En merhaba lezer!
Het omvangrijke Turkije zal ongetwijfeld enkele hoofdstukken beslaan. Dit eerste beschrijft de aankomst in het Europese deel en de hectische rit tot de Bosporus.
In Istanboel nemen we een laatste keer deze reis uitgebreid vakantie in het teken van de liefde. Aan het grote afscheid willen we voorlopig nog even niet te veel denken.
25 juni | Nea Chili – Erikli (Turkije)
In de ochtend word ik levend gegrild op een schaduwloos strand. In het dorp vraagt een winkelier van waar ik kom. ‘Βέλχιο’, zeg ik trots. ‘Βέλγιο’, verbetert hij mijn uitspraak nadrukkelijk, ‘La Bruges, c’est belle’. Of hij Frans spreekt. ‘Oun petit pou’. Ik bijt op mijn tanden.
Het landschap wordt alsmaar bruiner. De wind is droog en heet. De zon brandt star vanuit het zenit. Richting de grens volg ik een versleten parallelweg. Bij een dorp bengelt er een waterslang naast de weg, vermoedelijk om boerenkarren te vullen. Een buitenkans voor een snelle fietswash.



Kilometers voor de grens ligt al het staartje van de file vrachtwagens. Tussen twee paspoortcontroles in steek ik de Maritsa over, begroet door militairen en met zicht op grote, natte rijstakkers. Zo rijd ik op mijn 50e reisdag Oost-Thracië binnen, ofwel Europees Turkije. Een fijne plek is de grensovergang allerminst. Niemand is vriendelijk. Alles is beton. Bij sommige families wordt alle bagage binnenstebuiten gekeerd. Bij anderen moet de camper door een X-ray scanner.
Bij het eerste Turkse stoplicht wil een venter me twee sesamringen verkopen. Ik doe teken van niet en vervolgens verkoopt hij ze me toch. Wat een vakman! Voorlopig nog zonder lire geef ik hem een stuk van €2. Hij rent tussen de auto’s door om mij daarvoor nóg twee simits te geven. ‘Nee zot, dat krijg ik nooit op’, gebaar ik. Hij rent terug heen en weer en schenkt me dan maar een ijskoud flesje water.
Ik verlaat de snelweg en beuk over een breed grindpad, met veel grinta, want ik wil vanavond nog aan de kust slapen. Tussen zonnebloemen- en graanvelden roepen boeren en herders me het Merhaba toe. In volle snelheid kom ik in een windhoos terecht. Mijn fiets en ik blijven maar net overeind.
Overal lopen kuddes schapen. De honden laten me met rust zolang het baasje erbij is. In een boerendorp zingt de moskee en is de weg onzichtbaar onder een laag koeienvlaai. Verderop is de weg een treeloze trap tussen verdiepingen van rijstterrassen. De wind zet steeds harder aan, ik kom bijna niet meer vooruit. Over beboste heuvels en door glooiende hooilanden is het allemaal heel mooi, maar ik wil er zíj́n.
Op de camping staan enkel versleten tenten te huur, maar de mijne mag er ergens tussen, onder bomen waaruit wel honderd kwetterende mussen voortdurend scheetjes lossen. Erikli is een populaire badplaats. De talrijke terrassen zijn allemaal voorzien van neonstrips, lichtkranten en vollen bak voorgrondmuziek. Na mijn pide, uiteindelijk gewoon langwerpige pizza zonder tomaat, krijg ik mijn eerste Turkse thee aangeboden. Iets zegt mij dat dat niet de laatste zal zijn.


26 juni | Erikli – Uçmakdere
Lap, gisteren mijn rode zwembroek vergeten bij de douches aan het strand. De charlatan die ze uitbaat heeft niks gezien. Hij liegt, maar wat kan ik doen? De buurman op de camping inspecteert al wat ik opruim met een mond vol tanden en een permanente sigaret.
Op een grindpad door de bossen waait de wind op kop. Zo geraak ik nergens. Dan loopt het steil naar boven tussen dennenbomen die geen schaduw afgeven, maar wel een zoete harsgeur. Zelf vrees ik ook een hartscheur, mijn tikker doet van dum tek tek. Abrupt moet ik afslaan op een onaffe, gebulldozerde weg, loodrecht naar beneden. Het is gewoon downhilling. Ik moet zelfs een stuk te voet, met vingers stram van het remmen. Het is de meest waardeloze manier om een fietser na lang klimlabeur te belonen.



In Adilhan is, voor ik het goed en wel besef, een volledig brood verdwenen en ook een liter Ice Tea. Daarna kan ik kilometers uitkijken over een uitgestrekt platteland. Achter een zee van zonnebloemen ligt een zee van … ja, de zee. Boven het pad zweeft de grootste drone ooit. De jonge piloten stuiven er meststof mee over een rijstplas heen.
Een chauffeur die goed Engels spreekt, vraagt of ik de weg kwijt ben. ‘Ga niet door dat bos man, dat rotpad is compleet vernield door legerwagens.’ Ik luister en kies het asfalt. Een herder schreeuwt zijn geiten over de baan. Ik hoef zijn taal niet te spreken om te horen dat hij tegen ze vloekt als een ketter. De weg blijft maar omhoog lopen, ik snap er niks van.



Vanaf Sarköy moet ik nog een uur tegen de wind vechten op de kustbaan, dan mag ik stoppen van mezelf. In het water staan bizarre staketsels op smalle, scheve benen en het lijkt alsof de minste toename in deining ze zal wegspoelen. Bruine mussen scheren laag over de grond als om de weg voor me vrij te maken. Na dat uur googel ik de eerstvolgende camping. Nog 9 km, toeme toch.



De camping bestaat niet. Langs de kliffen speur ik verder naar een slaapplek terwijl de zon onder een roze lucht wegzakt. Uiteindelijk strand ik op een eenvoudige camping op amper 2 km van mijn dagdoel. In het donker krijg ik nog aan een tafel naast mijn tent salade en frieten geserveerd. Luxe!

27 juni | Uçmakdere – Sultanköy
De sympathieke, geblokte Vojták schenkt mij een beker koffie in, zoals gisteravond beloofd. Zijn fiets en set-up kunnen niet harder verschillen van die van mij. Toch maaien we allebei zo’n 100 km grind en asfalt per dag. We zouden in principe nog tot in Kazachstan naast elkaar kunnen rijden, al is hij mij daarvoor een te vroege vogel.
In Uçmakdere stuurt een bombastische, holle plataan van 330 jaar oud me op weg. De eerste kilometers lopen loodrecht omhoog over een panoramische kustweg. Vitesse op het laagst, kont op het zadel en onafgebroken omwentelingen maken. Zo kom je het snelste over de top heen. In de haarspeldbochten naar rechts mag ik rechtstaan.


Halfweg de top kan ik bij een parachuteclub de faciliteiten gebruiken – redding! Hoewel ik leef op flessenwater, hebben onbekende microben zich recentelijk in mijn gestel genesteld. Dat is wennen. De gps stuurt me het binnenland in, maar ik volg de ‘gele’ kustweg. Zo doe ik mezelf dezelfde das om als gisteren, zijdezacht qua wegdek maar duurder in altitudetol.
Na 25 km moet ik al halt houden in Kumbağ (koembaa). De pide en het patatbrood smaken goddelijk. Kumbağ, ja, my lord! Van Turkije had ik me ingebeeld dat er meer praktiserende moslims leefden. Bij elk café staan de lege bierkratten opgestapeld. In één moskee is een supermarkt ondergebracht.
Voorbij Tekirdağ rij ik me vast in een cul de sac. Via een sluipweg van glasscherven vind ik de pechstrook waarop ik de komende 15 km mijn leven mag gaan wagen. Langs een file is het opletten, de Turken zijn niet vies van een vluchtstrookmanoeuvre. De verkeerspolitie wil er met de sirene langs, maar door alle scheeflopende camions rijden de flikken trager dan een fietser.


Aan een stoplicht hoor ik plots ‘Hey my friend, how you doing?’. Spraakwaterval Daniel ‘from a Spain’ fietst naar Nieuw-Zeeland, via China of India, hij weet het nog niet. In Oezbekistan gaat hij beslissen. Hij is bang van de beren in Turkije. Dat was ik nog niet, nu dus wel. De vluchtstrookfoefelaars worden bij een kruispunt op de bon geslingerd door de polis. Als Daniel daar na 10 km afslaat, zegt hij met ernst ‘tot morgen in Istanboel misschien’, alsof de Bosporus een steenworpje breed is.
Terwijl ik opnieuw door bruin stof en grind ploeter, blaast de wind keihard van voren. Van hieraf is zichtbaar hoe de kust compleet volgebouwd is. Uit de massa van witte blokjes en oranje daken steken hier en daar een of twee sprietjes van minaretten uit. Een tamme, slome hond schrikt zich de tyfus als ik langsfiets. Aha, de rollen draaien om!



Terwijl ik het onmogelijke probeer te googelen – of de stroompjes bij de troggen langs de weg drinkbaar water spuwen – stopt er een knul op een elektrische scooter. Ik leg hem de zoekopdracht voor. ‘Water? follow me!’ Onderweg check ik even of zijn voertuig echt 25 kan en dan tap ik op zijn advies water bij de moskee.

De louche, tandeloze campingman wil 1000 lira (€22) voor één nacht. Zo veel vroegen ze zelfs in Duitsland niet, en hier is niet eens wc-papier. Als ik veins al op zoek te gaan naar een andere plek, is 750 opeens voldoende voor de gier.
Een groepje mannen roept wat naar me.
‘Sorry, no Turkçe’.
‘Istanbul?’
‘Yes, tomorrow Istanbul’
‘Ankara?’
‘No, Trabzon’
[In het Turks, ongeveer] ‘Aaaah! Hemmekes hiere is van Trabzon. Kijk maar naar zijn dikke Trabzon-neus!’
Dat heb ik verstaan. Het woord neus (burun) ken ik heel toevallig. Op de middelbare school leerde ik tijdens Duits naast mijn kameraad Okan meer Turkse zinnetjes dan Duitse, waarvan er enkele zijn blijven hangen. Een kwart daarvan is te schunnig om ooit op reis te gebruiken. Een ander kwart het refrein van Tarkans Şımarık (Kiss Kiss), het bekendste Turkse nummer ooit. De overige helft is totale onzin.
‘Big nose? No problem, me too kocaman burnum var!’ zeg ik in vlekkeloos Turks, terwijl ik de fagoempel tussen mijn ogen aanwijs. Het heerschap trekt grote ogen en lacht zich dan een breuk.
28 juni | Sultanköy – Istanboel
Bij de oprit van de pechstrook hebben twee wagens net een bijna-aanrijding gehad. De chauffeur van de voorste auto geeft die in de achterste door het raampje een pak slaag. De achterste neemt een stok uit zijn koffer ter zijner verdediging. Als twee Turken vechten … Een Vlaming met een uitstekend gevoel voor humor weet waar ik vandaag naartoe fiets.
Er doemen twee kleurrijke vlekken op in mijn achteruitkijkspiegel. Ze mogen me niet inhalen, dan verlies ik het spel. Byzantium is een trechtertuit die alle fietsdromers opslokt. Het is de enige open poort naar het oosten. Bij het eerste tankstation ontmoet ik de vlekken. Het is Daniel, en hij heeft een Franse vijftiger op sleeptouw. We delen onze ervaringen met honden, beren en malafide campinguitbaters.
Het wordt een race, althans in mijn hoofd. Ik zie Daniels dikke achtersteven in de verte en hoe hij onverschrokken de af- en opritten kruist. Na 10 km in de achtervolging geef ik me gewonnen. Hij houdt vast aan de pechstrook, ik neem zoveel mogelijk de parallelweg en de dorpen langs de snelweg. Veel Turken kijken niet meer op van de zoveelste zwaarbeladen reisfietser.


Op 40 km van het centrum zie ik de stad al liggen in al haar reusachtigheid. In de buitenwijken leeft ze reeds op steroïden. De twee dürüms met çigköfte van dezelfde keten als gisteravond zijn nu opeens dubbel zo groot. Om al die pikante bulgur-walnootpap weg te krijgen heb ik een grote beker ayran nodig, typisch Turkse yoghurtdrank die goed zou hydrateren. Er volgt meteen een scherpe col waarop mijn maag op barsten staat. De daaropvolgende afdaling eindigt in een heksenketel.

Constantinopel is een wereldstad en dat zal je als fietser geweten hebben. Ik moet mee over een zesbaans weg waar rechts bussen af- en aanrijden. Mijn zintuigen moeten op standje vlijmscherp. Het wordt mij een te groot gekkenhuis. Een andere route naar de stadskern wil de app maar niet verzinnen.
Ik probeer het over smalle stoepen. Bij de afritten moet ik met de nek van een uil keihard uit mijn doppen kijken en, als ik een gat zie, als een pijl uit een boog naar de overkant schieten. Op andere stukken is er rechts zo weinig ruimte dat ik mee moet filerijden. Als ik eindelijk van de snelweg af mag, kijk ik op de app. Het voorbije uur heb ik 6 km afgelegd.
De parkjes en stranden langs de kust zitten afgeladen vol. Overal ruikt het naar brandende houtskool en verschroeid lamsvlees. Het blauwe fietspad langs het water zou fantastisch zijn, ware het niet dat de Istanbuli geen mallemoer geven om het circulatieplan op de promenade. Na 10 minuten onophoudelijk rinkelen met mijn fietsbel geef ik het op. Als Belbelg maak je niet veel indruk op de Tütertürken. Ik slalom, als fietste ik thuis over de Meir, maar tussen badgasten, rondrennende kinderen en schreeuwende simitventers.


Dan weer over de snelweg die niet voor mij is. Dan weer over zo’n fietspad dat niet van mij is. Ik ben nu al urenlang een stad aan het binnenfietsen en dan nóg krijg ik een nieuw uitzicht op iets dat in de verte de aanblik heeft van een volledige metropool, wolkenkrabbers incluis. Het houdt maar niet op. Vanaf hier is het nog steeds 10 km tot de stadskern.


Als ik uiteindelijk winkelstraten van kasseitjes vind, komt er een rust over mij. Het voelt machtig om door de kleine stegen van zo’n grote, vreemde stad te rijden, zo ver van huis. Een ober maakt al meteen een ritje op mijn fiets in de straat van het hotel. Voor het eerst deze reis laat ik me fotograferen door een passant, want ik heb wat te vieren.
Ik ben nondedoeme naar Istanboel gefietst!


Mijn geluk kan niet op, en ik ben nog geen 5 minuten ingecheckt of daar komt al de ideale vrouw toe die mij kan vergezellen doorheen dit Turkse stoombad van oneindig veel prikkels.

5 reacties op “12. Merhaba Türkiye!”
Gewoon geweldig om te lezen Wollie, fantastisch geschreven, meeleven tot en met en wegdromen! Jaloers!
LikeGeliked door 1 persoon
Een prestatie om U tegen te zeggen, verbazingwekkend !! En het feit dat we al “50 dagen” mogen meegenieten van jou reisverhaal. Merci en veel succes !
LikeGeliked door 1 persoon
fenomenale prestatie💪🏻😱
LikeGeliked door 1 persoon
Proficiat!
LikeGeliked door 1 persoon
“Turks stoombad van oneindig veel prikkels”, LOL.
LikeGeliked door 1 persoon