14. Van Ankara tot in Amerika

9-13 juli | dag 64-68

Howdy reader!

De keuze om naar de hoofdstad te trekken bleek de juiste. Het bood perspectief op een rustdag en bracht me door mooiere oorden. Met het dorp werden de mensen ook spraakzamer en gastvriendelijker.

Met de honden valt het tot hiertoe beter mee dan verwacht. Ik leerde om me baziger op te stellen en zag in dat de meeste onschadelijke straatgevallen zijn. Het voordeel van een achtervolging is dan weer dat je van de spurt een adrenalinestoot krijgt en het besef dat je veel trager aan het fietsen was dan je eigenlijk kon.

Rond Ankara en op weg naar Cappadocië deed het Turkse landschap enorm denken aan clichébeelden uit de VS. Klaar voor enkele dagen vol dwangmatige vergelijkingen? Yeeha!

9 juli | Kizilcahamam – Ankara

Om 6 uur staar ik naar het tentplafond. De hond blaft weer naar onzichtbare vijanden in het niets. Klingelende koebellen komen steeds dichterbij. Allez dan, on the road!

In Kizilcahamam hangen sinds gisteravond blauwe, oranje en witte wimpels boven de straten. Zaterdag zal ene hooggeplaatste snorremans de stad bezoeken, vertellen twee winkeldames me fier. Het verklaart meteen waarom één van de slingerhangers me doodbliksemde toen ik gisteren over het lint reed. Oeps!

Op de gewestweg perken wel 10 palen een benzinestation, puur voor de ooievaars. Vrachtwagens donderen zonder uitzondering met hun rechterbanden over de witte lijn, maar in Turkije is de vluchtstrook gelukkig vaak een rijvak breed. Aan de overkant van de baan glinstert opnieuw Californië. Na een industrieterrein waar het stinkt naar rubber en de dood kruis ik alweer een droge rivierbedding. Dit dorre land heeft dorst. Over de schaarse vegetatie heeft de wind vrij spel en ze waait verdorie nog vanuit Ankara hiernaartoe.

Omhoog langs geelbruine kikkererwtenakkers stoot ik op een uitzicht als een levensechte Van Gogh. Het gaat daarop van 0 naar 55 in 3 seconden over een rimpelloos wegdek. In Müvenc, waar huizen van hout, leem en natuursteen verkrotten, stelt een bord duidelijk dat handvuurwapens er verboden zijn. Wat een geruststelling!

Over de vangrail plunder ik rechtstaand in de schaduw mijn reserves van een notenreep en volkorencrackers. Gestaag puf ik tussen een miniGrand Canyon door, alleen ligt er geen Coloradorivier maar wel een vies stuwmeertje in verre staat van verdamping. In Saribeyler demonstreert de imam dat het water bij de moskee drinkbaar is door met zijn hand een slok van het stroompje te nemen.

Op één stuk weg zitten plots alle achtervolgers van de dag verzameld. Elke 50 meter, beurtelings links en rechts, is er een andere die vanuit de schaduw uit de startblokken schiet om mij een eind achterna te razen. Van bovenaf gefilmd moet het een indrukwekkende choreografie zijn. Goddank gaat het er steil bergaf waardoor geen van de rotzakken een schijn van kans maakt, maar ik wil niet weten hoe het is om die weg in de andere richting te rijden. Als ik verderop op adem kom, liggen de Ankarese buitenwijken al in zicht.

Kilometers buiten het centrum staan eenzame woonblokken, als opgeschoten paddenstoelen, ver uit elkaar, alsof de stad zich opmaakt om elk moment uit haar voegen te barsten. De intocht in Ankara verloopt stukken veiliger dan die in Istanboel, door heuvelachtige woonwijken, met af en toe tussen twee gebouwen door een uitzicht op een immense stad. Ankara mag dan driemaal kleiner zijn dan Istanboel, dat is nog altijd vijf keer Brussel. Op een kruispunt staat het toeterende verkeer zo vastgestrengeld dat ik me met mijn rode tassen het autootje uit het spelletje Rush Hour voel.

Als het scenario van Istanboel zich toch begint te herhalen, valt het gps-signaal weg en moet ik zelf mijn weg zien te vinden, kris kras, dwars door de wirwar van brommers, bussen en taxi’s. Vlak bij het hostel mag mijn fiets naar de carwash, hij heeft het verdiend. In mijn vertrek met privébadkamer, voor slechts de overnachtingsprijs van een Zwarte Zeecamping, waan ik me een verwende sultan in zijn paleis.

10 juli | Ankara (rustdag)

Op wat een rustdag moet zijn, ga ik toch maar te voet het handvol bezienswaardigheden af dat Ankara te bieden heeft, en zo kom je al snel aan 20 km wandelen. Het hoogtepunt is het uitzicht vanaf de citadel en de gezellige straten rond de oude burcht, waar handwerklieden tapijten weven en metaal bewerken.

Op café ontmoet ik de guitige Azar, die me onderdompelt in de geschiedenis van Azerbeidzjan en die ik niet kan aftroeven in een wedstrijdje nee-ik-betaal-de-drank. Een vermelding in mijn blog is al wat hij wenst. Bij deze, en met genoegen.

11 juli | Ankara – Kesikköprü

De route voor de komende twee weken is helemaal hertekend. De lijn zuidoost wordt even doorgetrokken richting Cappadocië, om van daaruit oostwaarts te trekken. Langs die route zouden meer natuurlijke wateren moeten liggen. Er komt meer dan 200 km bij en duizenden hoogtemeters, maar vermoedelijk is dat het allemaal waard.

Met nog eens een hip en voedzaam ontbijt achter de kiezen trek ik pas ‘s middags de hoofdstad uit. Glanzend ros (dan heb ik het over de fiets), tassen vol geparfumeerde kleren, brandschoon servies, gepikte rol WC-papier en vooral een volle dosis fietsgoesting. Het verblijf in Ankara was heilzaam, en plezant, jammer dat ik alweer door moet.

De stad lijkt ontstaan op de bodem van een diepe krater. Hoe dan ook moet ik ergens over de rand zien te klimmen. Bij een moskee zitten de mannen tot buiten, op hun knieën, te luisteren. Het is vrijdag. Plots is de stad verdwenen en zwalpt de baan schots en scheef over een kam en daarachter, in de verte, naar de einder. De afdaling is ontroerend schoon.

In een steengroeve slapen de honden in de schaduw van rotsblokken. Als er een vrachtwagen langsrijdt, houd ik mijn adem in om een stoflong te vermijden. Op 25 km van de hoofdstad zie ik haar nog altijd liggen, althans de randen van die krater. Op de finale col van de eerste rithelft gaat de laatste druppel water eraan. Vanaf de top is het uitzicht een modernistisch schilderij in pasteltinten en dan gaat het kilometers bergaf.

Als ik eindelijk een stroompje vind, komt er net een cowboy toe met zijn kudde dorstige koebeesten. Verderop spot ik op een uitgestrekte prairie tumbleweed, net als in de westerns. In de zonnestralen die tussen de wolken door priemen, schittert een marmergroeve.

Als ik om 18 uur bij een winkeltje nog een banaan sta te smullen, begint het wederkerende gesprekje over waar ik vandaan kom, naartoe ga en hoeveel dagen het gekost heeft om tot hier te fietsen aardig te lukken. Over een nagelnieuwe asfaltbaan zoef ik rechtdoor naar beneden, veilig en wel, door een okergeel landschap met kilometers zicht. De maximumsnelheid is 70 en daar blijf ik netjes onder, op het hardst met nog 0,4 km/u overschot.

Door de velden lopen wilde paarden. Als ik op een heuveltop stop voor de 100e foto, hoor ik, als ik mijn oren uit de wind leg, voor het eerst in een eeuwigheid helemaal niks. De veranderende uitzichten zijn van een illegale schoonheid. Waar zijn de autocars, de Japanners, de ijskramen? Een groene acaciadreef klieft het landschap in twee. Links ligt nog steeds Amerika, rechts hangen miljoenen perziken.

Door de zakkende zon wordt het edele tafereel nog meer verguld. De heuvels vertonen patronen zoals in Death Valley. Galopperende paarden doen een stofwolk opstijgen, achternagezeten door een dolle hond. Hoezo ben ik op weg naar het verre oosten beland in de Far West?

Tussen al het bruin en geel ligt Kesikköprü als een oase tussen groene gewassen. Terwijl de zon ondergaat als een oranje bol kan ik maar geen goed plekje vinden. In het dorp worden de jongetjes gek als ze mijn bepakte fiets zien en horen dat ik helemaal uit België kom rijden. Van het spervuur aan vragen begrijp ik helaas maar weinig.

Met gebarentaal krijg ik aanwijzingen voor een kampeerplek aan het water. Ik denk dat ik het begrepen heb, rij een paar kilometer verder en vind daar in het bijna-donker een stek aan het haast stilstaande water. Als ik weer maar eens aan de nachtelijke doucheroutine begin, stijgt er een nieuwe oranje bol op, boven de tegengestelde horizont.

12 juli| Kesikköprü – Kesikköprü

Geritsel in het riet, huilende honden, geweerschoten, om 3 uur een auto, mannenstemmen. Daarbovenop heb ik de zonnebaan verkeerd ingeschat. De ranke acaciastammen bieden amper schaduw. Het kwik stijgt in de tent na 6.30 uur in geen tijd naar stoombadhoogten. Doodop dommel ik toch weer in om even later wakker te worden in een zwembad. Ik heb wel eens lekkerder gedut.

Kogeldistels cheerleaden me met hun purperen pomponnen de eerste helling op, terug naar Kesikköprü, waar ik 3 liter water koop en meteen 1 liter wegtik.

Ik stijg op doorheen een landschap dat in alle richtingen geel kleurt door droog stro en onafzienbare velden van saffloer. Tenzij naast een elektriciteitspaal is er in dit woestijnachtige landschap geen streepje schaduw te vinden. Daar is America weer, zingend van I’ve been through the desert on a horse with no name. Al is dat nummer niet geheel van toepassing. Mijn ros heeft wél een naam, een Bulgaarse, Ventsi, kort voor Ventsislav. Als hij piept, ratelt of niet op zijn pikkel wil blijven staan, is hij nog altijd een beetje nukkig omdat we niet door Bulgarije zijn gekomen. (Een eenzame mens in de woestijn kan al eens zot beginnen te draaien.)

Als een boerenkar voorbijkomt en mijn geoliede ledematen vol hangen met gedwarrelde stroschilfers, land ik terug op planeet aarde. De woestijn heeft plaatsgemaakt voor grenzeloze graanvelden. De waterfonteinen zijn opgedroogd en mijn drinkwater kan ik niet gebruiken om de jeuk weg te wassen. Door de verzengende hitte blinkt het gesmolten asfalt in de zon alsof het kletsnat is.

In Kaman raden twee tafelgasten me aan de pide te pakken. Ik ken intussen de nodige Turkse woorden om een vegetarische variant te doen ontstaan. Van een Engelssprekende kameraad hoor ik via de telefoon dat ik in zijn tuin mag slapen, maar ik wil nog 70 km door. Mijn gezelschap vertrekt en alweer is mijn rekening al betaald. Dan spreekt een passant me aan in vlot Duits. Hij stelt me gerust dat de geweerschoten van vannacht wellicht voor een trouwfeest waren. Ook hij wil me trakteren, maar ik moet nu echt door. De Vlaming kan bij de Turken nog les gaan volgen in gastvrijheid.

Traag maar zeker stijg ik door het Turkse binnenland dat hoe langer, hoe meer de adem beneemt. Links de oneindige geligheid van stro, graan en keker, rechts populieren in een wijd stroomgebied. Op de verkeersborden langs de baan hebben bandieten hun schietkunsten lopen oefenen.

In een dalletje graast naast de weg een grote kudde schapen. Er lijkt eerst niets aan de hand, maar het moet zijn dat het vuur in de ogen van een van hen de volledige roedel in lichterlaaie heeft gezet. Bergaf trap ik nog zo veel mogelijk bij om dan zo hard ik kan de heuvel op te snellen. Het is een groot gat, maar het zestal monsters loopt het rap dicht. Een boer op een trekker ziet het gebeuren en schiet de baan op als een metalen schild tussen de clan en mij.

De dorpen zijn opgetrokken uit dezelfde roodbruine aarde waar ze op staan. Aan de uitgang van zo’n gehucht achtervolgt een grote, witte waakhond met zwarte snuit en punk-halsband me voor wel 400 meter. Eigenlijk kan je in zo’n situatie beter afstappen en tonen dat jij de baas bent, maar als het kan, fiets ik liever zo snel mogelijk door. Ademloos en met stekende ribben draai ik een pad op met in sommige afdalingen zulk mul grind dat ik een hedendaagse dans moet uitvoeren om maar niet op mijn gezicht te gaan. Stilaan spinnijdig werk ik de rit af op automatische piloot.

Nog 5 km op een drukke baan, dan is deze afmattende etappe voorbij. Al mijn hoop ligt bij een tankstationshop die open moet zijn, of het wordt een triestige avond. Ik prop mijn tassen er vol junkfood en vind bij een nieuw Kesikköprü al snel een groene strook langs de rivier. Er branden vuurtjes van vissers of picknickers. Borden waarschuwen voor snel stijgend water dus ik zet me hoog en ver genoeg van de stroom af. De muggen zijn zo lief om me een gratis aderlating te schenken. Zo goed als leeg glij ik in één vlotte beweging dromenland binnen.

13 juli | Kesikköprü – Ortahisar

Een grote stapel koekjes voor het ontbijt, een kinderdroom wordt werkelijkheid. De mieren vinden het ook heel lekker, alle andere insecten mij lekkerder.

Op een asfaltweg met een telefoonlijn als enige tierelantijn waan ik me op de Route 66. In een boerendorp passeer ik de moskee, waar altijd kraantjes zijn om de voeten te wassen. Er komt niks uit. Dit land staat kurkdroog. Bij een wit kamp langs de weg, zinderend in de volle zon, komen alle kinderen uit de tenten gerend. Ze joelen enthousiast ‘hello, hello’.

Er duiken rotsformaties op waarin hier en daar een deurtje lijkt uitgehouwen. Cappadocië komt dichterbij. Op een begraafplaats staan afgesleten, mossige menhirs recht. De doden zijn er al keilang dood. Als ik een boerenpaar vraag naar een winkeltje, zegt het ‘Oef, da’s nog een end fietsen’. Ze nodigen me natuurlijk meteen uit om bij hen thuis te komen eten, maar omdat de man op een meter afstand in mijn oren roept, alsof ik daardoor beter Turks zou begrijpen, sla ik het aanbod af. Dat had ik misschien beter niet gedaan.

Pas na 50 km kom ik bij Gülsehir de eerste moderne beschaving tegen. Waar ik net nog door de wildernis reed, zit ik plots een Engelstalige menukaart te lezen met prijzen in euro’s. Dit is officieel al Kapadokya.

Voor mij verschijnen de eerste rotsen als gatenkaas. Rond vijven begin ik te verzwakken. Misschien is het de soep van net, misschien de slechte voorbije nachten, misschien gewoon het feit dat het 40°C is. De laatste 20 km lopen het meest omhoog, net nu de kracht uit mijn benen is gevloeid. Ik voel me meer flan dan flandrien. Als er nu een hond opduikt, zal ik me verzetsloos laten opeten. Op een heuvel zet ik me in de schaduw bij een bouwwerf om af te koelen in de wind. Terwijl er zich op mijn tanden een stoflaag vastzet, zoek ik nog eens op wat de gevolgen zijn bij een zonnesteek. Ik beslis er geen te nemen.

Doordat de windstoten mijn volle aandacht opeisen, neem ik nog niet meteen de nieuwe omgeving op. Amerika is verdwenen. Het landschap van tufsteentafels, feeënschoorstenen en uitgehakte kalksteenrotsen is uniek voor Cappadocië. Achter een heuvel liggen er in een keer formaties zoals ik er nog nooit gezien heb, en potdorie een fonkelnieuw fietspad ernaartoe. Het valt met niks aards te vergelijken, misschien met een decor uit een Star Wars-film of zo’n simulatie van een exoplaneet. De verdwijnende zon maakt de aankomst in het landschap van de pinnenmutsrotsen bij Göreme nog buitenaardser. Tussen de tufsteentorens door verschijnen plots paardenranches, restaurants van alle keukens, ontelbare ballonvaartbureaus, showpodia en huurbare roze cabrio’s. Ik ben geland op Disneyland Mars.

De eerste campingman wil 1000TL voor een nacht en niet eens onderhandelen. Vermoedelijk hebben de winsten van overtoerisme van hem een schofterige geldwolf gemaakt. De andere camping ligt helemaal aan de andere kant van Göreme, buiten de stad, en de weg ernaartoe is opgebroken voor opgravingen. Eerst nog de fiets op een huizenhoge rolstoelhelling sleuren en dan een kronkelklim over kasseien tussen de uitgehouwen rotsen, waar de marsmannetjes moeten wonen. Het levert wel het beste uitzicht van de dag op.

Bij de tweede en laatste campingoptie word ik meteen gewenkt door een grijnzend mannetje van minstens zeventig, baseballpet op, smeulende sigaret in zijn knokige hand. Traag fabriceer ik het geblokte zinnetje ‘Kan. ik. hier. kamperen. voor …’. ‘Uh, you speak English?’ Dat zag ik niet aankomen. Pas na een opsomming van alle faciliteiten eindigt hij met de prijs, 750TL. ‘Make it 650 and I stay for two nights’, zeg ik alsof ik dat zo-even bedacht heb. Hij houdt zijn vinger voor zijn mond, ‘Don’t tell the others’. Moe maar voldaan ga ik de rust in met een onbetaalbaar uitzicht vanaf mijn tent.

I’m a lucky lonesome cowboy, and a long way from home.

6 reacties op “14. Van Ankara tot in Amerika”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Zalig om te lezen… wat een uithoudingsvermogen…

    Chapeau voor deze prestatie en dan nog telkens de energie over houden om ons in je verhaal mee te nemen. Dikke merci daarvoor. Kijk al weer uit naar het volgende . Ook supermooie foto’s altijd… wat een talent!

    Geliked door 1 persoon

  2.  Avatar
    Anoniem

    Die foto’s!!! Prachtig. Wat een fijne mensen onderweg ook. Volgende keer ja zeggen als ze u uitnodigen om te komen eten, dat wordt sowieso lekker! Da’s mijn enige advies. Goed bezig x

    Geliked door 1 persoon

  3.  Avatar
    Anoniem

    ik laat weer graag mijn boek voor wat het is

    Geliked door 1 persoon

  4.  Avatar
    Anoniem

    Schitterend verslag – wel oppassen met de warmte en geen schaduw !

    Geliked door 1 persoon

  5.  Avatar
    Anoniem

    Je schrijfsels laten me het stof ruiken, zweetparels en afdalingsbries voelen, zinderend asfalt en western filmsets zien, verkeerschaos en zeldzame stilte horen… en dat alles gelardeerd met humor, info, verwondering, emotie en hier en daar een smakelijke flard Slam. Chapeau, zowel voor je fysieke prestatie (die temperaturen! 🫠🫣) als voor je schitterende blog.
    Trap zo voort!!

    Geliked door 1 persoon

  6.  Avatar
    Anoniem

    Wederom fantastisch verslag en passend qua muziek

    je zit helemaal in je eigen tempo

    Geliked door 1 persoon