7. Istrië + Island hopping

25-28 mei | dag 19-22

Dobar dan!

Het einde van het eerste grote luik is al in zicht. Halfweg Kroatië zal ik in liefdevol gezelschap genieten van een week rust en zon-zee-steentjes.

25 mei | Monfalcone – Roč (Kroatië)

Het voelt wat vreemd om voor je ontbijt halfnaakt en rechtstaand op een strand een lekkende wrap met overpikante chili te verorberen, naast een tas koffie, terwijl rondom dagjesmensen handdoeken neerleggen, maar ook dat is fietsreizen. Op het strand dat ik gisteren enkel hoefde te delen met een fotograaf en een visser, wordt nu verrassend genoeg een muziekpodiumpje opgebouwd.

De route loopt helaas verder over een trieste verkeersweg, maar hier en daar biedt die uitzicht op de baai. Ik ben laat vertrokken en trap mij de pleuris om nog op een fatsoenlijk uur te kunnen lunchen in Triëst. Zo loop ik snel leeg en smeer ik al broodjes op de promenade voor de stad. Een meeuw gaat na hoe dicht ze kan naderen voor ik ingrijp.

Ik wist wel dat Triëst een grote stad was, maar dat ze zo vol zou staan met pronkerige mastodonten had ik niet verwacht. De straten liggen haaks op elkaar en de neoklassieke blokken doen eerder denken aan steden als Wenen of Boedapest. De stad ademt een heel andere atmosfeer dan het Italië van smalle straatjes. Voorbij Wenen aan zee moet ik door een vieze tunnel die ik te voet afleg en waar ik in de krapte mijn tassen onherroepelijk beschadig.

Ik bevind mij nu op Istrië, een groot schiereiland gedeeld door Slovenië en Kroatië. Voorbij de grens kom ik door kleine dorpen waar geurige jasmijnstruiken bloeien. Elk huis heeft zijn eigen wijngaardje en een oldtimerverzameling/autokerkhof. Op de korte, steile beklimmingen stel ik tevreden vast dat mijn benen al sterker zijn dan toen ik dit avontuur aanvatte. Links van mij neemt een hoge rotswand het uitzicht in en het lijkt wel of de route naar de top ervan wil lopen.

Na nog geen drie uur Slovenië zit ik al in Kroatië, Hrvatska voor de vrienden. Op de helling die daarop volgt, gaat de laatste stroopwafel eraan die ik uit België heb meegesmokkeld. Ik volg een smalle weg door het ene na het andere piepkleine dorp.

Uiteindelijk kom ik in Roč toe op een gloednieuwe camping. In het dorpje met historische omwalling zit één restaurant, maar wat een pareltje. De suggestie is pasta met lokaal opgegraven truffel en voor zo’n buitenkans ga ik al eens graag over dagbudget.

26 mei | Roč – Krk

Van Roč vertrek ik naar Brestova, een kustdorp waarvan een veerboot op Cres [tsrɛs] vaart. In Lupoglav krijg ik bij mijn americano zomaar een glas ijsblokken. IJskoffie dan maar! Ik koop voor onderweg ook meteen een eerste pot ajvar, een smakelijk smeersel van paprika en aubergine.

Links van mij steekt hoog het natuurpark Učka uit. In de verte is het torentje herkenbaar waarop mijn vrienden en ik drie jaar geleden poseerden na een steile wandeltocht naar de top en ik herinner me het eindeloze uitzicht over het vlakke Istrië. Ik volg nu een autobaan en dan weer een landweg tussen uit natuursteen opgetrokken boerderijen. Ik had er niet op gerekend dat in dit mediterrane landschap zo veel grassen in bloei zouden staan, maar ik nies achteruit voor extra aandrijving.

De vreemdste wezens kruipen over het wegdek: gigantische sprinkhanen, gifgroene rupsen, koperen kevers. Wat een rariteitenkabinet, het zijn net Pokémon. Twee mestkevers brengen samen een keutel weg, of vechten erom, geen idee. In de bermen vol blaassilene ritselen de hele tijd onzichtbare beesten weg. Ik neem mijn tijd en stop voor elk onbekend schepsel, er is toch geen haast bij vandaag.

Ik nies en bries de kust af richting Brestova. Fietskoorts? Hooikoorts! Over het water ligt Cres, dat er verdomd veel heuvelachtiger uitziet dan ik verwacht had.

Een Duitser, een Fransman en een Belg beklimmen een Kroatisch eiland met een zwaar beladen fiets. Ik vraag mijn gezelschap hoe de mop kan aflopen maar de twee heren hebben ook geen pointe klaarzitten. We babbelen al puffend over onze reizen en de Franse Quentin neemt graag de rol op van fotograaf, zodat er wat meer beelden van mezelf zullen zijn voor op deze blog.

Ik ben er daarnet achter gekomen dat het veer tussen Cres en Zadar, dat ik overmorgen wou nemen, nog even niet bestaat. Ik stippel een nieuw plan uit, met meer boten, en waarmee ik nog steeds over twee dagen in de kuststad kan staan. Boven Dalmatië zou ik na Istrië enkel Cres aandoen maar nu ga ik schielijk eilandhuppen. Ik probeer vandaag nog rap een tweede ferry te halen en zeg cameraman Quentin gehaast adieu. Zo liep er vast iets mis bij de invoer van mijn nummer want sindsdien vernam ik niets meer van de beste man.

Ik sprint de longen uit mijn lijf over de fotogenieke, langwerpige lap land waarop overal schapen langs de weg lopen. Ik haal de veerboot bijlange niet, maar er gaat er gelukkig nog een wat later.

Zo land ik om 21 uur nog op Krk, een eiland dat zijn gebrek aan klinkers zou compenseren met knapheid. Daar ga ík in ieder geval niet veel van merken. Mijn tent staat vanavond tussen het afval achter een tankstation in de veerhaven want morgenvroeg vertrekt hier alweer een nieuwe boot. Er zit gelukkig wel een restaurant en tussen de sloepen is er gelegenheid voor een nachtzwemmetje met de zeekomkommers. Ik kom dus niks tekort.

27 mei | Krk – Pag

Na een slapeloos nachtje vaar ik om achten alweer tussen de eilanden, op koers naar Rab. Zo meteen zit ik daar een dag vast, maar er zijn allicht guurdere gevangenissen dan een Kroatisch eiland rijk aan stranden en ruïnes.

Ik wil naar Sahara, een zeldzaam zandstrand in dit rotsachtige land. Vanaf Lopar is het maar 2,66 km, zegt de gps. Die lopen blijkbaar wel omlaag over een rotsrijk wandelpad. Van vermoeidheid voel ik te weinig kracht om mijn spullen te tillen en zo wordt het nog een uitdaging om de plek te bereiken. Eenmaal bij het baaitje stel ik mijn binnentent op en slaap ik bij.

Op een aantal naakte ouderlingen na heb ik na mijn verrijzenis het strand voor mij alleen. Ik maak lunch, geniet nog even van de rust en zoek een eenvoudigere uitweg. Om 17 uur wil ik de boot op naar het eiland Pag.

Voor de tocht van 15 km vanaf het strand naar de vertrekkaai in Rab-de-stad reken ik twee uur. Eerst moet ik de tassen en de fiets via een kortere maar steilere weg naar boven hijsen. Het is een loodzware klus. Ik verlies een liter zweet, scheur zeventien spieren en schreeuw mijn stem aan gort. Waarom moest ik per sé naar dit strand? Er waren zo veel stranden. Wanneer ik eindelijk op een fietsbare weg sta, heb ik nog een uur om de boot te halen en de app beweert dat het ook nog precies zo lang rijden is. Dat klopt nooit.

Ik trap mezelf helemaal naar de verdoemenis en haal het onderste uit de kan om die rotboot te halen. Als ik toekom op de kaai, met nog 5 minuten overschot, krijg ik het deksel op de neus. Fietsen niet toegelaten. Frustratie. Alle andere boten van Jadrolinija (a.k.a. drolninja) nemen wél fietsers mee.

Nieuw plan dan maar. Een tiental kilometer verderop gaat er nog een boot naar het vasteland. Dan moet ik 20 km over de kustweg rijden tot de pont naar Pag. De hoogtemeters zijn met te veel en ik mis haar. De volgende gaat pas over twee uur, maar goddank serveren ze toast kaas bij de wachtkiosk.

Zo begin ik in het donker nog aan een rit van een uur over lege wegen, op zoek naar een slaapplaats bij het eerste dorp. Ik tref meteen een topplek en merk al tijdens de nachtelijke zwempartij dat het hier idyllisch moet zijn. Ik kan niet wachten om hier wakker te worden. En om in Zadar te zijn.

28 mei | Pag – Zadar

Vreemde vogelroepen lokken mij uit mijn tent vanochtend. De zee ligt al in de zon, mijn tent in de schaduw van dennenbomen. Een merelmannetje hupt nieuwsgierig rond mijn kampement. Als ik niet zo graag in Zadar wilde wezen, zou ik hier blijven. Van mijn laatste drinkwater heb ik koffie gezet – niet slim! Om 11 uur zwaait de zon de zweetknop al om.

Het Pagse landschap is kaal, de vegetatie laag. Stapelmuren scheiden grote percelen van elkaar, er staan weinig gebouwen en hoewel reclameborden gerookte kazen aanbevelen, graast nergens in zicht melkvee.

Er ligt een grindpad langs het water, aan de overkant het vasteland met haar grijsgroene bergen. In indrukwekkende kraters groeit weelderig brem, maar het zijn helaas ook stortplaatsen voor witgoed en andere menselijke rotzooi. Op het asfalt trekken schildpadjes hun kopje in als ik voorbijfiets. Bij een bakkerskraam bestel ik burek, wat mogelijk nog vaak zal voorvallen in de balkan.

Daarna volgt een ambetante autobaan, maar wel met weidse vergezichten over kobaltblauwe Kroatische wateren. Nadat ik rechts afsla, boezemt het verkeer steeds meer angst in. Auto’s rijden te dicht bij.

Her en der langs de weg zijn bloemen verzameld. Niet het vrolijke soort. Ze staan in vazen, naast kaarsen. Ik zet koortsachtig vaart voort.

Snel op een lelijk parkinkje. Een schamel boeket bloemen. Zie hier mijn lege handen. Roze, paarse, groene.

Zadar, er zwaait een droomvrouw. Haar lach omzoomt mijn hoofd stuk.

Ze krijgt van mij de bloemen want

ik ben hier in een droom beland.

Muvi