9. Zwartenberg en het Land van de Adelaar

9-12 juni | dag 34-37

Përshëndeeetje!

Dit hoofdstuk beschrijft een intense fietstocht van 4 dagen door Montenegro en Albanië. Het verlegen Montenegro geeft zijn geheimen op zo’n korte tijd nog niet prijs, ooit zal ik moeten terugkeren. Waar Albanië niet mooi is, is het heel lelijk. Maar vaak schuilt in die afzichtelijkheid dichterlijkheid. En waar de weg het toeliet, kon ik mijn blik steeds richten op de braakliggende groene bergen.

De MUVI staat hier al eens want dit keer rijgt die de dagen aaneen met een rode draad.

9 juni | Soline – Budva (Montenegro)

Alle haringen van mijn tent zijn losgerukt. Ik wil mijn flapperonderkomen fatsoeneren maar als ik buitenkom blaast de wind het brutaal omver. Mijn tent verandert in een opgedraaide worst van ripstop waarin zich, ergens tussen de plooien, mijn halve hebben en houden verstopt. Tussen de windstoten in zit ik als een idioot op handen en knieën mijn boeltje te redden. Mijn matras plakt tegen het hek.

De D8 brengt weinig verbetering in mijn humeur. Ik fiets geklemd tussen enerzijds auto’s, bussen, vrachtwagens, anderzijds stoepen, muurtjes, vangrails. Ik mag al van geluk spreken dat de rukwinden mij tegen die andere zijde blazen. Op een alternatieve route doorheen de kustheuvels liggen nauwelijks dorpen. De vijgenboom woekert er als onkruid en overal rondom stutten puntige cipressen als zuilen de hemel.

Op de middag bereik ik de grens met Crna Gora, of als je Venetiaans spreekt, Montenegro. De schonkige grenswachter giet mij een beker Coca Cola vol. Ik heb het sleeuwe, zwarte vocht al in geen kwarteeuw vrijwillig gedronken maar 35 graden maken dat ik het in één teug binnenkiep.

Om de Baai van Kotor ligt een aaneengesloten gordel van horeca, winkels, strandbars en algemene lelijkheid. Het kleinere kustbaantje waarop ik gisteren zeven spelden heb geprikt, biedt veel beterschap en uitzicht op de bergen die naast de kust al reusachtig zijn. Bij het pontje over de zeeëngte te midden de klaverbladvormige baai wuift de lokettiste van ‘no pay’. Twee Nederlandse fietsers horen mij uit over mijn reis, zeuren mee dat de baai een ‘langgerekte winkelstraat’ is en slaan linksaf de bergen in.

Zelf ga ik rechtsaf, slechts de heuvels in. De woonplaatsen tellen er maar enkele huizen en zijn opgetrokken uit beton en blootliggende snelbouwstenen. Het ene dorp heeft zijn grensbord in latijns schrift, het volgende in het cyrillisch. Beide systemen komen precies even vaak voor, letterlijk.

Na evenveel kilometers als er dalmatiërs in die ene film zaten, bereik ik Budva. Ik chicaneer als toetje nog een loodrechte bergop naar boven, maar omdat mijn gps zegt dat ik verkeerd zit, piep ik maar weer naar beneden. Dan blijkt dat ik toch goed zat en zucht ik mezelf opnieuw naar boven tot de ‘High Camping’, meer party hostel dan camping. Hoewel ik het aankomstgesprekje in zweetdoordrongen lycra doorloop, valt de eigenaar achterover als hij mijn fiets ziet.

Ze willen mij op het dak kwijt, daar is de ‘camping’. Mijn piketten moeten echter de grond in en zo verdien ik het enige, overigens perfecte, pelouseke van 5m2 .

Out in the garden / There’s half of a heaven

Ik daal te voet af naar Budva en mijn knieën vragen waar ik in hemelsnaam nu nog aan begin. Het stadje is een fraaie, authentieke, ommuurde souvenirwinkel in witte steen. Op het terras bij de Chinees voel ik me al een beetje in het verre oosten.

10 juni | Budva – Ckla

Richting het nieuwe centrum tjokt een stinkfile achter een vuilniskar aan, maar wandelfietsend op en af stoepen en trapjes kan ik de karavaan van uitlaatgassen voorbij. Vergis u niet, dit is geen LEZ. In Nieuw-Budva is het architecturaal armoe troef en er staat meer ruw-bouw dan ge-bouw.

Er zit vandaag niets anders op dan de grote baan. Af en toe biedt die een knap uitzicht, maar er zijn weinig kansen om het vast te leggen. Van verveling schrijf ik in mijn hoofd aan zinnen voor de toekomst. Bergaf merk ik bij het invoegen op het laatste nippertje een hoogteverschil op naast de witte lijn. Ik moet vol in de remmen, besef dat ik dramatisch ten val had kunnen komen en hervestig mijn aandacht op het wegdek. Een tegenliggende chauffeur rijdt in de bocht spook om een flesje in een propvolle afvalcontainer te mikken, en mist.

Bij de pekara worstel ik mij door een kwart taart van kaas, spinazie en vetdoorzopen filodeeg. De limonade smaakt naar een gesmolten Dreft-Calippo. De aardige jobstudente tikt met duimlange nagels vlot het wifi-wachtwoord van het café ernaast in mijn telefoon.

Ik wilde Bar wel uitvoeriger bezoeken maar bij het zicht van enkele absurde bouwsels frons ik mijn wenkbrauwen zo krom dat ik beslis meteen links af te slaan voor de beklimming van de citadel. Een bezoek is betalend en ik heb niet genoeg tijd dus ik maak rechtsomkeert en trakteer mezelf op ijs en limonade. Bar en haar burcht komen op de lijst ‘Te herbezoeken’.

Pas als de stad een heel eind in de verte ligt, daagt het dat ik de Middellandse Zee een tijdje niet meer terug zal zien. Ik zoef zacht bergaf door een binnenland van olijfbomen, autowrakken, minaretten, puinhopen bij wegenwerken en bijzondere begraafplaatsen met zerken als zwaardenheften. Gelukkig heb ik de laatste winkel van de rit gestreetviewd of ik was er rats voorbij gereden.

Om 17 uur bestijg ik nog de uitlopers van de Dinarische Alpen. Door een zwervende verpakking van Jaffa Cakes begint Kate Bush in mijn hoofd te zingen. Suddenly my feet are feet of mud / It all goes slo-mo. Niks is minder waar. Mijn benen voelen vandaag sterk als de rotsen die voor mij uitsteken. Ik zal doorgaan tot mijn voeten in het meer van Shkodra staan.

Voor een land dat Zwartenberg heet zijn de heuvels opvallend licht van kleur. Het onmetelijke uitzicht ziet er fantastisch uit, maar er hangt een grijzige waas over en op camera pakt het niet. Daarnet reed ik nog langs de zee, nu op net geen 500 meter hoogte de laatste haarspeldbocht om en daar ligt dan plots hemelsbreed dat meer. In het vale licht lijkt de heuvelachtige flank aan mijn kant wel een tropenwoud te herbergen. I don’t know why I’m crying.

In de afdaling door een zee van groen moet ik nog opletten dat ik niet over een schildpad stuiter. Beneden kriebelt alles van het stukgereden spinnenrag.

Het restaurant blijkt ook een primitief campinkje. Ik beken meteen aan de uitbaatster dat ik nog maar €12,90 op zak heb. ‘No problem. You pay food, you stay for free.’ Ik hou wel van zo’n Montenegrijnse oplossing.

Terwijl ik de tent opzet en in de laatste zonnestralen ga zwemmen tussen de algen, bakt ze mijn pizza vegetariana. Ik ben de enige gast.

11 juni | Ckla – Ulëz (Albanië)

Twee van mijn croissants zijn weg, de andere vertonen sporen van vraat. Ik heb bezoek gehad vannacht.

Op de paardenvijgen na rijd ik over een smetloze weg die op de grens met Albanië plots ophoudt in een puinhoop. Een graafmachinist wijst een olifantenpad aan en helpt op het laatst mijn fiets over de rotsen te tillen. De werklui zien geen graten in mijn illegale oversteek, ze steken lachend hun duim op.

Rond Shkodër heerst er verkeerschaos en dat niet bepaald in een romantisch filmdecor. Via een godvergeten wegel steek ik door naar een vlakke weg, gelegen tussen maïsvelden en sporen van bermbranden. Mijn schoenen kleven vast aan mijn trappers. Am I suspended in Gaffa? Nope, I’m suspended in a mengsel van paardendrek, moerbeien en kauwgom. Het zijn net klikpedalen.

Ik volg een onverharde weg tussen kilometers aan vrijstaande woningen, een echt dorp is het niet. Bij wegenwerken ligt een baanbrede geul van meer dan een halve meter. Een arbeider heft spontaan aan mijn bagagedrager en proest van het onverwachte gewicht.

In Albanië zijn zelfs de korte woorden lang. Hallo is përshëndetje, maar ciao werkt gelukkig evengoed. Overal wordt het mij toegeroepen nog voor ik er zelf de zuurstof voor vind. Een meisje van een jaar of zes schreeuwt vanuit de tuin ‘Hello, where are you from?’. Van onder parasols roepen Albanezen ‘Enjoy your stay in Albania!’. Wat een ontvangst!

Voorbij Lezhë komen twee schelmen mij wat testen vanop zo’n opgevoerde elektrottinette. ‘Hey bro, where you go?’ Ik zou ze uitdagen voor een race tot de volgende heuveltop als wat ze deden niet levensgevaarlijk was. In dit land rijden maar twee soorten wagens rond: trage stoofvleeskarren en rappe patserbakken. Een tussenweg bestaat niet.

Ik kruis een vlechtende rivier in een uitgestrekte bedding en kom in een vallei terecht. Over de brede Mat bungelen hangbruggen waarvan ik me afvraag of Indiana Jones eroverheen zou durven. Bij een bron langs de weg staan chauffeurs in de rij met grote bidons. Heb ik bij de vorige net slecht water gedronken? ‘Nee, maar dit water is het beste.’ Ik aarzel niet en vul mijn eigen bidons.

De schilderachtige vallei komt recht uit de boekjes. Om 18 uur valt het licht fantastisch in op de groene flanken.

Bij Ulëz wijk ik iets vroeger dan gepland af voor een boerderijcamping gerund door een familie. Eigenlijk sta ik gewoon bij ze in de tuin, tussen de kippen, geiten, varkens en honden. De vrouw des huizes spreekt gebrekkig Engels, maar ontvangt me hartelijk en met grote interesse.   

Als ik vraag waar ik me kan opfrissen, krabben ze zich in het haar. Misschien ben ik hun eerste gast met een tent. Voor een verwende Belg is het wat bizar, maar in deze regio zijn er geen douchecabines. Er zijn wel douchekoppen, maar die hangen gewoon in een wc-hok of, in dit geval, aan de badkamermuur. Ik wil de hele ruimte niet drijfnat maken en tik een boodschap in Translate dat ik me buiten zal wassen. ‘Geen sprake van’, gebaart de bonkige vader, ‘psssht, onder de douche jij’.

Diezelfde man, die mij eerst amper aankeek, komt nu mijn bagage van dichtbij keuren. Terwijl ik de rotzooi van een geplette tomaat van alle spullen uit een fietstas poets, kijkt hij maar wat toe. We wisselen van gedachten door middel van geluiden, gebaren en een paar woorden Engels, Italiaans en Albanees. Ik delf in mijn geheugen naar een twee jaar oude laag uit de Albanese Alpen, maar graaf er geen woordenschat op.

De enigmatische man verdwijnt, komt soms terug met een nieuwe vraag of twee komkommers die ik meteen moet opeten. Dat hij Paulina heet, maakt de ervaring er niet minder vreemd op. Dan is het zijn beurt om een boodschap via de smartphone te vertalen. De Engelse tekst leest ‘I have 2 dogs, if they bark, do you believe them?’

12 juni | Ulëz – Debar (Noord-Macedonië)

Geblaf en gekakel hebben mijn nachtrust herleid tot een dutje. De vrouw spreekt weer een raadselachtig Engels van korte vanbuitengestudeerde zinnen die ze op verkeerde momenten inzet met een tot hiertoe onontdekte intonatie.

Met een maag bomvol Albanese Kaiserschmarrn, eieren, zoute kaas en lauwe geitenmelk vervolg ik mijn weg langs het Ulzësmeer en de rivier Mat. Over een lappendeken van hersteld asfalt rijd ik door een schilderij van een vallei in tinten van groen, donkerbruin en het stroblond van hooimijten. In één keer ligt daar het Korabgebergte in zicht. Tussen de klims in snijdt de baan door een groen platteland van kleine akkers, garages waar 20 te repareren wrakken staan en roest, veel roest.

Chauffeurs claxonneren vaak ter aanmoediging, maar als ze dat pas op het laatste moment doen, stuur ik mijn fiets van schrik bijna de kant in. Als ik stop voor een foto, wenst een fietsende pediater op rust mij in het Italiaans een goede reis en leert hij mij diezelfde woorden in het Shqip. In Klos pakken winkels uit met het kwaliteitslabel Gjerman. Ik verklaar ‘No, no Gjerman, Belgjik’!

Voor de bocht waarin de man met de hamer mij waarschijnlijk geveld had, zet ik mijn stoel op in de schaduw van de bomen en eet droog witbrood, zoute pinda’s en komkommer uit de moestuin van die lieve, rare familie. Het beste is om alles samen in je mond te stoppen en het door elkaar te kauwen. Lekker gerechje.

De weg is van het beste dat ik al gefietst heb in mijn leven. Hij hangt als een langgerekt, vlak balkon langs de bergflanken en verschaft een onbeschrijfelijk uitzicht over het dal en de groene overkant.

In Bulqizë gillen enkele meisjes van nog geen jaar of 8 dat ik moet stoppen. Ze roepen zinnen die ze uit video’s moeten hebben geleerd. Het is het sterkste Engels dat ik vandaag al heb gehoord. Als ze ‘I love youroepen, heb ik geen gevatte repliek meer. Een winkelier biedt mij voor mijn frisdrankpauze een tafel en een stoel aan. De paar woorden Albanees die ik intussen heb opgediept helpen om hem mijn verhaal te doen.

In het café voor de grens koop ik van mijn laatste Lekken blikjes frisdrank. De zoon van de cafébaas krijgt een dikke fooi voor zijn Engels. Ik zeg Albanië mirupaaafshim – net nu ik de klemtoon weet liggen – en rij binnen in Noord-Macedonië, een land waar ik nog nooit ben geweest.

Debar is gezellig, ik heb meteen gesprekken met twee locals. Aan het meer kan ik voor omgerekend €5 staan op een veldje met wifi, water, elektriciteit, restaurant en topuitzicht.

Can I have it all?

MUVI