer vraag ik mij af vanaf welk punt een smal meer weer een rivier is en wie dat bepaalt. Van een waterkrachtcentrale mag ik geen foto’s nemen, waardoor ik opeens wel de behoefte voel. Ik reikhals naar een rustdag, maar die wil ik pas aan het veelgeprezen meer van Ohrid.

Op het terras van een winkeltje stomp ik mezelf vol met suiker en brood. De frisdrankverslaving wordt onontkenbaar, maar aangezien ik nog lange tijd dagelijks in de hitte zal trappen, is er weinig aan te doen.

Voorbij Velešta verandert de baan in een lint van villa’s waarover het lukt om 30 te halen doordat het zacht naar beneden loopt. Nabij Struga is het opletten om mijn plek op de rijbaan te kennen tussen al het bewegende én stilstaande verkeer. Parkeerplaats is hier geen afgelijnd begrip.

Struga is een plaats waarvan ik me niet had kunnen voorstellen dat die bestond. Er is niet echt iets te zien, maar het is intrigerend om er te zijn. Net als dit hele land is het een culturele smeltkroes. Je ziet er op straat vriendinnengroepen van alle leeftijden giechelen waarin wel drie verschillende geloofsstrekkingen vertegenwoordigd zijn en nog eens dubbel zoveel types traditionele klederdracht. Langs de ondiepe, plantrijke Zwarte Drin en in de hoofdstraat liggen gezellige restaurants, al struinen er amper toeristen rond. Mijn fiets trekt wel wat bekijks, maar in de ooghoek van een fruitkramer kan ik hem gerust een tijd op de stoep achterlaten.

Om het meer van Ohrid loopt een fietspad dat qua wegligging makkelijk kan concurreren met de gemiddelde Vlaamse fietsostrade. 10 km voorbij Struga vind ik de rustdagcamping van mijn dromen. Een klein paradijs van zacht gras met alles erop en eraan.

14-15 juni | Meer van Ohrid

Het is hier zo opperbest toeven dat ik van de weeromstuit beslis om twee rustdagen te blijven. Ik schrap taken van de lijst en lees, zwem, kook en schrijf.

In het voormalige Joegoslavië rijden nog Zastava’s rond, wrakken en parels die werden geproduceerd tot 2008.

16 juni | Radožda – Bratin Dol

Na twee dagen genieten, valt afscheid nemen van Camping Lakeside 2 mij zowaar zwaar.

Na een vergeefse zoektocht naar gas vertrek ik pas laat van Struga richting de stad Ohrid. Boven het gelijknamige meer hangt net als de voorbije dagen een sluier, waardoor de bergen enkel hun floue contouren tonen. Old Town Ohrid ligt achter een heuvel, maar het zou de inspanning waard zijn.

Ohrid wordt nog net niet overspoeld door toeristen. Het heeft daarvoor misschien ook net niet genoeg te bieden. Er schaffelt al wel een kudde bermudabroeken en zomerjurken achter een gidsende herder aan. Terug in het nieuwe stadsdeel staat op straat opvallend veel Nederlands te lezen. Er is een kapsalon ‘kapper’, een boetiek ‘mooi’ en zelfs een restaurant dat uitpakt met ‘gegrilde grill’.

Bij een huisraadwinkel in de stadsrand verkopen ze alweer geen gas – mijn koninkrijk voor een flesje butaan! Dan volgt een saaie baan, langs weerszijden te begroeid om van een uitzicht te spreken. Ik ben intussen verwend geraakt. Af en toe stinkt het naar een platte marter of andere roadkill.

In Resen verlies ik nog een tweetal uur. In elke winkel hebben ze gasflesjes, maar steeds met het verkeerde priksysteem. De Google-reviews van mijn dagdoel vermelden een keuken. Oef, dat gasprobleem kan wachten.

Voor de laatste 30 km vind ik een andere route dan de eentonige baan. Een oudere weg slalomt onder en langs de nieuwe en is geplaveid met kinderkopjes in segmentbogenverband. Er liggen kilometers kleine kasseis, wellicht op handen en knieën vastgetikt en ik wil niet weten hoeveel werkmansruggengraten vernacheld zijn voor de sierlijke weg die intussen in onbruik is geraakt. Ik deel hem met niemand anders dan de honderd vliegen die rond mijn zweetkop juichen. Door de begroeiing zie ik in de afdaling niks om de bochten. Maar er is nooit iets om de bochten.

Tegen de avond krijg ik toch nog een uitzicht, een laag zakkende zon boven een dal van groene hooilanden, als mooie afsluiter van een wat mindere dag. Op de voorziene Camping Ambasador gebiedt de lollige uitbater mij meteen het zwembad in, dan pas mag mijn tent recht. Aangestuurd door een vreemd voorgevoel pols ik al even hoe het fornuis werkt. ‘Gewoon gas open en koken.’ Als ik de gasknop opendraai, gebeurt er niets. De fles is leeg. Het tweede, elektrische vuurtje stuk. De uitbater spoorloos.  

Goddank stond er chili con chips op het menu. Nu heb ik toch nog chips, mijn lievelingseten.

17 juni | Bratin Dol – Arnissa

Ik kom traag op gang, maar dat geeft niet vandaag.

In Bitola zitten de terrassen goed vol voor een dinsdagvoormiddag. Ook hier is de Macedonische bevolking superdivers. Groepjes mannen verzameld in de schaduw van bomen draaien als één wezen hun hoofden mee in de richting van mijn voorbijrollende fiets. Ik zoek een bedelaar of straatartiest om mijn laatste Denars aan te doneren, maar vind er geen.

Zonder aanwijsbare natuurlijke grens staat daar plots een douanehok, dat ook een broedplaats is voor allerlei vogels. Na een controle van niks rijd ik tegelijk het Griekse West-Macedonië binnen en het Schengengebied. Voorbij de grens volgt een uitgestrekte vlakte, aan alle kanten omsloten door laaggebergte. Een verkeersbord duidt de afstand tot de FYROM. De Grieken voelen kennelijk weinig aandrang om het een naamsupdate te geven.

In de ingedommelde dorpjes zijn er geen winkels of restaurants. Ik moet het stellen met een sesamring en wat koekjes die ik nog uit mijn tassen kan toveren. Een zanderige landweg leidt me verbazingwekkend vlot over lichte heuvels, door graanvelden en onbewerkte kavels. Bij de enige echte klim van de dag liggen lichtgrijze, groenbespikkelde heuvels in zicht, net als in Dalmatië. Door het wolkenspel glijden er langzaam schaduwen en gelige zonnevlekken overheen.

Het zou hier net zo goed de Kapellekensbaan kunnen heten. Achter elke bocht staan een stuk of drie microscopische gevallen valse, flikkerende kaarsen te herbergen, sommige zo verroest dat ze kunnen dateren uit de tijd dat Moeder Maria zelve nog bij leven was. Andere zijn kleine kunst- of kitschwerkjes, miniaturen van het ene of andere orthodoxe gebedshuis. Op de achtergrond jaagt een herder zijn schapen de heuvels op tussen plukjes struikgewas. Om de bocht kan ik plots over kilometers uitkijken, tot de bergen die zich ver achter het Vegoritidameer verheffen.

Tussen de kersen en perziken sla ik af richting Arnissa. In het winkeltje vind ik dan eindelijk die gascartouche. Aan het meer ligt een ideale kampeerplek en het lijkt er nog heerlijk rustig ook. De gasfles blijkt toch van het verkeerde systeem, dus maar terug naar dat winkeltje, waar ik ze mag ruilen tegen een gepast en groter exemplaar. Eind goed, al goed.

Bij zonsondergang komt plots alle jeugd uit het dorp toestromen, maar iedereen vindt het prima dat ik aan hun geliefde, troebele zwemplas kampeer. Ze bieden me zelfs een ijsje aan, maar ik wil nu eindelijk die langverwachte chili klaar hebben.

Als de nacht valt, behoud ik enkel nog het gezelschap van de kikkers, de sterren en een brave zwerfhond.

18 juni | Arnissa – Thessaloniki

Een mierenkolonie heeft alles wat los zat te grazen genomen. De lokale zwerfster en ik worden nog dikkere vriendjes. Haar zielige ogen smeken om voedsel, maar ik heb weinig gezonds voor een hond. Als ik in de schaduw neerhurk en zucht omdat het een kloteochtend is, lijkt het beest me wel te komen troosten.

In het dorp trekken de fruitboeren elk een dikke ventilator voort. Waarom zou je wind zaaien, tenzij je storm wil oogsten? Om uit Arnissa weg te komen, vergt het meteen een taaie klim. Daarna trekt de hoogtegrafiek van de dag krom omlaag om vervolgens te flatlinen naar de kust.

Het beeld van een in stukken gespatte schildpad is dubbel tragisch want waarvoor diende dat pantsertje dan? Een zilte, aanlandige wind blaast mij vol in mijn smoel. Het is 12 uur, Griekse tijd, en er ligt nog 100 km voor de boeg.

In Edessa sturen wijzers me vanzelf tot de kataraktes, wazige watervallen waarvan ons Nederlandse synoniem voor staar moet zijn afgeleid. Bij een rustiek bakkertje zijn de hartige waren om door je stoel te smelten. Oregano, feta, tomaten, olijven, en dat allemaal verwerkt in buitengewoon smaakvol brooddeeg.

In de fruitgaarden hangen vruchten te blozen die vragen om opgesabbeld te worden. Ik blijf eraf omdat 1. moeskoppen foei is en 2. ik straks nog een kus wil geven aan de hopeloos allergische vrouw die op mij wacht in Thessaloniki. Het gaat onwaarschijnlijk genoeg om de volledige lijst van verboden vruchten.

Na Skydra kom ik op een provinciale weg en dan over een kaarsrecht grindpad tussen dorstige katoenvelden. Waterreservoirs, irrigatiekanalen en grote haspels met slangen eromheen moeten de vlakte behoeden tegen de droogte. In de berm pronken de uitgedroogde rode hauwen van een forse zuringsoort.

Uit de heldere hemel valt daar, voor mij op het pad, eensklaps in het stof, met een plof, een kikker. Een luie vogel heeft hem uit zijn snavel laten glippen. Ik verklaar de gestrekte vors morsdood en portretteer hem al voor zijn bidprent. Als ik mijn rug draai, zit hij weer in klassieke kikvorshouding. De koelbloedige boerennachtegaal heeft zijn laatste kwaak nog niet geslaakt. Bij zijn maatjes in het irrigatiekanaal wordt hij als een oorlogsheld en een prins onthaald. En hij leefde nog lang en gelukkig, hoop ik.

Voor de laatste 20 km moet ik over iets dat verdacht veel weg heeft van een autostrade. Ik daag mezelf uit om steeds boven de 25 te trappen, terwijl ze naast mij aan 90 voorbijscheuren. Op 10 km van het centrum bevind ik mij al in verstedelijkt gebied, alsof het een metropool is. Dubbelparkeren is er een frustrerend populair tijdverdrijf.

Ik volg een oude stadsomwalling steil naar boven in een geur van automotoren met onderhoudsnood. Op het laatst volgt nog een loodrecht klimmetje, waarna de immer enthousiaste vrouw uit Zadar plots opduikt en enkel nog de zoete geur van vakantie overheerst. We zetten de driedaagse feestelijk in met een mezze-exces en een karaf rosé aan een Belgische glasprijs.

De komende dagen staat er nog niks op de planning. Zalig!

Muvi

4 reacties op “10. Makedonia”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Super om jouw blog te kunnen volgen de afgelopen anderhalve maand. Goeie schrijfstijl, met interessante wist je datjes en trivia over de regio waar je je op dat moment bevindt. Ik heb zo het gevoel dat ik zelf een beetje meereis 🙂 Keep on posting (and pedalling)!

    Geliked door 1 persoon

  2.  Avatar
    Anoniem

    super om te lezen! Ik voel me zelf zowaar al anderhalve maand op reis 🙂 Blijven schrijven (én trappen)!

    Geliked door 1 persoon

  3.  Avatar
    Anoniem

    alweer een heerlijk verslag wolsing! Blij dat de kikker nog leeft, en de hond, en de mevrouw uit zadar en jij natuurlijk ook

    Geliked door 1 persoon

  4.  Avatar
    Anoniem

    leuke hond, prachtig verslag!

    Geliked door 1 persoon