8. Dalmatia

31 mei – 8 juni | dag 25-33

Zdravo!

Het zuidelijkste deel van Kroatië heet Dalmatië. Ik heb er in totaal vier gezien. Dalmatiërs bedoel ik dan. Verder staat de regio bekend om haar historische steden, talrijke eilanden en om toiletdeuren die niet op slot kunnen. Een verslag!

31 mei | Zadar – Šibenik

Na twee heerlijke dagen Zadar en een bezoek aan het nationale park Kornati rijd ik tussen de vakantiedagen in naar Šibenik, een kleinere trekpleister 85 km verder langs de kust. In een haventje net buiten Zadar ruikt het bij mijn ontbijt naar rotte vis en buitenboordmotoren maar de smaak van ajvar maakt veel goed. Naar verwachting is de Kroatische kustweg druk en onaangenaam voor de fietser.

Bij Biograd kan ik de baan af op verkenning van smalle steegjes. Verderop vind ik de Eurovelo 8, de ‘mediterrane’. Op haar laatste dag schijnt de meizon feller dan ooit tevoren, ze lijkt wel pal boven het grindpad te staan. Alienachtige sprinkhanen zweven zonder vleugelslag voorbij.

Ik volg een ruig pad met in de verte het Vranskomeer. Smaragdhagedissen ter grootte van een onderarm kwispelen van schrik weg tussen de stapelmuren die het pad flankeren. De Eurovelo-route is slecht aangegeven en de gps stuurt mij vooral langs de vreselijke baan.

In het vissersdorpje Vodice komen herinneringen boven aan de zomer van drie jaar terug. Enkele van mijn beste vrienden en ik kregen hier toen de schoorvoetende Kroaten aan het dansen tijdens het jaarlijkse zomerfeest. Ik geloof nog steeds graag dat die dansvloer zonder den Tommy nooit in de fik was gevlogen.

Na Vodice volg ik een pad met aan weerszijden nog hogere, dikkere wallen van stenen. Hoog boven het water steekt de Šibenikbrug de baai over, met de witte stad schitterend in zicht.

1-3 juni | Šibenik
4 juni | Šibenik – Trogir

Ik trap het af richting Trogir, alweer een trekpleister langs de kust. Nu ja, de hele Dalmatische kust is een langgerekte trekpleister.

Boven camp Tomas, een fijne camping waar ik drie jaar geleden nog stond, staan de kale, zwartgeblakerde restanten van een bosbrand rechtop. Ik wijk af van de kustweg en zoek de hoogte op terwijl een gladde aflandige wind mij ruggelangs naar boven aait. Om de bocht strijkt de wind tegen de haren in en ik vervloek mij dat ik de vorige zin al gedicteerd had.

Bergop ontmoet ik een puffende Japanner op een ouderwetse fiets met bijpassende, logge retrotassen. Zijn Franse dochter rijdt een eind voorop en vervolgens, voor de sport, weer de heuvel af. Zo zullen ze samen de Adriatische Zee rondfietsen.

Van het beste uitzichtpunt van de rit hebben mensen een vuilnisbelt gemaakt.

In Gornji Modrić, een natuurstenen gehucht, staat de fotogeniekste Golf 1 ter wereld, wellicht nog tot hij weggeroest zal zijn. In alle dorpen schreeuwen leuzen en schilderingen van de muren dat de die van Hajduk Split de tofste voetballers zijn. Het is allang voorbij lunchtijd maar ik moet en zal pas pauzeren in Marina.

21 jaar geleden beleefden we in deze omgeving met de familie een memorabele vakantie. Het is hier dat ik in levenden lijve het bestaan van zee-egels ontdekte, dat ik pizza leerde lusten en, bij gebrek aan mijn favoriete Fanta, dagelijks een flesje Pipi dronk (een limonade, naar Langkous).

Voor mijn twee broers en drie achterkozijns was de waterpret oneindig, in de zee en in het kleine zwembad vooraan Vila Annie. De kaaien komen me bekend voor. Er zit een beeld in mijn geheugen gebeiteld van hoe een bloederige knoert van een tonijn op de witte kaaitegels wordt uitgebeend en ter plekke per moot, in plastic zakjes, handje contantje verhandeld.

Ik speur vergeefs de kade af op zoek naar een voorhof met een onooglijk zwemdokje. In de tourist-infocontainer verwijzen ze me door naar Poljica, één dorp verderop. Daar zou vandaag nog een Vila Annie zitten, niet terug te vinden op Maps.

Ik had verwacht dat de tranen mij in de ogen zouden springen bij de ervaring van zo veel nostalgie. In werkelijkheid heb ik de grootste moeite om me de plek te herinneren. Ja goed, ik was acht. Ik ben wel content dat ik de villa van toen heb teruggevonden. Dat kan weer van de lijst af.  

Ik stijg terug het binnenland in. In een dorp zonder café zitten de inwoners verzameld in de smalle schaduw van een gebouw te discussiëren naast hun eigen lading alcohol. Niet veel later rol ik langs het erfgoedstadje Trogir, mét UNESCO-etiket, tot aan een bekende, gerieflijke camping, waar ik nog twee nachten gelukkig niet alleen hoef te slapen.

6 juni | Trogir – Vela Luka (Korčula)

Van Trogir naar Split rij ik over de smalle kuststrook geprangd tussen de Adriatische Zee en de uiterste heuvels van de Dinarische Alpen.

Vlak voor Split beland ik bij toeval in het amfitheater en de ruïnes van Salona. De stad kende haar bloei ten tijde van Christus en was een Romeins knooppunt tussen meer zuidelijke steden, de kust en het hinterland. Kikkers hebben er van een sarcofaag uit de vierde eeuw hun thuis gemaakt.

In de historische havenstad Split is het hoogseizoen net op gang. Met wat zin voor overdrijving kan je het een toeristisch oord van verderf noemen, al was het maar om de penetrante rioollucht die er over de met restaurants bezaaide kaaien walmt. De komende maanden zullen vrachtvliegtuigen hier elk weekend ladingen Britse, Hollandse en andere West-Europese jongelui lozen, klaar als de hel voor een week zon-zuipen-ziekenhuis. Ik geef ze niet helemaal ongelijk. Maar het maakt dat ik liefst snel wegkom uit de – overigens wel knappe – binnenstad.

In de chaotische haventerminal splitsen twee grote reisroutes. Mijn lief vaart naar Vis, ik moet nog 2 uur wachten op een andere boot. Als een malloot molenwiek ik vanop de kaaien naar de car ferry ver op zee.

Een grote, dikke Jadrolinija-vaarder brengt me een heel stuk zuidelijker tot het eiland Korčula. Zo vermijd ik nog twee dagen rijden op en af de Jadranska Magistrala, ofwel de D8, ofwel de ‘Dalmatische achtbaan van angst’. Nee, ik overdrijf, in andere landen wordt het ongetwijfeld nog stukken gekker qua verkeer. De eilanden hebben gewoon van nature een grote aantrekkingskracht.

7 juni | Vela Luka – Trstenik (Pelješac)

Ik vertrek vanaf het noordelijkste punt van Korčula op een fiets van blinkend staal. Dit eiland van olijfgaarden biedt een rustigere maar heuvelachtigere route dan het vasteland.

Een eilander op een trekker laat zich niet zomaar begroeten. Ik passeer kleine wijngaarden en hoe verder ik kom, hoe groener het landschap van dennenbomen. Bij Čara ligt tussen de heuvels een fabelachtig druivenplateu. Verderop trippelt een lichtbruine mangoest vlug de weg over.

Ik negeer twee verkeersborden – tja, ik kon maar proberen – en rij me vast in wegenwerken. Ik moet rond via Pupnat, steil naar beneden en, uiteraard, nadien weer naar boven. Zo pik ik in het baaitje wel een strand van witte keien mee voor de lunch. Een verfrissende duik zit er helaas niet in want ik ga niet nog 50 mijl malen met een zoutkorst aan mijn kont.

Bergop klotst het zweet uit mijn oksels. Ik kantel mijn hoofd om de transpiratiekanalen langs mijn slapen te leiden en mijn kijkgaten zoutvrij te houden. In een onverharde afdaling wil ik een adder ontwijken maar ik rij de onkwis nog net over het puntje van haar staart. Ik hoop dat het beest ongedeerd is, en vooral dat het geen slangenvloek over mij sisselt.

Na een bezoek aan het kleinere, maar daarom niet minder bezochte, historische burchtstadje van Korčula, neem ik een boot naar het schiereiland Pelješac. Ik klim verder omhoog naast een schitterend uitzicht met in de verte drijvende eilandjes als leliebladeren. De kerk is een kikker. Het is tijd om te stoppen, maar ik ben er nog niet.

Nadat ik bij het klein Studenac’ke stop voor commicekes moet ik door een koude tunnel door de kalkrotsen. Aan het einde is er licht, veel licht. Ik rij opnieuw op een kustbaantje met een onwaarschijnlijk uitzicht.

Na 82 van de 110 geplande kilometers strand ik op een superplek met zeebad en aanrecht om linzenpenne op te maken. Plots komt er een snorkelaar aangebromd in een gemotoriseerde kajak, maar even later heb ik het strand weer helemaal voor mij alleen.

8 juni | Trstenik – Soline

Hoewel de zon mij al voor 7 uur uit mijn tent kookt, zit ik pas om tienen op de fiets. De wet van de remmende voorsprong.

Mijn water raakt op en op deze pinksterzondag lijkt er nergens langs het asfalt vocht te vinden. Op de baan ligt een zopas verpletterde slang naast een monument voor een kerel die hier in 2008 precies op mijn leeftijd het leven liet. De dood, een engel en de duivel verzameld in dezelfde bocht.

Onder een standbeeld van de apostel Johannes vind ik dan toch een kraantje. Ik passeer slot Ston en rij verderop over de landengte waarmee Pelješac aan het vasteland bungelt. Voorbij de istmus – het nieuwste lemma in mijn woordenboek – is het een droevig weerzien met de Jadranska. Ik zou genieten van het magistrale uitzicht als ik niet zo krampachtig mijn stuur vast moest houden en gedurig de weg en mijn achteruitkijkspiegeltje in de smiezen.

Voor de nodige dosis koolhydraten kan ik op deze algemene sluitingsdag gelukkig nog terecht in een benzinestation. Lang leve verbrandingsmotoren! Ik moet de verkoper ervan overtuigen dat de pizza-margheritawrap in zijn toog wel degelijk een vegetarische snack is.

Op het heetst van de dag begin ik aan een klim van 8 km. Voor elke honderd meter die ik niet over de D8 rijd, moet ik een hoogtemeter belasting betalen, al word ik ook royaal beloond met een uitzicht om ‘uwe majesteit’ tegen te zeggen.

Ik hoop van een zwarte streep in de verte dat het een tak is. Het is toch een slang, maar ze is dood. Na meer dan een uur stampen ben ik king of the hill. Vanaf het hoogste punt lijken de zuidelijkste, grote eilanden van Dalmatië maar half verzakte zandkastelen die elk moment kunnen worden verzwolgen door de vloed.

Over een half verdwenen asfaltbaantje waarop verraderlijke kiezelstenen zijn gezaaid, steven ik af op King’s Landing, voorheen beter bekend als Dubrovnik. De dodeslangenteller is intussen doorgeslagen. In een minimarktje is alle drinkwater uitverkocht.

Dubrovnik is majestueus, daar ga ik niet over liegen. Je zou er spontaan in elkaar kunnen zakken van stendhalsyndroom, al moet je die ervaring delen met een hoop Amerikanen. In de oude stad zitten geen ketens en hoewel ze dagelijks worden platgelopen, liggen de straten er proper bij. Noem mij gerust een massatoerist uit de ordinairste onderlaag, maar ik ben hier gewoon voor die trappen waarop Cersei Lannister haar fameuze walk of shame moest ondergaan. En ik verwacht vooral niet veel meer te kunnen bezoeken met die fiets aan de hand.

Na een blitzbezoek aan toch nog wat meer dan die gepopulariseerde trappen, trap ik nog 12 km verder tot Soline. Ik wilde wild gaan staan maar de verticale kustlijn is hier haast zo volgebouwd als de Vlaamse. Na een hete tocht van 104 km vlij ik me neer op de gezellige Camping Kate en ga tafelen in de Flamingo.

Morgen kruip ik uit het uiterste zuidelijke puntje van Dalmatië. Op naar meer onontdekte oorden!

Muvi

3 reacties op “8. Dalmatia”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Mooi man! Montenegro next ?

    Like

    1. Ruben Avatar
      Ruben

      Klopt! Hoofdstuk 9 is net uit.

      Like

  2.  Avatar
    Anoniem

    wat een mooi verslag wederom. Je inspanningen werden beloond

    Geliked door 1 persoon