43. Sylvester Alone

29 december – 1 januari | dag 237-240

Hello!

Vanaf de grensstad Padang Besar ging het langs de Maleisische westkust tot op het eiland Penang. Na een overdosis palmlandschappen bracht een nieuw noorden weer overzichtelijke vegetatie maar ook verregaande vervuiling. De kalme kustlijn bleek een leverancier van knappe slaapplekken en ook het historische George Town kon me bekoren met zijn architecturale ratjetoe. Te midden de rumoerige smeltkroes voltrok zich voor ik het wist de laatste nacht van een onwaarschijnlijk jaar.

29 december | Padang Besar (Thailand) – Ayer Hitam (Maleisië)

De hosteluitbaatster brengt me zomaar een kop koffie. De Thaise gastvriendelijkheid, ik ga ze zeker missen. Bij de grensovergang sluit ik aan achter de brommers, maar ze sturen me van het eerste loket naar een tweede, derde en nog een vierde door. Eens de exit-stempel tussen mijn onderhand nogal bonte verzameling prijkt, bol ik vlotjes door de controles heen. De grondige zakdoorzoekingen waarvoor andere fietsers waarschuwden, blijven uit.

Meteen valt de terugkeer van leesbare belettering op, maar er staan ook arabische krullen en opvallend veel Chinese tekens boven alle handelspanden. De Engelssprekende uitbaatster van een sapjesbar leert me bedanken in het Maleis. Terima Kasih, vijf lettergrepen begot.

Na één afslag volgt al een piekfijn asfaltbaantje dat blikkert in de wederboren zon. Na een stuk meebollen met auto’s over snelwegen en bruggen verrijzen in de verte beloftevolle bergen. Rondom verschijnen helgroene rijstvelden en daarachter karstrotsen, sommige als flatgebouwen met hellende daken.

In het eerste restaurant stellen ze de veggie special voor. Met die bruine saus lijkt het wel Maleis stoofvlees, maar het is een plantaardige proteïnebom van eieren, tofoe en papaja – althans, dat denk ik. De wegen versmallen zodanig dat er haast geen wagen meer kan passeren. Een grindig jaagpad langs een bruin kanaal biedt uitzicht over rijstvelden rondom terwijl de wolken steeds sterker twijfelen of ze vandaag nog willen gaan regenen. Los van de rijst en de varanen, dobberend op drijfafval, waan ik me een ogenblik in Vlaanderen.

In Ayer Hitam is de camping aan zee uitgestorven. De kuststrook, die er op de kaart aantrekkelijk uitzag, blijkt een dumpplaats voor brandend sluikstort. Een idyllisch en plat stuk grond, perfect voor de tent, ligt vlak naast het doodkalme zeewater, maar net dát maakt het zo verraderlijk. Als het zeepeil nog een halve meter stijgt en er daarbovenop golfslag ontstaat, kan mijn kamp wegspoelen. Voor de zekerheid leg ik nog niets binnen en leef ik tot na de vloed uit mijn tassen.

Tijdens het koken komen er plots twee gelige oogjes aangetrippeld, reflecterend in mijn koplamp. Als ik het onherkenbare beest formeel begroet en er meer licht op werp, blijkt het geen gewoon huisdier maar een tengere civetkat. Door mijn onvoorzichtige verwelkoming schiet de schuchtere loewak er helaas als een haas vandoor.

Het tij houdt zich gedeisd en als de laatste Maleisiërs ophouden met stropen en vissen, blijf ik alleen achter met de sterren en de muggen aan een zee zonder golven.

30 december | Ayer Hitam – Ruat

Voorbij middernacht en toch treedt de vaak maar niet in. In het holst van de nacht schijnen er zaklampen rond de tent. Die zoeken vast gewoon iets eetbaars te vangen, geschonken door moeder natuur, maar het helpt mij niet om mooie dromen te vangen.

Ik slaap zo schandalig lang uit dat de zee zich alwéér terugtrekt. Er arriveert een echtpaar op een brommer en terwijl de magere man ervan al met een piepschuimen bak loopt te ploeteren in de blootliggende modder om de inhoud van alle visfuiken te verzamelen, waggelt zijn dikke vrouw naar de omgevallen boomstam naast mijn tent om er te wachten in de weinige schaduw. Gedurende het hele ritueel van haar kloris staart ze me aan met een blik vol argwaan, afschuw misschien zelfs. Ze heeft vast op een meter van haar favoriete wachtplek het stapeltje stenen ontdekt dat met het volgende springtij moet worden weggespoeld maar waaronder tot die tijd al mijn eten van gisteren zal liggen vergisten. Oeps.

De zon schroeit, overal kietelt spinnenrag, het inpakken verloopt tergend moeizaam en ik ben nog niet eens verkleed als flandrien. De dag roep ik uit tot halve rustdag. Alweer.

De route loopt langs een kust vol kale kubieke gebouwen waaruit eeuwig een vreemd en pruttelend getsjirp voortkomt, een haperend gekerm, als een elektronische parkiet met kortsluiting. (Zwaluwnestenboerderijen, voor de productie van eetbare zwaluwnesten)

Onderweg naar Kuala Kedah valt op hoezeer de bermen uitpuilen van het zwerfvuil. Zelfs over een groentemarkt walmt de indringende, zerpe lucht van vuilzaksap. Omdat ik geen druppel water meer bezit, stop ik bij een viezig winkeltje, waar de kassierster bij het afrekenen onverstoorbaar en met een uitgezakte smoel blijft staren naar een lopende band van lachbandnonsens op haar glittertelefoon. Haar vier kinderen hebben er duidelijk ook genoeg van en stappen gezamenlijk op een en dezelfde brommer. De oudste, een jaar of 14, stuurt. Kuala kedah, geen misse naam voor een stad vol kwalijkheden.

De steile brug over de Kedah knikt puntig op en neer als een gotisch gewelf en biedt uitzicht op kleurrijke boten aangemeerd in de monding. In de kanalen parallel aan de kustlijn drijven varanenkopjes tussen de rotzooi. In de verte verschijnt een breedgeschilderd bergsilhouet en aan de voet daarvan, die in het zeewater pootjebaadt, wil ik vanavond slapen.

Ergens in een vissersdorp gilt opeens een geit op een welhaast menselijke stem vol wanhoop. Het dier lijkt met zijn voorpootje verstrikt in hekwerk, dus waag ik me op een krakkemikkige ladder om het uit zijn benardheid te bevrijden. Het zegt geen dank u, stopt meteen zijn hoef weer door de spijlen heen en blèrt verder. Onnozele geit.

Het zeezicht is intussen vervaagd tot een artistiek tableau in grijstinten. De begroeiing langs de kust oogt het ene moment nog indrukwekkender dan het andere, maar het afval slingert er overal bij.

Na een korte, gezapige kustrit bereik ik een beeldige camping aan zee. 50 ringgit, meer dan 10 euro, lijkt een astronomisch bedrag voor Maleisië, maar ik krijg er nog 20 af. Het enige restaurant in de buurt is dicht, maar van de bodem van mijn tassen schraap ik nog genoeg ingrediënten op voor een eenvoudig maar warm avondmaal.

31 december | Ruat – George Town

Als ik ‘s ochtends mijn afval in de vuilbak tief, stel ik me de vraag waar het ’s avonds terecht zal komen. Een knokige Maleisiër op leeftijd komt een praatje slaan. Ook hij spreekt Engels, toch voldoende om een volgendjaarmop te maken. ‘Next year you’ll be in George Town.’ De Britten hebben hun sporen nagelaten in dit land, getuige de naam van die stad en ’s mans talenkennis.

De sylvesterrit meet amper 50 km, kwestie van straks niet in slaap te sukkelen voor het vuurwerk uiteenspat. Vanop de enige heuvel van de dag overschouw ik de kustlijn, waarover zwermen witte vogels scheren. Bij het eerste warenhuis heerst een gezellige drukte. Van alle producten en aroma’s die er hangen kan ik nog geen derde thuisbrengen.

Aangekomen bij de enorme monding van de Merbok valt er geen duidelijk veer te herkennen. Een van de bootlieden aan het dok legt uit dat de pont niet zomaar uitvaart. ‘There are no people.’ Bij twaalf passagiers kost het 3 ringgit per persoon. Bij één fietser 36. Naar de dichtstbijzijnde brug omrijden voegt 30 km toe aan de rit, waarvan een leeuwendeel snelweg. Na een volle minuut twijfelen gun ik mezelf een eindejaarscadeau van omgerekend €7,5.

Aan een rotvaart ronkt en hotst de speedpont over het wateroppervlak. Na enkele minuten dobberen we al voor een piepklein strookje strand, een weinig officieel aandoende aanmeerplek. Mijn bagage en ik staan nauwelijks stabiel aan land of de drie pontpiraten scheren er alweer vandoor, gejaagd en onder luid gejoel. Iets zegt me dat ik die lui net in het zwart een eindejaarsbonus heb uitbetaald.

Over een drukke baan van honderd stoplichten bereik ik Butterworth, van waar ik enkel nog de wegwijzers met feri hoef te volgen. In de terminal slaag ik er alsnog in verkeerd te fietsen doordat de betekenis van het bord met basikal niet meteen doordringt. Een meer zuidelijke reuzenbrug heeft de ferry autoloos gemaakt, maar alle bromfietsen nemen nog hetzelfde, goedkope veer naar het eiland Penang.

Vergeleken met het vasteland is George Town een andere wereld. Het als werelderfgoed erkende oude centrum huisvest achter haar eclectische architectuur een mix van culturen waarin vooral de Chinese en Indiase aanwezigheid opvalt. Een stel ossen trekt een praalwagen door de straten en het park aan de kaaien wordt op de laatste dag van het jaar druk bezocht door toeristen en locals.

Vanaf 20 uur knettert er al stevig vuurwerk in de straten. Hoewel het in de horecabuurt ronkt van de feestspanning, zet ik me liever op het dakterras van het hostel, in afwachting van meer pyrotechniek. Een belletje naar de opwarmende vrienden en dan, klokslag middernacht, van mijn lief helpen om de eenzaamheid tegen te gaan en ik trek me op aan de gedachte dat 2025 het bijzonderste kalenderjaar is geweest dat ik van mijn leven heb mogen meemaken.

Na de jaarwisseling ontmoet ik op het dak nog een aardig Ests stel voor een fijn gesprek en zo breng ik toch niet de volledige oudejaarsnacht in mijn eentje door.

1 januari | George Town

De eerste dag van het nieuwe jaar verloopt zoals steeds uiterst ongedwongen. Op mijn dooie gemak verken ik de betegelde galerijen van George Town, waar naast de gebarsten faiencetegels de afgebladderde verf herinnert aan kleurrijker jaren van het Unesco-stadje. Buiten de was, wat boodschappen en redactiewerk op het dakterras doe ik niets productiefs, precies zoals het hoort op internationale katerdag.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *