16. Güle güle, Türkiye!

21-25 juli | dag 76-80

Merhaba!

In het hoge binnenland heersten mildere temperaturen en lagen aangenamere wateren om in te baden. Na een maand Turkije kwam dan eindelijk de grens in zicht. Enkele van de fijnste fietsdagen vormden een passend afscheid van een onwaarschijnlijk gastvrij land waarin het, al met al, onverwacht zalig fietsen was.

21 juli | Erzincan – Mercan

De oude campingeigenaar, een voormalige Luikenaar, aanhoort bij de opruim al mijn muizenissen en geeft levensadvies met een theetje in de hand.

In Erzincan ga ik alle fietsenmakers af, op zoek naar een dynamokenner, want het voorlicht heb ik nog niet doen branden. Eén na één krabben ze zich in het haar. Eén reparateur duwt een elektrisch draadje op de output en oordeelt dat die stuk is. Dat mag niet waar zijn. In een elektronicawinkel leen ik een multimeter en die meet wel spanning. Het zit dus in de kabels of de lamp. Met vervanglampen op zak haast ik me door de daginkopen en sprint de stad uit, na 13 uur. Nog 85 km te gaan.

De stad mondt uit in een lange, taps toelopende vlakte tussen enerzijds kale grijsbruine en anderzijds groene en rotsachtige bergen. De gps stuurt me erdoorheen en dat is vast een geweldige route, maar in plaats daarvan ga ik over de snellere grote baan, de Eufraat af. Van onderaf zijn de bergen ook de moeite waard. De bruine Mesopotamische grensmarkeerder stroomt breed door het berglandschap, maar veel minder diepgaand dan je van de stokoude stroom uit de geschiedenisboeken verwacht.

Een koppel Bulgaren zijn de eerste fietsers die ik op de baan tegenkom sinds Istanboel. ‘s Zomers leven ze op hun fiets, ‘s winters sparen ze zich krom in Sofia, elk jaar opnieuw. In de schaduw bij een betonrotte brug stopt er een chauffeur. Hij spreekt gewoon Nederlands. Turkije loopt vol met mannen die jarenlang ergens in West-Europa de kost hebben verdiend. 

In de vallei doet zich een verwarrend optisch effect voor. Door de steile hellingen vol steenpuin lijkt het vluchtpunt ver voor mij lager te liggen dan hier, al loopt naar fietsgevoel de baan omhoog, wat wordt bevestigd door mevrouw Eufraat, die op me toe klatert. Het weer is heerlijk, de benen beestig, de wind ter afwisseling een tikkeltje milder, dus zo hard het kan, stamp ik stroomopwaarts. Dat dagdoel kan ik toch nog halen!

Vergeet dat van die wind. De laatste, platte 40 km waait ze tomeloos tegen mijn goesting op. Dan knakt de baan een kwartslag, zodat ik naar gevoel zo scheef bol als een motard in een circuitbocht, maar dan aan een gezapig fietstempo, een eeuwigheid rechtdoor.

Van achteren straalt de zon in een schuine hoek op het feeërieke landschap. Van boven vallen er dikke druppels uit een knorrige wolk. Een overintense petrichor vult mijn neusgaten en nooit zal ik begrijpen wat mensen zo lekker vinden aan dat moment, tussen eerste druppels en plensbui, waarin al het stof en vuil van de aarde ongefilterd je neus in dampt. Voor het eerst in een heel lange tijd stort het water uit de hemel, maar gelukkig staat daar net een oranje voetgangersbrug om onder te schuilen. De trucks doen achteraf verfrissende nevelwolken opspatten van het drijfnatte wegdek.

Achteraan de vlakte, onder de donderwolken, liggen onheilspellende bergen. Bij Mercan zoek ik een plekje aan de rivier, maar het smerige pad loopt uit op een echte vuilnisbelt.

Aan een nevenstreng van de snelstromende Tuzla vind ik bij een knaloranje zonsondergang een gekke kampeerplek, alweer onder een wilg, op het zachte kiezelbad van een nabijgelegen werkplaats. Als ik in het pekdonker een curry’tje zit binnen te lepelen, schijnt er opeens vanaf de weg, zo’n 50 meter verder, een phare op mij. Een scooterrijder roept en molenwiekt en ik vrees al dat ik moet opkrassen. Hij raaskalt maar Turks dus ik stop mijn telefoon onder zijn neus en lees van het scherm: ‘We zijn aan het schieten. We jagen op een zwijn. Je kan hier niet staan. Het is gevaarlijk. Je kan geraakt worden.’

Het is niet waar, hé! ‘Wat moet ik doen dan?’ vraag ik via de vertaler. ‘Blijf hier vanavond, maar vertrek morgenvroeg.’

Pfioew!

22 juli | Mercan – Ilica

De dag begint met de olijke duw-je-zware-fiets-op-een-berg-losse-kiezelschallenge. Na 10 km grootbaan sla ik bij Tercan de heuvels in, zo kom ik nog eens van de pechstrook af. Net buiten de stad tref ik een jonge herder met een kudde … kalkoenen. Just Turkey things.

Het ruige pad van grind en stenen loopt door omgeploegde akkers, gemaaide velden en zonnepanelen. Eén ruwe rots steekt af tegen de verder ronde heuvelvormen. De uitzichten zijn voortreffelijk, maar over mountainbikepaden haal ik straks nooit de finish. Wat verder kom ik opnieuw op iets de naam weg waardig. Daarlangs staan stedenmaquettes van houten kasten, als een skyline van miniatuurhotels en -flatgebouwen, allemaal voor de bijen. Als ik een riviertje doorsteek en mijn evenwicht verlies, verzuip ik bijna mijn sokken.

Waarom de weg híér nu plots geplaveid is als een oude heirbaan, is een raadsel. Dat er schapenkak op ligt, boezemt angst in. Aan een tempo van niemendal hobbel ik de kudde langs, die samenklit in de schaduw van één enkele boom. Heel stilletjes rij ik het tentenkamp van herders voorbij. Verbazend genoeg zijn er geen honden thuis.

Het gerecht dat ik in Albanië uitvond, van witbrood, pinda’s en komkommer, is intussen tot een klassieker uitgegroeid. In dit land, waar choco, confituur, kaas en vlees het enige verkrijgbare beleg zijn, werk ik voor de lunch toch vaak een heel Turks brood weg, en daarmee bedoel ik die platgedrukte, korte baguette van op de foto. Af en toe vind je een exemplaar met een fragiele, krokante korst en zacht kruim, meestal net het omgekeerde. Zo’n rond broodlijf, dat wij in België ‘Turks’ noemen, heb ik van west naar oost nergens aangetroffen.

Een verloren snelbinder verraadt dat fietsdromers me zijn voorgegaan op de pechstrook naar Erzurum. Op de graslanden liggen kleine hooibalen als kinderspeelgoed gestapeld. Op een stuk met zicht klieft de baan recht door de berg, tot het hoogste punt op 2057 m. Na de afslag kan ik maar nergens een vlek schaduw vinden om een verslappende achterband in te plakken. Bergop verschijnt weer Douglas, de Italiaan van de laatste camping. Ik kan uitkijken over een ontzaglijk Strawhedge, een leger van stromannen, opgesteld over een uitgestrekt weiland, op een achtergrond van bergen in tinten grijs en lichtblauw.

Uiteindelijk draai ik in de schaduw van een stromannetje de fiets op zijn kop. Ik bedank Douglas voor zijn assistentie en ga er als een speer vandoor, het grind in tegen de 30, want ik heb wat goed te maken. Als na een half uur de band weer leeg begint te lopen, dringt een plan B zich op. De stad haal ik niet meer. Door graslanden waarin bange vossen wegschieten, trap ik nog door zolang de zon het toelaat.

Mijn zinnen stonden al op een bed onder een dak, dus ik klop in het voorstadje Ilica aan bij het redelijke geprijsde Termal Otel. Uit alles blijkt dat ze er nooit buitenlandse toeristen ontvangen. Niemand kent Engels, inchecken lukt niet met een Belgisch paspoort – computer says no – en ook de wifi werkt niet zonder Turks rijksregisternummer. De vriendelijke securityman redt me van een moordzuchtige lift, slaat een praatje terwijl ik de band plak en later leent hij me ook nog zijn persoonlijke gegevens voor de wifi. Een held in grijs uniform.

In Ilica zijn de eetgelegenheden om 21 uur al dicht, terwijl alle kuaförs wel nog volop herenharen kappen. Bij theehuis Kalender kan ik nog pasta krijgen, maar dat is Turks voor patisserie. Bij mijn baklava maakt de jeugd aan de tafel naast mij traditioneel herrie met langerekte zanglijnen boven onvertrouwde toonladders afkomstig uit de bolle klankkast van een saz. Van minder raakt een mens weer helemaal in zijn eigen sas.

23 juli | Ilica – Horasan

Uit een hotel vertrekken voelt toch anders dan uit de tent. Normaal rij je frissere omstandigheden tegemoet, nu stap ik bewust de airco uit. In Turks hotelontbijt smaakt de ontgoocheling steevast diep door, maar ik verwacht er inmiddels niets meer van.

De hoofdstraat van Erzurum voorziet in een snelle passage bij alle bezienswaardigheden. Een malheureuze bastaard van een straathond, schijnbaar kind van een herder en een dachshund, tracht met zijn korte pootjes vergeefs een dikke kluif te pikken uit een laadbak bomvol knoken. Chauffeurs lijken hier gejaagder dan elders in het land. Eén automobilist snijdt me gefrustreerd de pas af, waarop ik scheld en hij antwoordt met een lange, boze toeter. Een andere chauffeur geeft me door zijn raampje in het Duits gelijk en waarschuwt dat het hier oppassen is.

De snelwegberm wemelt van de grondeekhoorns, maar het is aartsmoeilijk ze scherp op beeld te krijgen, gezien hoe ras ze hun holen in glippen. Bij een kraampje probeer ik een halka tatli, een overzoete Turkse churro. Van de verkoper mag ik er niet voor betalen. Alweer ontmoet ik Douglas, die een kwartier eerder bij het kraam precies dezelfde situatie heeft meegemaakt. Een groot fietsavontuur kan uiteindelijk maar zo uniek zijn.

De route loopt verder over gladde, rustige wegen, door graanvelden, langs hoogspanning en industrie, maar wel met machtige bergen rondom. Na de eerste klim gaat het snoeihard, over een plateau vol velden van onontloken zonnebloemen. Mijn lijf buigt krom voorover, als een tijdrijder, de ellebogen op de handvatten, handen op de stuurtas. In mijn bovenbenen borrelt melkzuur op en het voelt op een manier nog heerlijk ook. Zo ligt het tempo een halfuur lang boven de 30 en dat voelt als een dikke middelvinger naar de tegenwind.

Lunch met çorba (linzensoep) wordt een vaste waarde. Na een maancyclus Turkije vergeet ik nog steeds mijn ayran te schudden voor gebruik. De sympathieke Mehmet geeft nog wat tips voor het stuk Turkije dat rest. Na een enkele klim neem ik het landschap in me op, samen met een knapperige pistachereep van de Koop, voor de kracht én voor de lekker. Er stopt een boer op een trekker. ‘Daar ligt een grote baan hè, kan je goed fietsen’, informeert hij me. Alsof die ook maar één voordeel biedt tegenover deze perfecte, kalme asfaltbaan door de graanvelden … gekkerd.

Jonge chauffeurs halen in dit land wel eens het ‘grapje’ uit om op het laatste moment naar links uit te wijken, alsof ze je gaan aanrijden. Heel hard moet ik er niet om lachen. Tegen de stroom in gaan zit de Jonge Turken vast in het bloed. Uiteindelijk loopt de perfecte baan over in een slopende jeirweg. Vandáár die opmerking van tractorman. Als hij zonet het woord yer had gebruikt, had ik hem misschien begrepen, want het toeval wil dat het woord voor aarde in het Duffels en in het Turks exact hetzelfde klinkt.

De rijpe graanvelden ruisen in de wind. In een boerendorp weerklinkt de meest valse gebedsoproep tot nog toe. Het lijkt wel een talentloos kind op helium, in duet met een aangereden kat. Datzelfde bandje doorstaan die dorpelingen dus vijf keer per etmaal. God sta hen bij.

Samen met een vogelzwerm die maar net boven het maaiveld zweeft, steven ik af op Horasan. Na wat boodschappen trek ik nog de heuvels in op zoek naar een kampplaats. In de avondzon gommen brommende pikdorsers de graanakkers weg. Op de top van de laatste klim ligt een uitzicht op een streep dal vol peppels. En waar populieren wiegen, moet water liggen. Bij een spoorwegbrug zoek ik wel een kwartier naar een plek maar de tent kan er nergens rechtstaan op de ongelijke ondergrond vol prikplanten.

In de schaduwvallei, waar een massief nog het laatste zonlicht opeist, zoek ik verder langs het water. Niet veel later vind ik dan een perfecte plek, afgezien van de verse koeienvlaaien, waar de rivier niet te hard klatert, er schaduw te over zal zijn morgen, waar de tent plat kan staan en mijn benen niet mishandeld worden door allerlei vijandige planten. Beter dan dit wordt wildkamperen niet.

Als ik in het laatste daglicht de rivier in duik en in het zalig frisse ondiepe op mijn knieën naar het water staar dat van tussen de kromme wilgen toestroomt, terwijl vanaf de kant Shine On You Crazy Diamond weerklinkt en vleermuizen in gezwinde duikvluchten slokjes water nemen – op zich een raar moment ervoor, maar goed – dan en daar dus, schiet ik vol. Ik heb zo godverdoms veel chance dat ik zo’n schone reis kan maken.

24 juli | Horasan – Kars

Als ik mijn fiets de helling op duw om terug op de weg te komen, stapt er een onverzorgde figuur uit een auto. Hij helpt me wel het gewicht op de baan te trekken, maar onderzoekt me dan vreemd, wrijft duim en wijsvinger tegen elkaar en laat het woord ‘cash’ vallen. Geen idee waar je het over hebt, engerd. Hij zet niet door. Zo rijk zal ik er niet uitzien in mijn stinkplunje.

Het gaat verder door een vallei vol ruwe rotswanden, ferroducten, tunnels en diezelfde frisse rivier. Bij een geitenkudde, gehoed door een piepjonge herder, trippelt de hond mij zonder te blaffen achterna. Kijk, zo kan het dus ook. Een andere herder commandeert zijn enorme troep runderen met hoge fluittonen. Vanop een rotspiekje speurt een roofvogel de omgeving af. Over de bolle heuvels lijken wel donkergroene netkousen getrokken die op de meest gespannen rondingen het onderliggende, witte steenvlees tonen.

Brokkelige rotswanden, net kliffen als koraalriffen, schermen het zicht af. Zwaluwen scheren laag over de weg en vinkjes fladderen in schokken over de groene velden. Vlinders en hommels crashen tegen mijn voorruit. Met een schimmel en een volmetalen rijtuig uit een vorig tijdperk wordt het hooi op de velden in bulten geschikt. Om een boerendorp van metalen golfplaten krult nog een kuitenbijter en dan bol ik op 2368 meter tussen dennenbomen de piek over.

Ik rij langs een reuzegrote, licht verheven maansikkel en ster. Vanop de grond is er niks aan te zien dus als u ooit Sarıkamış passeert, vergeet dan zeker uw drone niet.

Bergaf lukt het maar 18 te halen. Bij een door en door vervuilde kabbelbeek beleg ik een potentieel urban-trendy boterham met avocado en pinda’s. Dan achtervolgt me een pafferige ruifbal, maar ik zie het voor een keer aankomen en weet de hondenpieper die ik in Istanboel kocht voor het eerst nuttig in te zetten. Het beest staakt de achtervolging meteen. Onnozel dat dat logge toestel vaak te ver weg zit en ik dan maar gewoon begin te trappen als een bange gek.

Zonder dat ik er veel erg in had, is het landschap overgegaan in een meesterwerk. Een stuk om via een grotere baan klim ik toch nog een heuvel op en rij dan door onmetelijke velden in wel duizend tinten groen. Het moest vannamiddag enkel bergaf lopen, maar daar merk ik weinig van. De tegenwind blaast ongenadig, zodat ik moet bijtrappen om boven de 20 uit te komen. Van daar doemen de buitenwijken van Kars al op.

Ik vind snel een geschikt otel en op de prijs kan ik nog wat afdingen. Op restaurant neem ik vijf kleine gerechten en dat blijkt meer dan één man op kan. De handgeschreven rekening is veels te hoog, maar ik heb de energie niet meer om er een spel van te maken.

25 juli | Kars – Çildir

Mijn ochtend staat in het teken van Kafka. Een van de redenen om in de stad te slapen, was om een document afgedrukt te krijgen, nodig voor het China-visum dat ik binnenkort moet gaan aanvragen. Ik heb het zelfs nog niet gedownload gekregen. Ik word in cirkels gestuurd, steeds naar dezelfde afgrijselijke websites die lijken te dateren uit het vorige millennium. Informatie loopt uiteen, en dan beweren ze nog hier en daar dat het allemaal poepsimpel is. Het is om je al je haren uit je kop te trekken. Gefrustreerd en onzeker over de toekomst begin ik aan een rit die gelukkig wat korter is dan de voorbije dagen, richting de landsgrens.

Na de ochtendinkopen kap ik een karrevracht plasticafval in een vuilbak. Het is beschamend hoeveel vuilnis je fietsreizend door Turkije produceert, maar het is moeilijk anders te leven dan voornamelijk van voorverpakte voeding.

Over de eerste kilometers regeert de lelijkheid van industrie, legerposten, roadkill en tankstations, maar verderop gaat het alweer door een groene veldenzee. Onder een isolatielaag van donzige wolken is het puffen en suffen door het laffe weer. De drijfveer om hard te trappen is uit mijn lijf gezogen door de digitale mislukking van vanochtend. De baan trekt recht door een grote leegte en tegen de niet aflatende rotwind is het huilen met de helm op. Ik kom geen meter vooruit. Ik fantaseer erover om mijn fiets het talud af te flikkeren en een taxi naar de dichtsbijzijnde luchthaven te bellen. Nergens ligt er een plek die maar een beetje geschikt lijkt om te lunchen, in de schaduw of uit de wind. Het hoeft zelfs niet meer allebei op dit moment.

Vanuit een veld naast de weg is te zien hoe die onmogelijk door het landschap zwenkt. De vélo dient dwars opgesteld als paravent. Door de aardkorst lopen langgerekte scheuren, evenwijdig met de schijnbaar door mensenhanden aangelegde bergkam tussen groene stompe toppen. Te midden die scène stomp ik gedachteloos verder. Het is zielloos, plichtsbewust gepedaal, als op een aftandse hometrainer zonder kilometriek. Maar goed, fietsen is fietsen, en de steppe moet nog komen.

Het landschap is bevreemdend doordat het overal slechts heuvelachtig oogt, door graan en groen. Als ik het niet wist, zou ik nooit raden dat ik op zulke hoogte zit. Bij 2000 m denk ik aan scherpe pieken en ontussendoorfietsbare almen. Verderop loopt de baan hoog over de bergstompen, zonder al te veel op-en-neergewip, als de kromgetrokken nok van een verzakte boerenschuur.

Om de bocht glinstert al het Çildirmeer, waarnaast weinig begroeiing prijkt. Door een boerendorp strompelt een troep ganzen. Een eenzame hengst hinnikt naast een riviertje. Over de velden piepen zwaluwen en in de poelen duiken kikkers weg, met afsprong.

Achter een bergtop worden grauwe wolken geboren die de zon willen verduisteren. Tussen een kudde kalveren door moet ik nog opletten dat ik niet word meegesleurd in het liefdesspel wanneer een jonge stier een koetje bespringt.

In het laatste dorp voor de weg in een stenenpad overgaat, moet ik me in de winkel tussen de ouderlingen neerzetten voor een kartonnen beker thee. Eens buitengeraakt wijst een man naar de wolken en houdt dan een onzichtbare paraplu boven zijn hoofd. Barst, ik moet me haasten. Maar waar naartoe? Nergens langs het meer ligt een schuilplaats in zicht. De trapdrift die ik eerder maar niet vond, komt nu als vanzelf opstijgen. Ik stamp als een bezetene over het ruige grind. Ondanks de fenomenale uitzichten, als gestolen uit de Schotse Hooglanden, wil ik hier zo snel mogelijk wegkomen. Zelfs bergaf kan ik geen vaart maken over de losse keien. Bij het volgende dorp moet ik nog slalommen tussen runderen en ganzen.

De wolken lijken te wijken. De hemel is mij toch goedgezind. Naast het water staat één geschikte bos kraakwilg en aan een herder vraag ik of ik daarbij kamp kan opslaan. Tamam’, zegt hij, ’t is in orde. Om de bocht ontdek ik een waterbron en, voor als die regenstorm toch nog komt, een schuur om in te schuilen. Het mag dan wel de kortste afstand zijn die ik in weken heb gereden, zo win ik toch weer de wildkampeerloterij.

In het allerlaatste daglicht drijven weer duistere wolken voorbij en daartussen één hagelwit, luminescent luchtschip. Er krakelen gele schichten doorheen, donderloos, op een magische manier die ik nog nooit heb mogen aanschouwen. Zo zwaai ik nog met vuurwerk af na een feeststoet door Turkije.

Morgen zal ik na een maand deze grote natie verlaten en wel met een dubbel gevoel. Enerzijds hunker ik naar afwisseling en een nieuwe cultuur, anderzijds betekent het het afscheid van een ongeëvenaard gastvriendelijk volk. Aan de Turken kan ik alleen maar zeggen, teşekkür ederım.

Güle güle, Türkıye!

Muvi

2 reacties op “16. Güle güle, Türkiye!”

  1. kristel1963 Avatar
    kristel1963

    Hallo Ruben, morgen krijgen we hier uit tweede hand meer info over je meest recente lotgevallen, maar ondertussen heb ik me weer kostelijk geamuseerd met bovenstaand mooi geïllustreerd hoofdstuk.

    Enne.. laat Kafka je niet uit je lood slaan!
    Veel groeten uit Gent,

    Kristel

    Geliked door 1 persoon

  2.  Avatar
    Anoniem

    Wat een tocht alweer. Indrukwekkend! x

    Geliked door 1 persoon