Merhaba!
Istanboel, de kattenstad. Waar tientallen torenhoge vlaggenmasten de wit-op-rode maansikkel en ster laten wapperen in de eeuwige zeewind. Waar we buitengewoon lekker aten, soms buitensporig veel betaalden en buiten de overrompelde straten ook fijn konden verdwalen.
Eenmaal voorbij de poort naar de welvaart hakte het besef er pas echt in dat het nog een lange tijd alleen wordt. Na een routewijziging hervond ik mijn draai en het vertrouwen om van deze reis een succes te maken.
Oh ja, voor ik het vergeet, de vreemde titel van dit stuk. Op mijn laatste fietsreis, door Spanje en Portugal, vertelde ik een Duitse bikepacker over mijn fietsdroom. Dat ik al trots zou zijn als ik dan Istanboel zou halen en dat alles daarvoorbij bonus zou zijn. ‘Erst die Pflicht, dann die Kür’ was Ulrichs antwoord daarop. Sinds die dag echoot de uitdrukking in mijn hersenpan.
4 juli | Beykoz – Sahilköy
Rotsentimenteel sleep ik mijn fiets de bosporusferry op naar de buitenwijk Beykoz, om een verkeerschaos vergelijkbaar met die bij de aankomst te vermijden. Het oude continent laat ik achter en ik rol mijn banden aan wal in Klein-Azië.

25 km moet ik tot Göllü, waar enkele campings liggen. Mijn research trekt op niks, het zijn stacaravanparken en ze laten me niet binnen achter hun prachtige hoge hekken met scheermesdraad. 8 km verder vind ik aan de Zwarte Zee een kamp waar de bewoners voor nog een hele tijd lijken neergestreken. De commune leeft in woonwagens, tenten en achter zonneschermen en ik voel me er niet helemaal welkom of op mijn gemak. Na nog veel zoeken neem ik genoegen met een vieze picknickplek, weg van wasgelegenheid maar wel met zicht op een zonsondergang als een raketijsje.

Als ik na 22 uur bijna in mijn slaapzak kruip, rijdt er net een auto aan. Een kale, lange man stapt meteen op me af en zegt ‘Sorry, you have to leave and … ya suck’. Excuseer? Ik heb nog niet de tijd om ‘No, you suck’ te zeggen of hij staat al tegen zijn telefoon te fezelen. Er valt niet met de man te praten. Letterlijk, hij vertelt me alles via Translate. Hij beweert dat het privéterrein is en dat hij de politie zal bellen als ik niet meteen ophoepel.
Alles moet weer in de tassen, de tent weer in haar zak, ik weer in het zadel. Op een boogscheut ligt er wel een rare camping, maar daar zien ze mijn late aankomst net als een reden om méér geld te vragen. Dan zet ik me maar gratis op het dorre veldje ertegenover, waar al een koppel met een terreinwagen staat. Ze bieden me eerst thee aan, lezen de recente gebeurtenis vertaald af van mijn telefoon, en maken er dan een ijskoud, gouden blik Efes-bier van. Mijn ogen moeten glimmen als zilver. ‘Teşekkür ederim‘, zeg ik met mijn hand op mijn hart.
Al wisten we dat alcohol / de pijn laait maar niet blust
5 juli | Sahilköy – Kerpe
In Sahilköy zit een atonaal hip barretje met allemaal Engelse begrippen op de ruiten, maar zelfs die woorden kent het aardige koppel uitbaters niet. De berg wakke diepvriesfrieten in het midden van een Turkse ontbijtschotel zal ik nooit tolereren, maar de honing en roomkaas zijn onovertroffen. In de index van mijn boekje Turks-Nederlands vind ik onder de Y het woord yasak, ‘verboden’. Oh, dus dát bedoelde die kale pretbederver gisteravond.

Langs de kustbaan lopen koeien het weinige groen te grazen dat er te vreten valt. Een schildpad haast zich over berg en dal, naar de overkant van de diep door autobanden ingesleten asfaltweg. Er volgt weer een stuk over een snelwegachtige baan. Als ik die moet oversteken, sta ik minutenlang te tellen hoe groot het gat in de onophoudelijke stroom auto’s moet zijn als ik de reis levend verder wil zetten.

Voorbij Şile loopt er volgens Komoot een grote baan langs de kust. Volgens mijn ogen loopt hier just niks. De strakke weg moet straks nog gelegd worden. De bestaande baan kronkelt langs de zee, op en neer van dorp naar dorp, boven, onder, links en rechts. Tijdens een banaanbreak informeert een zeldzame coureur naar mijn reisplannen. Hij sluit heel attent af met ‘I hope you never have any problem’. We zullen zien, lieve man.
Langs de kronkelweg liggen schattige kraampjes waar onder andere geroosterde maïs en thee te krijgen zijn. Wellicht stelt de nieuwe snelweg hun voortbestaan op het spel. Voor ik aan een muur van een klim begin, hou ik halt voor wat snelle suikers. Een fout, want na een stop slaat bij de eerste bergop vaak de verzuring toe. De pijn snerpt door mijn quadriceps, de pH zakt onder nul. Bij het eerste vergezicht van de dag galmt de stem van een getalenteerde muezzin over de heuvels. Vanaf drie minaretten rondom bereikt dezelfde gebedsoproep mijn oren in canon.

Het vlot voor geen meter. Na zevenen moet ik nog 10 km op en af de kustheuvels. Langs de Zwarte Zee liggen allerlei ‘campings’. Sommige zijn droge vlaktes zonder een spatje schaduw of stromend water, en tóch staan ze tjokvol tenten en caravans. Andere zijn beter voorzien, maar kosten algauw een godsvermogen in fietsreizigerstermen. Vanavond tast ik in de buidel want ik heb nood aan wat comfort. Op de betere camping moet mijn tent op een houten plateau, geen discussie daarover. De gastvrije buren stoppen me meteen een aperitief toe van scherp gekruide, gevulde wijnbladeren (sarma) en thee.

6 juli | Kerpe – Harmankaya
Na wat sleutelwerk stap ik pas laat op voor een overwegend vlakke rit. Overal waar plaats is langs de openbare weg kamperen hele families in grote tenten. Een gezonde portie lommer is voor de Turken geen criterium. De eerste 20 km glijdt de egale weg vlot over lage heuvels en door schuchtere dorpjes, door een landschap van droge grassen, valse acacia’s en hier en daar een zomereik.
In Denizköy is de helft van mijn rijvak een rulle zandbak waarin ik bijna ten val kom. Wat verder kruis ik de zeemond van een getijdenrivier waarop kleurrijke vissersboten dobberen. Het ene moment rij ik door een precair tentenkamp van blauwe, industriële plastic, het volgende door een semi-luxueus prefab-Knokke.



In Kocaali verlies ik veel tijd op zoek naar een bankomat. Die blijken dan natuurlijk, zoals overal in Turkije, allemaal naast elkaar te staan, nog geconcentreerder dan in Gent. Mijn 5000 lira wordt weer uitgekeerd in een dik pak van 200’jes, het allergrootste briefje, omgerekend €4,26.

Op een bergop tussen de hazelaars zit een waakhond mij fanatiek op de hielen. Als hij vlakbij is, gebruik ik mijn hondenfluit, waarop hij terugdeinst en zijn kop dichthoudt. Hm, het is de eerste keer dat dat lijkt te werken.
Op het laatst volgt toch nog een zweterige klimpartij van 6 km tussen zachtgroene hazelnootplantages die richting goud kleuren in de laagstaande zon. Het lijkt nu al de juiste keuze om de drukke Zwarte Zeekust achter te laten en het binnenland in te trekken. Steil bergop achtervolgt me alweer een waakmaniac. Ik vind amper lucht om door mijn fluit te persen en schreeuw hem dan maar naar zijn hok. Mijn telefoonscherm is onbedienbaar, mijn kleren te kletsnat om het af te vegen.
Op de top prijkt een kleine, turkooizen moskee in de weg van een foto van het totale uitzicht. Dan kom ik voor een splitsing te staan. Links kan ik 2,5 km steil afdalen naar een potentiële kampeerplek, zonder enige garantie. Rechts is het evenveel afdalen tot een camping aan dezelfde rivier. Als het links niks wordt, moet ik weer omhoog, dus het wordt rechts. Net voor de camping vind ik toch nog een pad dat afwijkt langs de rivier en daarnaast een vredige, schaduwrijke plek tussen de hazelaars. Oef, juist gekozen!



Er verschijnt plots een man in de notengaard, vermoedelijk de eigenaar, maar als ik uitbeeld dat ik morgen weer weg ben, steekt hij goedkeurend zijn duim op. Terwijl ik op een handige, lage herderstafel een smakelijk maal klaarstoom, snuisteren muisjes bij mijn kamp rond. Na twee moeilijke dagen moet ik toegeven dat ik me terug gelukkig begin te voelen.

7 juli | Harmankaya – Gölköy
Een herder schudt me de hand. Hij heeft enkel het lage krukje nodig van onder de tafel die ik heb ingepalmd. Zijn runderen stuiven enthousiast door de hazelaars, op zoek naar voedzaam groen. Ik laat ze lustig rond mijn tent grazen, maar als een jonge stier aan mijn kookpot likt, moet ik ingrijpen. De zwermende steekvliegen zijn een minder aangename bijkomstigheid.

Al een chance heb ik stevig ontbeten, want ik moet meteen dat dal uit, laverend van berm naar berm. Na de vallei gaat het zacht omhoog door bouwvallige dorpen waar inwoners nooit als eerste groeten. Zeker voor de oudere vrouwen ben ik een vreemdeling van lucht.
Net voor Düzce wordt nogmaals duidelijk hoeveel de Turken houden van hun eigen fastfood. Alle snackbars serveren pide, lahmacun en döner kebab. Concurrerende handelaren klitten hier ook weer bijeen in absurd hoge concentraties. Zes apotheken op een rij is geen uitzondering. De goesting is er nu wel, dus steek ik voorbij het centrum een afgebladderde wandelbrug over om tot bij een hoog aangeschreven pide-tent te komen.

Verderop staat langs de Asar een groep van indrukwekkende, eeuwenoude platanen. Nog een stuk snelweg en dan volgt de langverwachte ijzeren klim waarin zowat alle hoogtemeters van de dag zitten geperst. Als ik ervoor nog snel water tank bij een büfe, verplicht de winkelier mij om met zijn Belgische neef te bellen. Daar sta je dan in het Frans uit te leggen dat je zelf ook niet weet waarom je juist met elkaar aan de lijn hangt. Hij vindt het wel knap dat ik van België tot aan het winkeltje van zijn oom ben gefietst.

Net als ik denk dat ik vandaag nog geen dolle hielenbijters heb moeten trotseren, springt vlak naast mij zo’n slapend, ongevaarlijk uitziend straat-type op en verandert dan in een rabiate bloedhond. Schouders gespannen, staart naar de hemel, glanzende tandenrij laag bij de grond. Ik brul het beest zo hard ‘BOL HET AF!’ in zijn muil dat het spontaan afstand neemt en het bij enkele ingetogen blafjes houdt.
Vanaf de stuwdam schat ik de kansen in op een praktische kampeerplek aan de ene of andere kant van het meer. Zwemmen is overal yasak. Op een picknickplek vraag ik een gezin met een caravan of kamperen hier wel mag. ‘Nee, de politie komt straks controleren’. Veel verder wil ik niet gaan, dus ik sla mijn bivak op in het bos verderop, tussen de moseikjes.



Opfrissen is prioriteit na een dag zwoegen, dus ik tover nog een truc uit mijn fietshelm. Voor de tweede keer deze reis kap ik een fles drinkwater in mijn douchezak, net als op dag 1, en dat is justekes voldoende om alle zweet en stof weg te wassen.
En nu maar hopen dat de polis niet tot hier komt.
8 juli | Gölköy – Kizilcahamam
In het eerste büfe krijg ik bij mijn frisdrank en water meteen een çay. Thee is gratis in Turkije, je krijgt het overal aangeboden. Bolu is een gezellige stad maar ik rij meteen door want ik wil vandaag kilometers goedmaken. Over een wijd plateau kondigen bergen in de verte de zware ritten van de volgende dagen aan.


Al fietsend draait mijn denker nog meer toeren dan mijn crank. Het vooruitzicht is totaal oninteressant. Het is nog 5 of 6 dagen aan een stuk trappen voor ik aan de kust een, wellicht ondermaatse, camping kan vinden. Vanaf Samsun zou de Zwarte Zeeroute al helemaal niks meer te bieden hebben. Zo beslis ik, ergens in de schaduw van populieren, het roer om te gooien. De koers is nu zuidoost, richting Ankara. Daar hoop ik over 2 dagen een kamer te huren en tijdig een rustdag te nemen.
Een chauffeur maant me aan te stoppen. Hij informeert naar iets in de verte, waar ik vandaan kom. De taalbarrière hindert het gesprek en dat zit me dwars. Ik wil maar wat graag het Turks onder de knie krijgen maar ik kom ’s avonds amper aan studeren toe door het vele fietsen, het wassen, koken en schrijven.
In Yeniçağa ga ik ultraturks lunchen in de lokanta, een kantine waar het voedsel uit metalen bakken wordt opgeschept. Bij mijn linzensoep krijg ik zomaar een slaatje en een bodemloze bak broodsneden. Werk dat alles nog af met citroen, fris water en een şalgam, een zout, koud sapje van gefermenteerde wortel. Dat klinkt misschien wansmakelijk, maar het heeft verdomd veel weg van een goeie bloody mary. Achteraf volgt de thee van het huis. Ze vragen voor het eetfestijn de totaalsom van 100TL. Ik hou met moeite mijn lach in. Dat is €2,13.

Bergop langs een gelig heuvelland waan ik me in Californië. Het zwarte wegdek klokt en klakt en slikt en smakt van de hete pek die aan mijn banden plakt. Het asfalt loopt schijnbaar op een afgrond toe. Door weilanden en graanakkers word ik voortgestuwd door een wind die licht in mijn voordeel waait. In de dorpen ruikt het naar koeienmest. Na enkele dagen van vervelende, drukke banen krijg ik nu weer uitzicht na uitzicht.
In Çoğullu houdt een werkman mij staande. Ik zoek de woorden die ik bij de lunch in mijn brein trachtte te kneden, maar ze zitten nog niet ingebakken. Uit zijn verbaasde stem en blik vol onbegrip maak ik op: ‘Wat doe jij als Belg in een onnozel boerengat als dit?’.
In een gemaaid veld ligt een geknald everzwijn bestemmingsloos weg te rotten. Mijn water raakt op en in de boerendorpen zitten geen winkels, dus ik neem het water van een fontein boven een geitentrog, kap er chloordruppels in en bid tot de diarreegeesten dat ze me sparen.



Dan volgt weer een onvermijdbaar stuk snelweg. De gps meldt ‘40 km rechtdoor’. Een zwerfhond gedraagt zich vreemd als ik kom aanrijden. Het dier steekt roekeloos de baan over, waarop een aanstormende camionneur zijn misthoorn inzet. Ik hou mijn adem in. Nog geen honderd meter verder verbleekt, in de zon, de vacht van een onfortuinlijke lotgenoot.
Kort voor de geplande afslag ben ik al uren geen winkel meer gepasseerd. Ik heb voedsel en bovenal drinkwater nodig, dus ik moet door tot de volgende stad, al ligt die gelukkig een stuk lager. Op sommige segmenten is het moeilijk om onder de maximumsnelheid van 50 km/u te blijven. Daarna kan ik licht bergaf met gemak 32 aanhouden en zo komt Kizilcahamam al snel dichterbij.

In de stad dragen de naamborden van alle winkels gouden letters. De eerste pidebakker wil me geen vleesvrije versie voorschotelen maar bij de tweede heb ik beet. Tafelgasten van de keet ernaast spreken vloeiend Duits en helpen me met die knotsgekke bestelling van mij. De vrouw is in Duitsland geboren en geeft nu Duitse les in Istanboel. De man wil alles weten over mijn reis. Bij hun vertrek legt hij zijn hand op mijn schouder. ‘Alles is al betaald’.
In het schemerlicht ga ik net buiten de stad op zoek naar een plek langs een rivierbedding. De stroom is helemaal opgedroogd, maar de truc met de douchezak bewijst zijn nut wederom. De zwerfhonden willen eerst niet weten van mijn aanwezigheid, maar de plek onder die honderdjarige eik is te mooi om te laten liggen, dus ik blijf.
Mannekes, wat een topdag!



4 reacties op “13. Erst die Pflicht, dann die Kür”
Van een rotsentiment naar een topdag, Wim zingt het zoals je het schrijft “ook dat ging voorbij”! Weer fantastisch om te lezen makker!
LikeGeliked door 1 persoon
heerlijk leesvoer voor op de camping in Zweden. Nu Kaat en ik zelf op de baan zijn besef ik des te meer hoe intens fietsreizen kunnen zijn. Veel courage rosse knol! Love you
kaat & Robke
LikeGeliked door 1 persoon
inderdaad, elke keer weer uitkijken naar het volgende deel van dit fijn geschreven en meeslepend reisverhaal! Prachtig 👌
LikeGeliked door 1 persoon
wat een leesplezier weeral
LikeGeliked door 1 persoon