Selam!
Voorbij Kapadokya ging ik vaker dan voorheen op de foto met de locals, maar met veel plezier. Er volgden gouden alsook moeilijke momenten, maar aan het einde van de rit steeds voldoende gelukservaringen om mijn blije bakkes in de plooi te houden.
15 juli | Ortahisar – Sarimsakli
Rijzen, hete lucht, opstaan in het holst van de nacht. De ballonvaart is als de bakkersstiel. Wie de show wil zien, moet de wekker zetten om 4.45 uur. Bij ochtendrood drijven tientallen kleurrijke luchtschepen een uurtje boven de onaardse rotsformaties, en dat het hele jaar door. Het is het opstaan dubbel en dwars waard, maar achteraf duik ik nog voor enkele uren de tent in.



Kort na vertrek, passeer ik een uitkijkpunt bij enkele tufsteenkegels. Het lijkt wel of ze de rotsblokken boven op de pieken hebben gebalanceerd, puur om ons toeristen in de volgende verbazing te doen vallen. Of misschien heeft een reus dat hier duizenden jaren geleden zo in evenwicht gestapeld voor zijn eigen vermaak en nooit opgeruimd.
Er volgt een klim met één loodrecht stuk en dan het adieu aan het Cappadocische kerngebied bij een panoramisch uitzicht over rotsmassieven, wijngaarden en doezelige dorpjes. Het onscherpe beeld doet het niet alle eer aan. In de verte prikt al de spits in de hemel van de Erciyes, een slapende vulkaan, medeplichtig aan het ontstaan van de Cappadocische tufsteenkoek.



Terwijl ik er licht neerwaarts op afstorm, buldert de wind langs mijn oren. Om mezelf een gemakkelijker parcours te gunnen, blijf ik ten noorden van de vulkaan en de grootstad Kayseri. De prijs is 40 km over een drukke baan doorheen een vlakte, waar de wind ongebreideld in de verkeerde richting kan blazen.
Op een stuk landweg, van de ene naar de andere snelweg, piepen grondeekhoorns vanuit hun holen naar hun maatjes van ‘pas op’. Wat verder rinkel ik een kudde schapen in twee. De hoeders houden de honden in toom en verzoeken me zelfs met de ezel en zijn ruiter op de foto te gaan.


Naar het einde beland ik weer in het groen, tussen zonnebloemen en maïsstengels. Grote vogelzwermen groeperen op telefoondraden en de bovenverdiepingen van populieren.
Een te laat vertrek – business as usual – en een overdosis tegenwind hebben me stokken in de wielen gestoken. Zo draai ik pas in het donker het pad op naar een stuwmeer. De vastgepinde ‘gratis kampeerplek’ is te mooi om waar te zijn.


Verderop ligt een werf waar nog gasten lijken te gaan overnachten. Ietwat zwaarmoedig begin ik kamp op te slaan tussen het vuilnis, maar dan zie ik enkele gemiste lieve berichtjes van vrienden en slaat het gemoed meteen weer om naar blijdschap. Zoals alle plekken in Turkije waar je een beetje vrij in de natuur mag vertoeven, hebben mensen er één grote bende van gemaakt. Verpakkingen, wc-papier, vuurkringen, etensresten en sigarettenpeuken ontsieren het park dat nog niet eens geopend is.
‘s Nachts nog in het meer gaan zwemmen lijkt niet het beste plan. Enerzijds omdat overal staat aangegeven dat het gevaarlijk en hartstikke verboden is, anderzijds omdat het wellicht ook zo smerig is. Er blijkt wel een openbaar toilet te zitten, waar de douchezak gevuld kan met koud water.
Korte metten, korte pijn. Een mens moet proper zijn!

16 juli | Sarimsakli – Ortatopac
Er hangt een dik wolkendeken, dat is lang geleden. De werklui die het park aanleggen, laten me niet gaan zonder eerst op de thee te komen. Hun vragenuur is een goeie Turkse les. Voor de meeste antwoorden lees ik nog af.
Bij een watermeloenenkraam verkopen ze geen flessenwater maar de goedlachse fruitboer schenkt me wel een glas in. Al dagen lang staan naast de weg gele, vlokkige toortsen. Het is niet de meest elegante plantaardige bermversiering, maar ze hebben intussen een vermelding verdiend. De doorzichtige wolkensluier is welgekomen na weken van onomfloerste zon.


In de diepte verschijnt een grote witte vlek. Het lijkt wel een zoutwoestijn. Van het Tuzlameer, dat ik net door zijn omvang op de kaart had aangestipt, schiet geen drup meer over. Sta ik te gapen naar een prachtig natuurfenomeen of een ecologische ramp? Dan trekt de baan even krom voor een uitkijkplek bij een roodbruin massief, alsof het landschap nog niet bijzonder genoeg was. Mijn keel verkeert weldra in dezelfde toestand als dat ooit-meer.



Het glooiende landschap schakeert constant tussen aarderood, graangeel en bladergroen. Terwijl ik van het ene in het andere vergezicht tuimel, passeert op de onberispelijke asfaltbanen amper verkeer. Deze rit is goed op weg om de mooiste van mijn leven te worden.
Op de koop toe zit er in het volgende, pietluttige dorpje een uitgerust winkeltje. De bolle, groene druiven smeken om gekocht te worden. De gezellige aanwezige heren ondervragen me in keurig Duits. Dan arriveren er twee Franstalige Belgen, die me koffie brengen. Vader en zoon zijn in drie dagen en nachten tot hier gereden voor zes weken vakantie in papa’s geboortedorp. De volgende klant spreekt gewoon Nederlands. De market van Üzerlik is een internationale hotspot.
Op een boerenweg tussen de bieten kan ik 25 aanhouden, ik begrijp zelf begot niet hoe. Via een natuurstenen brug over de Kizilirmak bereik ik Karaözü, naar verluidt een eeuwenoud dorpje, dat de internationals me zonet aanrieden. Bij de lokanta zet ik de rijst met bonen iets te veel op scherp met baharat en pepertjes, maar gelukkig staat er al een blussend ayranneke klaar. Zo veel eeuwen oud ziet het er allemaal niet uit, het is er net buitengewoon levendig met winkels en een theehuis met een afgeladen vol terras waar de mannen Okey (Rummikub) spelen.


Waar de heuvels zich alle soorten vormen aanmeten, blijft de strakke baan zo goed als vlak lopen. Terwijl ik over een breed grindpad enthousiast vaart tracht te houden tegen een verfrissende wind in, krijgen mijn benen een douche van de roterende sproeikoppen op de uitgestrekte bietenvelden.
In Saraç rij ik één straat verkeerd en meteen snelt het halve gehucht ter hulp. Er wordt een Engelssprekende dochter gebeld om te vragen wat ik tekortkom. Met fris drinkwater sturen ze me weer de goede richting uit.
Op het einde loopt de weg weer omhoog. Het fascineert hoe de abstracte akkers in de meest grillige patronen om de heuveltopjes zijn geploegd. Een serpent als van groen satijn slingert haastig de weg over.


Langs de rivier zoek ik naar de kers op de dikke slagroomtaart die deze rit al was, maar ze laat zich niet meteen vinden. Over het vreemde wegdek, half aarde, half pek, schuifelen krabben in bijtrekpas. Bij toeval ontwaar ik er een rustig laartje aan het water. Het is er weer een afvalbelt, maar daartussen ligt ook een grote, gele zak om alle troep in te verzamelen, en zo verandert de plek al snel in mijn eigen paradijsje.
Wat een gouden dag: mooi weer, talloze onvoorstelbare uitzichten, vlotte wegen zonder verkeer en enkel maar fijne mensen. Vanaf hier kan het enkel nog bergaf gaan, maar in fietsjargon is dat alleen maar positief.

17 juli | Ortatopac – Sivas
Vertrekken moet over dezelfde gore pekweg die mijn tassen, drinkbus en enkele spullen vol onafwasbare zwarte vlekken heeft gekregen. Ik twijfel tussen een rivierroute door kleine dorpjes en een sneller parcours langs een stadje en een stuk grote baan. Wat jammer dat mijn voedselvoorraad bijna op is. In Şarkışla overcompenseer ik door een maandrantsoen in te slaan en wel 6 liter drank. Giechelende jongetjes achtervolgen me door de supermarkt en porren elkaar aan van ‘jij moet de volgende vraag stellen’. Ze willen met me op de foto en ik vergeet stomweg om er een terug te vragen.
Als ik bijna een afrit ga kruisen, haalt een auto me razendsnel in met een langgerekte tuut. Doodsbang smijt ik alles dicht … Niks aan de hand. Het was gewoon om mij op te zwepen.
Roofvogels scheren laag over braakliggende akkers. In de wijde omtrek staan maar weinig bomen recht maar onder een canada vind ik de nodige schaduw om een smakelijk broodje in te beleggen.


Bergaf verzink ik zo diep in gedachten dat ik mijn afslag met een kilometer voorbij rijd. De vluchtstroken voelen intussen zo vertrouwd dat ze volkomen veilig lijken. Langzaam klim ik tegen de wind in door de omgeploegde bruinheid met op links heuvels vol rimpels en groeven. Kleine knaagdieren schieten angstig weg en laten zich niet identificeren. Na de laatste klim van 6 km ligt plots Sivas in zicht als een torenhoogpolig tapijt van witte blokjes tussen de bruingroene heuvels.



De gastheer van mijn online geboekte kamer wil voor mijn ‘late aankomst’ na 19 uur plots bijna het dubbele. Dat pik ik niet. Ik boek elders in de stad een andere kamer, word onderweg nog even bekakt door een vogel, en krijg dan te horen dat die nieuwe kamer toch niet vrij is. Twee mannen moeten de stoom uit mijn oren zien komen en vragen of ze kunnen helpen. Verderop zitten wat hotels, wijzen ze, waar ik meteen word binnengelokt voor een democratische overnachtingsprijs. Gespannen breng ik het drukke centrum een blitzbezoek. Bij een wereldwijde hamburgerketen waar ik nog nooit ben geweest, werk ik twee teleurstellingen weg. Op café zorgt een telefoongesprek met een goeie kameraad ervoor dat de lach op mijn gezicht terugkeert.
Booking gebruik ik dus nooit meer in Turkije. Les geleerd.

18 juli | Sivas – Imranli
Door dat ene vorte teerpad bij Ortatopac gebeurt het om de haverklap dat aan mijn handen of kleren een streep pek kleeft. Ik ben er helemaal klaar mee. Aan de rand van de stad moet Ventsi verplicht weer in bad. De hogedrukspuit staat loeihard. Dit moet officieel gelden als fietsmishandeling. De buurman van hok 2 slaat het allemaal stomverbaasd gade.
Vandaag ligt helaas niet de meest rustgevende etappe klaar. Het land dat steeds heuvelachtiger wordt, dwingt me de grote baan te volgen. De toppen in de verte doen zich al als bergen voor.


Na lunch in Hafik drijven er wolkjes boven de patattenvelden en de grijze, kale heuvels. Het voordeel van pechstrookfietsen in Turkije is dat het vooruit gaat als het wegdek er netjes bij ligt. Als het weer en verkeer dan nog meezitten, zoals vandaag, en de uitzichten weer geweldig zijn, kom je vanzelf in een meditatieve toestand terecht. Snelweghypnose heet dat, geloof ik.
Eerst een amuse, even laten zakken, en dan de hoofdschotel van hoogtemeters. Onderweg naar boven moet ik met wat vergezichten pauzeren om het allemaal behapbaar te maken. Als het voorbij de top even plat loopt, komt een chauffeur me rijdend interviewen. ‘Van waar kom je? Naar waar ga je? Alles gut!’ Dikke duim.
In Imranli maak ik aan de market kennis met de lokale jeugd, die ook weer een selfie wil. Mijn kop moet intussen circuleren op het Turkse Instagram. De kwajongens achtervolgen me op hun fietsen dolenthousiast door de straten. Fietsen zijn kinderspeelgoed in Turkije, volwassenen zie je zelden per rijwiel. Als ik me neerzet voor een pide’tje, stuur ik ze lopen met een nadrukkelijk güle güle, Turks voor bye bye, doei doei, ciao ciao.



Terwijl ik nog een plek langs het water hoop te vinden in het verdwijnende zonlicht, begeeft mijn fietslicht het. In een beschutte kuil achteraan een weiland vol stekelige planten en grassen met scherpe weerhaken is er maar net genoeg plek voor de tent, maar ik sta er wel rustig en uit de wind. Doe gewoon de prikken weg en er blijft een prachtplek over.

19 juli | Imranli – Erzincan (Camping Ricardo)
Tussen de oorwurmen en het bloemenpluis dat dicht als katoen tussen de planten plakt, ontbijt ik in de schaarse wilgenschaduw. De zon moest achter die heuvel blijven, en dat heeft ze gedaan, tot 7.30 uur. Eerst zien weg te komen uit dat jeukweiland, met lange broek en aangespannen enkelbandjes. Net als ik op de weg in mijn blootje sta, passeert natuurlijk de enige truck van de hele ochtend. Hoewel ik ze op de krimp heb gekocht, zit mijn fietsbroek al merkbaar los, ondanks alle calorieën die ik dagelijks naar binnen stomp, smul, snack en sneukel.

De grafiek trekt vandaag een bijzondere curve, als een circustent met twee torentjes. Na 15 km klimmen bereik ik de eerste top. Het wegdek verkeert in zo’n slechte staat dat mijn reeds uitgerekte snelbinder en sandalen los botsen. In de berm sta ik het euvel op te lossen met een zwalpende afdaling in zicht.


Halfweg sla ik rechts af op een nieuwe baan met langs de pasgewitte lijn een gepolijste pechstrook doorheen een rotsachtige vallei. In Refahiye schep ik snel een metalen talloor menemen binnen, bij ons bekend als Turkse eieren. Ik moet er ook boodschappen doen want de komende 70 km volgt er niets meer. Zulke dikke beesten van wolken heb ik in tijden niet meer gezien. Een grijs exemplaar kraakt boven mijn hoofd.



Als ik bij een aire stop om een foto te nemen van een snelweggebedsplaats, hengelen de truckers me meteen binnen. Ze bieden me gebraden vlees en sigaretten aan, maar ik hou het gezond met een koud watertje. Ze laten me bijna niet gaan, de thee is nog niet klaar, maar ik schrik van het uur en er ligt nog 15 km beklimming te wachten.

Terwijl ik me naar boven haast, reken ik uit hoe lang de rit nog zal duren. Gisteren werd het al veel vroeger donker dan verwacht. Verdomme, juist, mijn licht is kapot!
Als het aankomt op lekke banden, heb ik geen woord te klagen. Dat ik er nog maar één heb gehad, mag een godswonder heten. Dat hier en nu die tweede moet leeglopen, komt dan wel weer wat ongelegen. Dat moet geleden zijn van Italië.
Door de pas waait een frisse wind bergaf waardoor al mijn zweet opdroogt. Het voelt nu echt als een race naar de top. Vrachtwagenchauffeurs toeteren me naar boven alsof we intussen allemaal verbroederd zijn. Net voor de piek pomp ik al een tweede keer bij. Het is de enige manier nu, om te plakken is er geen tijd.
Daarna moet ik elke 5 minuten de band bijpompen. Voel ik nu … regendruppels? Juist, er bestaat zoiets als neerslag! Dat moet geleden zijn van Italië. Het daglicht verdwijnt zienderogen en er steekt een harde zijwind op. Telkens weer pomp ik een minuut lang als een gek tot mijn armen ontploffen om dan snel op de fiets te springen en eruit te halen wat ik kan. De wind blaast me bijna de berm in. Zes keer pomp ik uiteindelijk de band bij, als plots, wanneer fietsen door het donker bijna niet meer kan, het verlossende bord opduikt met daarop ‘Camping Ricardo’.
Het was een gestoorde rit, maar nu het voorbij is, tekent zich op mijn tronie meteen een grote glimlach af. Op de camping zal ik twee nachten staan, want morgen ligt er een waslijst aan klussen klaar. Er verblijft één andere gast, een fietser, die zich voorstelt als Douglas, maar het is een Italiaan. Dat moet geleden zijn van Italië.



3 reacties op “15. Smile!”
Van dien zotte ‘ollander in Tbilisi! Hou ’t gezond en veilig manneke. Ik zal je blog volgen. Keep on rolling dude! Groeten DJ
LikeGeliked door 1 persoon
Weeral een prachtig nieuw hoofdstuk van je fietsepos! Je doet het toch maar allemaal. Pet af.
We hoorden dat het momenteel iets minder evident is, dus: veel succes en behouden verdervaart! We kijken ongeduldig en benieuwd uit naar je volgend verslag.
LikeGeliked door 1 persoon
schitterend verslag! Je bent goed bezig. Elke keer weer genieten en lachen om de verhalen te lezen
LikeGeliked door 1 persoon