17. Sakartvelo, sakkerloot!

26 juli – 7 augustus | dag 81-93

გამარჯობა! (Gamardzjoba!)

Georgië, godverdomme! Eén week zou ik er verblijven, 4 fietsdagen en tussenin 3 dagen in de hoofdstad. Door velerlei oorzaken werden het er 14. Alles heb ik eraan gedaan om over land verder te reizen richting Kazachstan, maar de geopolitieke wantoestand dwong me uiteindelijk toch het luchtruim in.

De Georgiërs zijn een eigenaardig volk, al was het maar omdat ze zichzelf liever Kartvelen noemen en hun paradijs, geprangd tussen twee Kaukasi, Sakartvelo. Ze zullen je niet snel eerst begroeten en hoeven niet te weten waar je vandaan komt, naartoe fietst of wat je van hun land vindt. Laat staan dat ze een knijt geven om wat je voornaam is. Maar zelfs zonder al die info zouden ze je blindelings uit een brandend huis sleuren. Het enige wat ik de Georgiërs collectief verwijt, is dat ze voor geen meter met de auto kunnen, nee, zouden mógen rijden.

26 juli | Çildir (Turkije) – Saghamo (Georgië)

In de schaduw van het bosje kraakwilg is het zelfs te koud om te ontbijten. Dat krijg je dan in de bergen. Een oude herder komt lief vragen of ik lekker geslapen heb. Hoewel hij me eerst nog steunend op een stok benadert, holt hij nu als een fitte jongeling zijn afgedwaalde kalveren achterna, op en neer door het steile weiland, roepend en kreunend en kreten producerend. De hoge golfslag is verdwenen. Zwemmen in het meer kan nu weer.

Naast het grindpad flaneren meeuwen tussen de hooibalen. De groene bergen schurken met hun stompe toppen tegen de wolken aan. Scholvers vliegen net boven de waterspiegel. Hun vleugeltippen tikken bij elke slag de golven net niet aan. Op zelfgelaste zitmaaiers worden de groene velden rond het meer van hun grassen ontdaan. Langs de giftige wolk van een brandende vuilnisbelt en de elfendertigste Turkse legerbasis bereik ik opnieuw de bewoonde wereld in Çildir.

Daarvoorbij zoef ik bergaf door een frisse tunnel van wel 2,3 km. Het wegdek is gloednieuw en er rijdt niemand anders doorheen. Het is maar goed dat ik gisteren niet tot aan het Aktaşmeer op de grens ben geraakt, want het is half verdwenen en er staan geen bomen omheen. Ernaast liggen de bolle, witte daken van de grenspost in zicht.

Ah, Georgië! In februari 2019 had ik al eens de eer, net voor dat virus de wereld zou gaan wurgen. De Georgiërs zeiden toen al ‘Wat doen jullie hier nu? Kom in de zomer terug!’ Et voilà!

In de eerste dorpjes baden gestapelde torens van turfblokken en grote kolenbladeren in de middagzon. Het is nu ook voor een tijd gedaan met schelle gebedsoproepen, te merken aan de eerste, niet zo fraaie, orthodoxe kerk. Een tegenliggende trucker, op weg naar de grens, vraagt of ik 20 lira kan missen, en wel verdraaid, dat is exáct het overschotje dat ik nog heb. Dan blijkt het om een lullig misverstand te gaan. De man zoekt 20 lari, de Georgische munteenheid, die vele malen meer waard is.

Na lunch op een klaverbed onder de dennenbomen staan er nog niet veel kilometers op het scherm. Bij de eerste afdaling ligt in de verre verte de Didi Abuli in zicht, een immense berg met zijn top in de wolken. Bij elk dorp lees ik aandachtig het naambord in de hoop dat de unieke kalligrafie van het Georgische krullenalfabet vanzelf terugkomt, maar het zit ver weg. Het ziet er op het eerste gezicht ondoenbaar uit, maar in werkelijkheid stemmen alle symbolen recht overeen met een klank die de meeste Vlamingen zouden moeten beheersen.

Twee onbenullige keffers herinneren me eraan dat de hondenpieper in de aanslag mag, waarop er meteen een gemener beest verschijnt, dat even snel ook weer zijn muil dichthoudt. Dat ik het apparaat nu pas effectief weet in te zetten, is gewoon idioot. In de berm pronken de gele bloemen van schoepkruid als honderden vrolijke zonnetjes. Over de onwaarschijnlijke rotbaan, hobbeler en sobbeler dan een keienpad, moeten ook alle camionneurs hun vracht een weg zien te bieden. Er staat wel een lief bordje met een verontschuldiging voor de abominabele baantoestand. Al met al beter dan in België dus.

Zelfde bord, andere plek

Het gaat zo traag vooruit dat ik de route moet hertekenen. Bovendien ben ik stomweg vergeten om mijn Georgische internet al voor de grens te activeren, en om nieuw internet te hebben, moet men eerst … internet hebben. Zo gaat dat dan. Op basis van wat de app nog kan tonen, verzin ik een doorsteek van het ene naar het andere dorp, waar kippen scharrelen, honden blaffen en waar boerenfamilies druk in de weer zijn. De ruimtelijke ordening is hier heel anders dan in Turkije. Dorpen zijn enorm, met buitenwijken als een spinnenweb van onverharde wegen waarlangs boerenerven liggen. Even later hots ik tussen de aardappelplanten met zicht op de protserige Didi Abuli. Als ik vandaag nog bij een meer wil geraken, moet ik de route door de bergen laten vallen en de baan opzoeken. Als ik die ooit al vind.

Het is manoeuvreren door tractorbandenvoren en modderpoelen. Op een begraafplaats pralen boven de familiegraven sierconstructies als metalen baldakijnen. Dan gaat het weer door zo’n achterbuurt vol flippende honden, de meeste wel aan de ketting, waarna dan toch de grote baan verschijnt. Hoeveel kilometer het nu nog is, kan ik alleen maar inschatten. Alsof ik met mijn linkerhand een kilometerslange koord vasthoud die van de top vertrekt, zwaai ik in een grote cirkelbeweging in tegenwijzerzin om de berg heen. Een kudde runderen staat op het punt de baan op te draven. Intussen weet ik dat mijn luide fietsbel de kracht bezit om een koe een poos van zo’n drie tellen te verstommen, waardoor ik ze nog snel kan afsnijden.

Bij de eerste geldautomaat wil ik lari’s tappen maar ik weet bijgod niet hoeveel ik er nodig heb want ik kan de wisselkoers niet googelen. Voor de gok kan ik me louter baseren op het feit dat een liter flessenwater me daarstraks, met de kaart, 2 lari kostte.

Het nationale gerecht van Georgië heet chatsjapoeri, letterlijk kaasbrood. In Ninotsminda bestel ik een variant met een rauw ei erbovenop gekletst. Dat moet je vervolgens door de hete kaas roeren en zo ontstaat er iets dat nog steeds naar weinig smaakt. Het is vooral een goed excuus om in de wifi te zitten en dat mobiele internet in orde te krijgen.

In een winkeltje probeer ik een paar woorden Georgisch, maar de dame spreekt enkel in het Russisch terug. Op zoek naar een gewoon brood moet ik het halve stadje affietsen. Chauffeurs trekken zo hard ze kunnen op binnen de bebouwde kom, zelfs in de nabijheid van politiewagens. In het gelige avondlicht zien de bergen er dan wel waanzinnig uit, ik heb geen tijd of mentale ruimte om ervan te genieten. Graag zou ik met nog een zweempje daglicht het meer bereiken. Ik smeek de zon om te blijven maar ze zakt oranjerood weg. Ik schreeuw tegen de wind, maar ze antwoordt genadeloos ‘en trappen zult ge, bleitsmoel’. Het was nog maar 15 km, maar het duurt maar en het duurt maar en achter elke helling wacht er weer een nieuwe.

Als ik uiteindelijk een geschikt, klein bos vind naast het water, staat er al een tent van het avontuurlijke type, en ze is nog wel van een Nederlander. De waterkant is te dicht begroeid en zwemmen kan in het donker niet meer. Over het water glinstert boven de bergen een zilveren maansikkel. Ik raadpleeg het kompas, hopende dat ze boven Turkije zweeft, maar de eerlijk gebiedt me te zeggen dat dat net iets te poëtisch zou uitkomen.

27 juli | Saghama – Tbilisi

Er staat nog meer wind dan gisteravond. U raadt al in welke richting, anders zou ik er niet over zeuren. Omdat het naar de hoofdstad veel meer dalen is dan stijgen, ligt er een koninginnenrit klaar van meer dan 140 kilometer. Dit wordt knokken.

In een onderstation liggen ook gewoon hooibulten bijeengeharkt, want hooi is hooi. De wind huilt onvermoeibaar, ‘ga please nie naar Tbilisi’. De wind moet zijn gore bek dichthouden.

Overal langs de weg staan eenzame kalveren die met een touw om de nek een graascirkel toegewezen hebben gekregen. Voor het gemeentehuis van Poka is een groep jongeren in traditionele klederdracht net bezig met een dansoptreden. Bizar genoeg worden de dansers ondertussen natgespoten. Kinderen hollen elkaar over de hoofdstraat achterna met waterpistolen, flessen en volle teilen en dat terwijl er constant auto’s passeren. Het is het waterfestival vandaag, verklaart een Engelssprekende jonge vrouw. Ik maak me maar snel uit de pedalen want dadelijk ben ik het volgende doelwit. Daarna rij ik langs het grote Paravanimeer dat gisteren mijn bestemming had kunnen zijn.

In de bermen fleuren bloemen de grauwe dag op met geel en violet en het knalmagenta van het knikkend wilgenroosje. De Georgiërs chaufferen daartussen onbegrijpelijk gehaast, manoeuvrerend rond kuilen, bulten en andere oneffenheden. Ze toeteren dikwijls van ‘komaan’ of ‘pas op’ en scheren zo dicht langs dat ik me telkens rot schrik. De route span ik enkel nog over geasfalteerde banen, het moet en zal vooruitgaan. De hemel trekt dicht en er hangt een frisse, vochtige berglucht. Zo snel mogelijk wil ik wegkomen uit deze Kleine Kaukasus want ik wil niet in de dichte mist belanden tussen al die zotte zondagse chauffeurs. In een lange snelle afdaling is er gelukkig net weinig verkeer. Ondanks het weidse groene uitzicht moet ik mijn ogen op de oneffen weg houden.

Beneden aangekomen is het meteen enkele graden warmer en het wordt zelfs benauwd. De dorpen van grote, grijze bakstenen met hier en daar nog wat crépi overheen en asbestdaken vloeien over in elkaar, waardoor er geen rustige stopplaatsen langs de weg te bespeuren vallen. Misschien lijd ik een voedseltekort of aan hoogteziekte, maar ik voel alle kracht verdwijnen. Mijn laatste Turkse voedingswaren gaan er gelijk allemaal aan. Ik neem ook wat vet van mijn ketting af, want bergop slaat ze door. Donkerbruine geiten met forse hoorns grazen de berm af. Een paard huist in de ruwbouw van wat ooit een woonblok had moeten worden.

Of het nu met een verchroomde Duitse bolide is of een bijeengetapete chiclettenbak, alle Kartvelen karren veel te hard. In een nieuwe afdaling rijden ze in de bochten minstens in de helft van de baan en vaak gewoon op het linkerrijvak. Het is om woest van te worden. Hoe kan in één volk gezamenlijk zo veel verkeersdwaasheid zitten? Als ik de voorgaande zinnen nog aan het bedenken ben, rem ik om de bocht voor brandweer, ambulance en politie. Overal ligt glas in mat cyaan. Ontredderde blikken. Gewonden. Paniek. Twee wagens steken gekreukt in de zijkant. Een derde ligt op zijn kop.

Eens het bos uit en de rivier over knakt de hoogtegrafiek, als tegen een spiegeltje, van steil omlaag naar scherp omhoog. Meteen is het ook broeierig heet, nu al 1000 m lager dan waar ik vanochtend vertrok. 70 minuten later bol ik weer op bijna 1500 m. De rit is een heuse achtbaan, maar ik voel me daarom nog geen rappe rups.

Veel meer dan Turkije is Georgië Europees gericht en dat is te merken aan de producten in de supermarkt. Een pak Hollandse stroopwafels maakt mijn dag goed. Op 18 km van mijn bestemming heten een hondje en een plaatsnaambord me al welkom in Tbilisi. Wat verder wordt een door het afval scharrelende roedel gek als ik te dicht bij hun schranspartij langsrijd, waarop de vlooienballen me boos achtervolgen. Verderop is er nog een die woest wordt. Ik richt mijn pieper erop maar dat blijkt geen enkel effect te hebben. Sommige hondenoren moeten toondoof zijn voor de hoge frequentie. In de laatste afdaling vang ik tussen de bomen door glimpen op van een waanzinnig breed dal. De randen van de hoofdstad badderen in de avondzon.

Dan bevind ik me plots in vreemde buitenwijken in de steile bossen rond de stad, waar dure, blokkendozen van huizen worden gebouwd maar waar de weg nog een mountainbikepad is. Dan volgt nog een korte huzarenklim naar boven, daarna een onberijdbare wegel en dus weer diezelfde helling naar beneden. Dan door wegenwerken waarin ik vast om te zitten. Dan een grote invalsweg, maar er ligt wel een prachtig fietspad naast. Zo kom ik uiteindelijk aan in een ‘westerse’ stad en daar wil ik enkele dagen ten volle van genieten.

28 juli – 1 augustus | Tbilisi

Vanuit het gezellige appartementje ‘Le Petit’, waar ik samenwoon met Vlamingen, Russen, Chinezen en de behulpzame, weinig bescheiden maar wel levenswijze ‘Ollander’ John, fiets ik de hele stad af. Van fotograaf naar fietsenmaker, van ambassade naar geldwisselaar, van daar naar hier en van hot naar haar.

De aanvraag voor het China-visum heb ik verknoeid. De uitleg voor waarom het mislukte, is langdradig en ingewikkeld. Kort samengevat: Het was een samenloop van brute pech, bureaucratische inefficiëntie en mijn eigen, naïeve onzorgvuldigheid. Ik beslis niet nog meer dagen te wachten en om door te reizen, in de hoop later het euvel op te lossen.

Er waren verder ook mooie kanten aan de vijfdaagse in de hoofdstad. Ik genoot van zelfgemaakt en ander lekker eten, verkende veel meer delen van de stad dan 6 jaar geleden en op een heuvel, 10 km van het centrum vond ik de heilige graal van elke oostfietser: plooibare Schwalbe-buitenbanden, die nu mee op reis mogen. En het voorlicht brandt weer!

2 augustus | Tbilisi – Chinti

Op een opgelapte Ventsislav zoek ik me een weg uit de broeierige stad. Net als de vorige dagen is het vreselijk benauwd. Zelfs in de schaduw lekt het zweet uit elke porie. Via een vierbaans uitvalsweg glibber en bibber ik Tbilisi uit. Als de eerste wildvreemde me gamardzjoba toeroept, kan ik stellen dat ik de stad uit ben. Er staat 20 km op de teller.

Na zes nachten in de Georgische hoofdstad ben ik fysiek wel opgeladen, maar mentaal misschien bezwaarder dan ervoor. De route is weer maar eens versprongen, door een nieuw land, waardoor ik nu noordwaarts fiets in plaats van door de oostelijke, veelgeprezen wijnstreek. Tbilisi ligt op een plateau, tussen de Kleine en Grote Kaukasus. De komende twee dagen moet ik dus weer omhoog. Terwijl ik over een boerenpaadje evenwijdig aan de snelweg glij, moeten de Georgiërs filerijden. Het zal ze leren, de beesten. Het pad vervaagt en is uiteindelijk niet meer te onderscheiden van het veld waar het in liep.

De grote baan, waar de stoute Georgiërs joyriden, vermijd ik vandaag zo veel mogelijk. In plaats daarvan gaat het over afgebroken asfalt, gravel en stenen. Net na de lunch hangen naast het pad de eerste eetbare bramen van de reis. Het is eindelijk augustus. Ze zijn zo mierzoet dat ik vreet tot mijn vingers donkerrood zien en ik de buikpijn al voel opkomen. Steeds vaker trapt mijn ketting door. Er is iets aan de hand.

De olie in het naafversnellingssysteem is net vervangen en de ketting heb ik net ontvet en ingewaxt, dus mogelijk zit het op een van die plekken. Als ik midden in een dorp de kettingkast eraf haal, wordt duidelijk dat de uitgerekte ketting te zeer doorhangt. Ze moet aangespannen en net als ik daaraan begin, stopt er een behulpzame gast in een pick-up met gereedschap in de koffer. De klus is op zich niet heel ingewikkeld, maar er moeten eerst twee stroeve bouten voor losgedraaid. Met een inbussleutel vermassacreer ik de zeshoekige binnenkant in één gezwinde draaibeweging tot een perfecte cirkel. Het zou heel begrijpelijk zijn als de hulpvaardige Zaal dan en daar had gezegd ‘oei, dit ga je nu zelf maar moeten oplossen’. In plaats daarvan maakt hij er zijn missie van om mee die roestige rotbout eruit te krijgen.

We proberen eerst nog langs de weg met basisgereedschap, maar laden dan de fiets in de koffer om in een kelder verderop groter geschut in te zetten. Hamers, boren, sleutels, schroevendraaiers en een kruipkelder WD40, alles laten we erop los. We rijden snel naar de lokale mini-doe-het-zelfzaak voor specifiekere benodigdheden. Vervolgens gaan we weer aan het slaan en sissen en draaien en duwen en boren en trekken. Als de laatste hoop mij bijna verlaten heeft en ik in gedachten alweer bij de Tbilisiese fietsenmaker sta, komt die kleine verroeste rotzak er dan toch uit. De ontlading is groot.

De rest van de kettingspanklus neemt nadien nog geen vijf minuten. Ik kan Zaal en zijn familie niet genoeg bedanken en dan sturen ze me nog op pad met heerlijk, zelfgestookt rodevruchtensap en appels uit de tuin. Het is 20 uur als ik weer kan fietsen.

Voorbij het dorp ligt meteen een intens stenenpad. Ik ga op zoek naar een bivakplek, maar de rivier is moeilijk bereikbaar. Het begint te regenen en rondom flikkeren bliksemwolken. Bang voor snel stijgend water zet ik de tent ver van de stroom, op de gebarsten, droge ondergrond. Net als de tent recht staat en alles erin zit, begint het te gieten. Ik trek mijn bovenkledij uit en ga de tent rond om alle stormkoorden aan te spannen, maar dat voelt toch niet exact hetzelfde als die tegenwoordig zo populaire ‘regendouches’ van bij ons.

3 augustus | Chinti – Stepantsminda

Door de fietspech van gisteren belooft het vandaag een uiterst zware rit te worden. Ik bereik de grote baan en begin aan een huzarenstuk van 2400 meters omhoog. Langs de weg staan stalletjes die koffie, thee en straffe chacha verkopen en de kans op een foto voor een hartvormige constructie met op de achtergrond het Zhinvali-bergwaterreservoir.

Het gebied rond Stepantsminda (Kazbegi) staat bekend om zijn bergtoerisme en de weg ernaartoe bulkt er al van. Bij de oude burcht van Ananuri heerst er drukte en er lopen opvallend veel Aziatische toeristen. Dat hier veel buitenlanders rijden, stelt enigszins gerust. Hoe minder Georgiërs op de baan vandaag, hoe groter mijn overlevingskansen.

De fietspanne was een opdoffer, maar dat de ketting nu bergop niet meer doorslaat, maakt het het misschien wel allemaal waard. Het plan was om gisteren 105 km te rijden en vandaag 55. Nu moet dat dus precies omgekeerd.

Het lijkt wel of België het enige land is op mijn reisroute dat geen eigen nationale gerecht heeft van gevulde, gekookte deeghapjes. In Georgië heten ze khinkali. Ik bestel er twee borden van en, op aanraden van de serveerster, nog een kwak vette room. Sonja Kimpen zal er het hare van denken, maar wat weet Sonja Kimpen nu van bergen befietsen. Na de lunch gaat het nog 40 km bergop dus ik begin best barstensvol koolhydraten.

De Kazbegi-pas is bezaaid met winkeltjes, rafting-clubs en restaurants met uithangborden in lachwekkend Engels. Na de middag houdt de stoet van inhalende camions niet meer op. Met dichtgeknepen billen knuffel ik permanent de witte lijn. Ik mis de Turkse pechstroken al. Op 35 km van de top start een snoer van vrachtwagens die een na een in de berm geparkeerd staan. Tenzij een camionneur nu zijn cabinedeur tegen mijn smikkel opensmijt, rij ik voorlopig veiliger dan voorheen. De pekzwarte wolken die uit sommige wagens wasemen, wekken de indruk dat ze worden aangedreven door bruinkool. De tegenliggende Kamaz-trucks zijn de ergste. Op 2 km van de staart ligt de kop van de file, en niets verklaart waarom de sliert daar vaststaat.

Eens de rivier over verdubbelt het stijgingspercentage zowat. Er volgen 20 helse kilometers. Bij een toeristische cascade, waarvan bergwater klatert dat het vriespunt benadert, geef ik mijn nek en polsen een turbo-koelingsbeurt. Ik koop maar één fles water om niet nog meer gewicht de berg op te torsen. Aan de overkant van de vallei staat de bergwand als een egale, groene muur. Dat ik op deze flank iets gelijkaardigs op aan het kriskrassen ben, klinkt totaal ongeloofwaardig.

Hoe hoger de route, hoe mistroostiger de wegkant vol houterige gastenverblijven. Bij het Honey House zijn alle bloemen ter versiering van plastic. In Gudauri loopt een téléferique boven groene grasstroken die ‘s winters skipistes moeten ondersteunen. Bij de beste uitkijkpunten staan kraampjes waar ze één of twee lari vragen voor een foto van het gratis uitzicht. Op een piepkleine aire vind ik achter de vangrails mijn eigen uitzichtspunt van waar te zien is hoe parapentes boven de groene bergtoppen glijden.

Dan gaat het door wat wellicht de zuilengalerij is met het beste uitzicht ter wereld. Daarin liggen dondersverraderlijke veeroosters met tussen de spijlen gaten breder dan mijn banden en die ik dus enkel schuins veilig kan oversteken. Overal langs de weg zitten schapen in kooien gepropt. De arme beesten staat straks de halaldood te wachten. Een zwerfhond vlucht de weg over, vlug tussen de auto’s door, met in zijn muil een gegapte schapenkop.

Precies 100 hoogtemeters te vroeg ben ik plots al op de piek van de pas, op 2395 m, wat moet betekenen dat mijn gps verkeerd gekalibreerd staat. Een meevaller, nu kan ik beginnen aan die laatste 25 km afdaling tot Stepantsminda. Omdat ik behoed ben voor de Georgische auto’s die constant inhalen, houd ik zo ver mogelijk rechts, maar daarbij nader ik één koe zo dicht dat ze van angst op één punt, als met een perfecte pirouette, om haar as draait en me zo met die dikke kop van haar bijna uit het zadel licht.

Het probleem met de Georgiërs is dat ze een duivelengeduld hebben. Als ze 2 seconden worden opgehouden achter een vrachtwagen moeten en zullen ze die meteen inhalen. Door die ene voorzichtige chauffeur die rondrijdt in dit land, ontstaat achter mij een wagencolonne, en daar ga ik mij niet één seconde schuldig over voelen. Een tweede camionsliert ontsiert de waanzinnig mooie, groene vallei van bergen vol rimpels waarop het avondlicht een spel van schaduwen speelt. Mijn voorband, mijn voormalige achterband, loopt weer leeg. Het is genoeg geweest. Die binnenband is vervloekt. Er zijn genoeg rustines aan verspild. Er gaat een nieuwe in.

Een motorrijder dwingt me aan de kant. Hij lijkt noch politieagent, noch bepaald goedgemutst. ‘What the fuck do you think you’re doing wearing that shirt in my country?’ Voor ik Georgië binnenreed, heb ik nog getwijfeld of ik twee van mijn drie fietstruitjes hier wel zou aandoen. Een ongeïnformeerde haatdrager zou de kleurrijke reeks horizontale strepen wel eens kunnen aanzien voor een LGBTQ-symbool en dat als een provocatie beschouwen. Maar ik merk meteen dat het de man daar niet om te doen is. Mijn vader had me hier nog voor gewaarschuwd, maar ik draag het truitje nu al zo lang en vaak dat ik er niet meer over nadenk. Het is de grote, zoutomrande Z tussen de kleuren die de man aanziet voor een militair statement. Ik deëscaleer de situatie, leg kalm uit dat het om een gelijkvormige, maar ongerelateerde Z gaat. Hoe dan ook wilde ik het truitje vandaag nog voor een laatste keer dragen, voor het een tijd niet meer kon. Als ik het niet snel uittrek, zal de kwade motard me een pak rammel verkopen, dreigt hij.

Als ik om 20 uur eindelijk Stepantsminda bereik, lees ik een bericht van een Belgische fietser die ik in Tbilisi leerde kennen. Hij was geïnteresseerd in mijn reisroute en wijst me op een beperking van het elektronische visum dat ik op zak heb. Ik heb alweer een domme fout gemaakt. Met mijn documenten kan ik morgenvroeg de grens met het grootste land ter wereld wel over, maar 6 fietsdagen later zouden ze me aan de Kazachse staatsrand gegarandeerd weigeren het land per fiets te verlaten. Dan zou ik daar alsnog moeten wegvliegen, via een grote omweg, en de voornaamste reden om toch door het land te reizen was net om niet op een vliegtuig te moeten stappen.

De ontgoochelende uitkomst wordt al snel duidelijk. Er zit weinig anders op dan morgen terug te keren naar waar ik vandaan kom. In twee dagen ben ik van Tbilisi tot hoog in de bergen gereden. Voor niks.

4 augustus | Stepantsminda – Chinti

Een bloeddorstige hond, zwart met wit, zit achter me aan. Ik hurk haastig, grijp naar een kei om mee te werpen, die uit mijn handen glipt als een stuk zeep, telkens weer. Ik durf niet op te kijken. De hond gaat me bijten. Nu.

Als ik wakker schiet, moet ik de teleurstelling nog verwerken die gisteravond duidelijk is geworden. Hoe onnozel ook, mijn beste optie is nu terugbollen naar Tbilisi. De opwaartse route van de voorbije twee dagen moet ik nu dus omgekeerd naar beneden rijden. Joepie, het is net Mario-kart! Wat ik absoluut wilde vermijden, een vliegtuig nemen, zal nu toch niet anders kunnen. De fietsroute van west naar oost zit dus toch helemaal dicht, tenzij je vandaag nog via Iran durft te gaan. De motivatie om op de fiets te stappen, is klein vandaag.

Het is maar goed dat het rond Stepantsminda prachtig is, of ik was echt voor niks omhoog gereden. Enerzijds is het een diepe ontgoocheling dat ik zo veel tijd, geld en moeite heb verspild aan een luchtkasteel, anderzijds is het een geruststelling dat ik nu toch niet door de beer moet.

Van Stepantsminda naar diezelfde piek op 2400 m probeer ik in gedachten niet te veel te zeuren. Er zijn ergere dingen dan reisoponthoud. Dat het niet allemaal over rozen zou gaan naar China was wel te denken, al had ik dit scenario nooit kunnen inbeelden. Met enkele van dezelfde wachtende truckers als gisteren kruis ik blikken, en uit de hunne spreekt ‘wat een mafklap’. Van een uitzonderlijke waterval van travertijn kabbelt over de hele breedte van wel 50 meter water in een flinterdun laagje. Het witte oppervlak, als de knobbels van een grote bloemkool, ziet er spekglad uit maar is in feite zo ruw dat menig toerist zich erover naar boven waagt. Het is een verbazingwekkend fenomeen waar ik gisteren gewoon voorbij moet zijn geraasd.

Dan volgen de schapen, de zuilen, de spijlen, dat uitzicht, … Enfin, u kunt de alinea’s hierboven achterstevoren lezen. Op de zijkant van een oplegger prijkt, in het Nederlands, de slogan ‘Elke dag weer een verrassing’. Het vat mijn verblijf in Georgië vrij goed samen.

Een jongen van een jaar of 12 stuurt in de berm zijn paard in galop en ik kan het duo in snelheid niet verslaan. Als ik een groep varkens ga passeren, schieten ze van schrik de baan over, waardoor ze haast rond de voorwielas van een truck aan het spit worden gedraaid.

Na 6,5 uur sta ik terug op de plek waar ik gisteren vertrok, een tocht waar ik toen 10 uur over deed. Het mooie is dat ik gisterochtend, op 500 m van mijn vertrekplek, een veel betere bivakplaats zag liggen, aan een rustiger deel van het water, onder een notelaar. Vanavond is ze van mij. Laat dat mijn lichtpuntje zijn.

5 augustus | Chinti – Tbilisi

Ik zet niet één maar twee koppen koffie, want de overpoenige gasfles uit Tbilisi kan ik straks niet meenemen op het vliegtuig. Ik geniet in alle rust van de ochtend onder de notenbomen want van hieraf is het – dat weet u intussen – slechts 55,5 km neerwaarts, terug naar de hoofdstad. De beste braambessen zijn al weg, intussen misschien al tot sap verwerkt.

De vierbaans toevalsweg op de stad voelt in de andere richting gevaarlijker aan dan eergisteren. De gps wil dat ik links afsla, anders gezegd, dat ik een wisse dood tegemoetrij. Een voetgangersbrug overgaan, door beurtelings de achtertassen en de fiets en de rest te tillen, lijkt de veiligste oplossing. Een jonge kerel biedt zijn hulp aan en kort daarna zie ik hem sprinten en bijna zijn bus missen. Het is geen brandend huis, maar het zegt toch iets.

Ik kom al vroeg aan in een hotelletje met een ruim balkon dat geschikt zal zijn om de komende dagen mijn fiets in een kartonnen doos te proppen en te maken dat ik eindelijk zal wegkomen uit Tbilisi.

6-7 augustus | Tbilisi

De twee bonusdagen in Tbilisi verlopen nog redelijk gestrest, maar het gezellige Zuid-Afrikaanse nevenduo, dat het hotel runt, is fijn gezelschap en ze helpen me wat dingen in gereedheid te brengen voor de vlucht.

Sakkerloot, de tegenspoed in Sakartvelo was behoorlijk groot. Niets leek te lukken, maar met de hulp van enkele Georgiërs en internationale Tbilisiërs, kwam de uittocht uiteindelijk dan toch voor mekaar.

4 reacties op “17. Sakartvelo, sakkerloot!”

  1. Zaal Tsereteli Avatar
    Zaal Tsereteli

    Hey It’s Zaal ! Hope everything is good, what a journey you had in August 😀

    Geliked door 1 persoon

  2.  Avatar
    Anoniem

    OMG wat een Georgische belevenis

    Geliked door 1 persoon

  3. dj5d8146dc0b635 Avatar
    dj5d8146dc0b635

    ALLE MANNEKE, VEUR DAT REGENBOOGTRUITJE WAS GE TOCH GEWAARCHUWD?

    Geliked door 1 persoon

  4.  Avatar
    Anoniem

    we hebben even mogen wachten op een nieuw verslag, maar het is wel een schitterend verslag geworden. Je kunt in dienst gaan bij de toeristische dienst van Georgië !.

    Geliked door 1 persoon