Sawasdi!
Na een uitdagende uittocht uit Bangkok volgde een tropische trip langs Thaise stranden. De jungles en plantages langs de kust zaten helemaal vol met dieren en aan de golven lonkten paradijselijke campings. De Golf van Thailand voorzag in fietsreizen op zijn zaligst.
11 december | Bangkok – Bang Tabun
Na 5 dagen Bangkok zet de tocht zich voort. Uitgeslapen als een roosje had ik nu willen zijn, maar weinig is minder waar.
Langs het grootste rondpunt op aarde, buitengewone buitenwijken, enorme bruggen en een tientallen kilometers lange Bangkoksesteenweg baan ik me een weg uit de metropool. Dat is ook het weinig ambitieuze doel vandaag. De stad uitkomen.



Het gaat alsmaar rechtdoor over een drukke baan. Ook bij de uitstekende, opnieuw plattelands geprijsde lunch is het uitkijken op een fly-over in aanbouw. Ik leg me neer bij de lelijkheid van de exitrit en hoop dat morgen beterschap brengt.
Na 50 km pechstrook wordt langs de baan zout in zakken verkocht en daar mag ik eraf om door de mijnen te rijden waar het gewonnen wordt. Naast de sloot verschijnen de eerste mangrovebomen met hele bossen aan wortelstelsels. De blafbakken, die in Bangkok met verrassend weinig waren, zijn weer terug. Hele roedels ervan.



Pas aan het einde van de rit gaat het parallel met de kust, die vanaf hier noord-zuid loopt. Bij een guesthouse is het grasveld verdwenen en voor een kamer vragen ze meer bahts dan in Bangkok. Ik stel me al in op een matige plek ontdekken in het donker en junkfood verhitten van de 7-Eleven, maar dan verschijnt er nog een verouderde, betaalbare homestay met een halfpropere privéhut aan het water en inbegrepen ontbijt. Prima vervanger!


12 december | Bang Tabun – Pak Nam Pran
De muggen, de torren, de wantsen, de kleine en de reuzenmieren en de gekko’s zeg ik ajuus, alsook de dieren die buiten mijn hutje leven. Een bord waarschuwt ‘Watch out of monkeys’, en meteen daar zit er een op een golfplaten dak boven de rivier iets binnen te smikkelen.


In Ban Laem ligt er brommerbrug over de riviermond, steil als een tempeldak. Het geurt er naar vis. Op metalen netten wordt iets ronds te drogen gelegd, afkomstig uit het water, maar wat het is, wordt me enkel in het Thai toegelicht.


Grote en witte reigers, scholvers, hoenders en ooievaars met een roze kont scharrelen in de ondiepe wateren. Van onder houten schuren groeten de zoutmijnwerkers me. Hier en daar staat tussen de plassen een miniem pletwalsje geparkeerd voor als straks de zoutakker strakker moet.



De Thaise golf toont zich voor het eerst, en wel erg vredig. De kleine dokken liggen vol vissersboten in tinten van blauw en oranje. Eerst langs de zee en dan meer het binnenland in gaat het de ganse dag over een vlak fietspad met zicht op laaggebergte aan stuurboord.


‘s Avonds moet ik Hua Hin nog door, waar opvallend veel bleke mannen in hun eentje rondlopen en waar ik flink uit mijn doppen moet kijken tussen al het verkeer. Net als ik verkeerd afsla, blijkt mijn voorband leeg te lopen. De eerste flattie sinds Sichuan.
Als de zon achter de bergen wegzakt, leidt een geweldig parallelfietspad me door de bloesems. Met nog 5 km te gaan rijzen voor me nieuwe bergen uit, terwijl daar nu toch stilaan de zee zou moeten gaan verschijnen. In het laatste daglicht kom ik toe op de winderige strandcamping, waar al een hoop tenten staan van Thaise en internationale kampeerders. Misschien omdat ze zo mooi, zo voorzien en zo gratis is.


13 december | Pak Nam Pran – Sam Phraya
De voorste buitenband kan maar beter ineens vervangen worden en geruild met die achteraan. Alles mag op het gemak vandaag, al kan ik niet blijven op de camping vanwege een tekort aan voedsel en drinkwater. Zo stap ik pas om 15 uur op, om meteen een doodenge brug over te gaan, half weggeroest en vol gaten in de losliggende platen.


Omdat ze nog niet genoeg van die oosterse kloosters hebben, wordt er aan de kust nog zo’n gouden spel bijgezet. Er volgt een zalig baantje langs het zandstrand. In de branding plenst een trio bhikkhu’s speels water naar elkaar, wadend in kletsnatte gewaden. Achter de baai komen weer bergen in zicht.



Het voelt vreemd om door de vlakte te knallen terwijl aan weerszijden loodrechte bergwanden uittorenen. Naast de baan groeien struikjes als uit de woestijn, verderop liggen zoutplassen en in de verte ligt voor de zandstranden een groene strook vol palmen. Het onwaarschijnlijke landschap lijkt wel bedacht door een kind dat nog geen aardrijkskunde- of biologieles heeft gehad.


Aangekomen op alweer een parel van een strandcamping gooi ik meteen die tent recht. Gezwind de zee in en uit bij zonsondergang want er zouden kwallen zwemmen en er loopt niemand in de buurt. Nu meegesleurd worden door een onderstroming zou nogal onhandig uitkomen. De langoeren houden zich verborgen, maar op het strand stoeit wel een echtpaar eekhoorns. Die beesten leven echt in álle klimaten.
Als enige campinggast kan ik nog terecht in het restaurant en het brandschone sanitair, en dat voor een appel en een ei. Wat een paradijsje alweer.


14 december | Sam Phraya – Thap Sakae
Thaise stranden zijn machtig mooie slaapplekken, maar de nachten vol van rumoer. De wind, de golfslag, geritsel en vogelroepen, samen maken ze dat ik alweer afgemat opsta. Van het voornemen vroeg te vertrekken komt niks in huis.
De wind waait hard landafwaarts, maar zodra ik de toegangsweg van de camping afsla, waarboven honderden zwaluwen zwiepen, duwt ze toch in de rug. Een zegening.


Terwijl ik op links een mangrovebos van warrige wortelwebben aanschouw, maak ik plots oogcontact met een zwart gezicht met witomrandende ogen en mond. Een langoer! Als ik in de remmen knijp, kruipt de apenfamilie haastig twintig meter dieper. Op de voorgrond blijft enkel een eenzame luiwammes van een makaak hangen.

Het gaat tussen kokos- en andere palmen aan een gunstig tempo. Dat is nu op enkele dagen tijd – ik heb het geteld – de zesde keer dat er een zilverreigertje stapvoets achter een koe aan hinkelt. Die twee spannen samen, dat kan niet anders.
Bij een vroege banaanstop tussen de papajaplantages duiken voor het eerst aloë-veravelden op. Honderd meter verder overstroomt een rivier het pad, te diep om te doorkruisen.



Weer aan zee grazen kokoswitte koeien tussen de palmbomen. Wat later gaat het rakelings langs de woeste baren waarop visserssloepen op en neer worden geworpen. Ze hebben niets te vrezen. Verderop waakt de Boeddha over ze.


In de schaduw van een kalkstenen kustberg zet ik me neer voor een goeie ouwe pad thai voor de onbegrijpelijk democratische prijs van 40 baht, net iets meer dan een euro. Verderop verschijnt het sprankelendste postkaartje dat Thailand al prijsgaf. Op een rustige baai dobberen talloze pittoreske vissersboten tegen een achtergrond van onbewoonde eilandjes.

Bij de volgende baai zitten langs de weg ontelbare makaken te lummelen, elkaar te vlooien en te wachten op vreten. Sommige van de oudere apinnen lijken wel moddervet. Net als ik de beesten film, smijt een brommerrijder een driehoeksandwich naar ze, nog in de verpakking. Uit een oranje pick-up wordt de hele troep bevoorraad met maïs en fruit. De beesten voeren staat nochtans op straffe van een geldboete.
Bij elke nieuwe versnapering wordt er gevochten door 2 à 3 apen. Zodra een van hen het voedsel duidelijk in handen heeft, stopt de schermutseling. De winnaar wordt gerespecteerd en kan zorgeloos zijn trofee opsmullen.


De gps stuurt me een natuurgebied door en het zou geweldig zijn als daar nu ook nog een zichtbaar pad lag. Met een half uur verkwanseld moet ik nog tegen de wind in de grote baan eromheen zoeken. 30 km tijdrijden later sla ik Thap Sakae in.
De lokale bananenhandelaar wil voor niets minder dan een tros van 15 vruchten zakendoen. Hij krijgt zijn geld en eens overhandigd klap ik mijn Opinel open om er 5 af te snijden. De rest mag hij opnieuw verkopen. Hij kan het niet geloven. Voor mij is het nog steeds een batige transactie.
Vanaf het dorp is het slechts enkele kilometers tot alweer een plaatje van een camping. De Thaise oostkust blijkt een fietsreisparadijs.



15 december | Thap Sakae – Saphli
Ontbijt in de zeelucht met granen, bananen, noten en zuivel. Wat een genot. Op het strandje is het zo goed toeven dat het weer niet lukt om tijdig te vertrekken.

In het vlakke kustlandschap leveren de talrijke bruggen over de spoorlijn steevast de aardigste uitzichten. In de kokosbossen heeft elke koe zijn eigen witgevederde maatje. Van de reiger en het rund, daar zit een kinderboek in, als het niet al bestaat. Met hun hoeven jagen de runderen insecten in het rond. De reigers schuiven erachteraan voor een walking dinner.
Als de baan tegen de stranden aanschurkt, krijg je van het heerlijkste dat er is om te fietsen in dit land. Zeker als de wind staat zoals ze staat, in een schuine hoek vanop zee en in de rug. Als een onwipbare surfer op een golf die eeuwig schuins de kust afdendert, knal ik aan de branding voorbij.



Op het asfalt kronkelen tussen de resten van een gevallen boom maden zo groot als snoepkomkommertjes. Geen idee tot wat voor monster die engerlingzilla’s straks nog moeten ontpoppen.

Op een drukkere baan komt een Thaise dame naast me scooten. ‘Hello, very good!’, zegt ze, terwijl ze zwaait door met haar hand te draaien, zo van koekebakkevlaaien. ‘Where you go?’ ‘South!’ ‘Where you come from?’ ‘Bangkok’ ‘Good for you, haha’ en ze gast ervandoor. Goed gesprek. Ik mag de Thaise communicatiestijl wel. Altijd to the point.
Het Thaise vervoersmiddel bij uitstek is de zijspan. De praktische invulling van dat ding komt in allerlei gedaanten, vracht gaande van hopen kokosnoten tot meterslange bamboestokken, honden of pluimvee maar ook hele koffiebars, volledige gezinnen, mobiele winkels, foodtrucks en ga zo maar door. Vandaag zit op de zijspan voor het eerst een stel apen. Mijn hart maakt een sprongetje, maar dan smakt het weer neer, want die prachtige beesten zitten daar niet vrijwillig natuurlijk, wel gebonden en met een bel om de nek.

In een restaurant houdt de serveuse de Thaise gewoonte vol om de menukaart neer te leggen en vervolgens ter plekke nieuwsgierig te staren en wachten tot je een keuze maakt. Van de stress neem ik een papajasalade, want ik weet niet zeker of ik ooit al papaja geproefd heb. In het resultaat zit schijnbaar enkel chili en komkommer. Of is die komkommer de papaja, maar dan groen?
‘s Namiddags verdringt een nieuw soort palm de kokos, een die van nature veel meer schaduw werpt. Oliepalm. Voor het eerst in tijden volgen de heuvels elkaar zo snel op als de golven op zee. Telkens is het neerwaarts bijtrappelen om de volgende vlotter op te komen.
Net als het Thaise schiereiland in duisternis wordt gehuld, land ik op wellicht de gezelligst ingerichte camping van de reis. Het grasveld aan zee staat vol zelfgetimmerde, kunstzinnige hutten en bankjes. Voor een toeslag van 50 baht mag de tent hoog en droog en beschut van wind staan en daar zeg ik geen nee tegen. Misschien blijf ik in mijn huis aan zee wel een nacht langer dan gepland.



