сәлем! (Salem!)
Het kan vreemd klinken, maar het deel van de grote reisroute waarnaar ik het hardst heb uitgekeken is dit: de kale Kazachse woestijn. In 5 ritten moest het van Aqtau naar de woestijnstad Beyneu gaan, dwars door de regio Mangistau. Met de wind aan mijn zij lukte het in 4 magische dagen, waarin zon en wolken met elkaar op de vuist gingen dat het kletterde en het van ‘s ochtends tot ‘s avonds betoverende lichten schetterde.
De Kazachen zijn overigens een bende onverbeterlijke lieverds. Ergens is het jammer dat ik hun onzaglijke land na zo’n korte tijd alweer verliet.
9 augustus | Aqtau – Beki
Ik ontwaak op een bed, harder dan een soldatenbrits, in de karaokekelder van een voormalige nachtclub. Ik bevind me plots in Aqtau, een stad aan de Kaspische zee waar, los van de zandsteenrotsen aan het water, weinig fraais te bewonderen valt. Het eeuwige gelige licht maakt de brutalistische blokken wel erg beeldgeniek.
Nog nooit was mijn fiets zo zwaar beladen als vandaag. Sinds ik uit Tbilisi weg moest vliegen, weet ik dat hij en alle bagage samen bijna 45 kg wegen. Daar komt nu nog zo’n 5 kg aan houdbare voeding bij en 10 kg aan water.


Voor de gelegenheid ben ik voor dag en dauw opgestaan maar omdat er nog wat praktische zaken in orde moesten en de fiets anders opgeladen, fiets ik pas na 9 uur weg vantussen de Aqtause blokken. Het heeft iets bevreemdends, weten dat je het zicht op de betonnen kolossen zo meteen inruilt voor de leegte. De zon prikt het wolkendek lek en komt alvast een keertje piepen.
Naast de weg schuifelen tussen de knetterende laagspanningkabels de eerste dromedarissen. Het strakke asfalt lost op, verwordt tot een schokkerige strook van stof en zand, bulten en stenen. Vrachtwagenchauffeurs toeteren, zwaaien enthousiast en leveren, naast hun vracht, een voorproefje van een eventuele zandstorm. Het ruikt naar dromedarisstront en chemische rotzooi. Naar de vrienden stuur ik nog rap een selfie, in het geval dat het mijn laatste zou zijn, want ik heb voldoende reisverhalen gelezen om te weten wat er na dit punt volgt. Niks.



Onzin. Op links liggen lage gele heuvels, als een keten van vanille reuzedrillpuddingen. Voor die achtergrond slenteren herkauwers over een groen tapijt, elk in z’n eentje en op grote afstand van de andere. Hoezo claimen zo veel voorgangers dat hier niets te zien valt? Toegegeven, op rechts is er echt niks te zien.
Net als de zon echt begint te fikken, loopt er een tunneltje onder de spoorweg door waaronder ik kan lunchen tussen de wilde paarden en hun vijgen. De beesten staren me onophoudelijk aan, alsof ik iets verkeerds doe. Het is een uniek ongemakkelijke ervaring om zo van je boterhammetjes te genieten.


Een beige hagedis zweeft over de weg, op onzichtbare pootjes, vanwege de hoge trippelmaat. Tussen een roestige pijplijn en een schattige heuvelformatie kan ik over een asfaltweg even 25 aanhouden en dat is veel meer dan verwacht. Op de top van een verheffing is het in een keer uitkijken over een vlakte vol witte vlekken en opstijgende hittelijnen die het zicht troubleren. De steile randen wekken de indruk dat ik een reusachtige kom binnenrijd, of ja, misschien eerder een braadpan.
Op 60 km moet ik over een onmogelijk pad uit de vlakte zien te komen door de fiets, die intussen mijn lichaamsgewicht benadert, naar boven te hijsen. Het gaat dan een hele tijd over lage heuvels en paden die hier en daar helemaal zijn verzand of anderszins onbefietsbaar. Na enkele uren zwoegen bereik ik weer een vlotte, kalkwitte weg met zicht op een van de illustere Mangistause begraafplaatsen. Nog 22 km tot de 100 km. Komaan!


Uit een auto springen de enthousiaste Muhammad en twee van zijn familieleden, waarmee ik absoluut op de foto moet. Hij vraagt of ik iets kan gebruiken: water, cola of zelfs gewoon geld. Als hij vraagt naar het aantal reisdagen, hoor ik hoe hij 95 vertaalt als ‘toksan biesj’. Dat lijkt verdacht veel op het Turkse doksan beş …
De hele dag al gapen naast de weg talloze holen in de grond, waar kleine wezens in moeten schuilgaan, die zich enkel in ritselingen laten horen. Net voor ik de grote baan vind, spot ik dan toch een schattige jerboa, een ‘kangoeroe-muis’, die met een takje in zijn bek een hol in glipt, helaas rapper dan ik naar mijn camera kan grijpen.
Natuurlijk vind ik vandaag toch al een winkel waar er geen had moeten wezen. Die 10 liter water was dus toch wat te veel van het levensnoodzakelijke. De lokale belhamels willen met me op de foto, en dat kan, maar wel in ruil voor een selfie.


Vanaf daar kan ik beginnen te zoeken naar een kampeerplek, maar waar sla je in vredesnaam je kamp op als er in de wijde omtrek nergens water of schaduw te vinden is? Op enkele honderden meters van de baan liggen poreuze rotsen die als een afdak beschutting kunnen bieden. Het is er een stal van afval en wildepaardenmest, maar daar ga ik het bijzondere bivak niet voor laten.
Als het donker is, dalen in de verte onvertakte bliksemschichten in één lijn naar beneden. Als dat onweer straks tot hier komt, zit ik veilig onder mijn natuurlijke overdekking, en dat midden in de woestijn.


10 augustus | Beki – Say-Utes
De maan staat boven de zandsteenrotsen. Enkel een verre auto of het vleugelronken van kleine kwikstaarten doorbreekt af en toe de stilte. De wolken van vannacht zijn weggedreven. De zon maakt zijn opwachting.
Als ik na 15 licht stijgende kilometers eindelijk op Shetpe kan afdalen, loopt parallel met de grote baan onverwachts een fietspad met elke 100 meter een bankje. In de winkel, waar zoals wel vaker hier de meloenen op de vloer zijn uitgestald, sla ik weer 10 liter water in. Buiten voer ik met twee koters een gesprek aan de hand van niets meer dan familienamen van Belgische voetbalinternationals. Bij ‘Lukaku’ en ‘Hazard’ gaan ze door het lint maar ‘De Bruyne’ doet gek genoeg geen belletje rinkelen. In restaurant Fast Food stomp ik rap een “pizza margherita” zonder tomatensaus binnen om dan opnieuw de wildernis in te trekken voor nog 80 km.



Net als gisteren bof ik onwaarschijnlijk met het milde weer. Er hangt na de middag weer bewolking, de temperatuur overstijgt de 35 niet te ver en de wind ís er zeker wel, maar ik kan er nog doorheen stampen. Langs de weg zag ik al een verguld standbeeld van een flamingo, een dromedaris en een geit met grote hoorns en dat schiep verwachtingen maar die grote, gouden kat is hopelijk niet ook een lokale diersoort.
Dan gaat het door een uitgestrekte vlakte waarover groen, laag struikgewas woekert, waartussen paarden, dromedarissen en zelfs wat koeien lopen te grazen. Het lukt om 28 te halen en dat is pakken meer dan ik had durven dromen. Vanop een top van slechts 300 meter kan ik onmetelijk ver uitkijken. Het is niet in te schatten om hoeveel kilometers het gaat, zo eindeloos lijkt het. Vanaf elke heuvel is het loensen over een nieuwe uitgestrekte vlakte en vanuit die vlakte opnieuw naar de volgende heuvelpartij, met weer horizontale gesteentenlagen in een ander kleurenpalet. Je moet wel helemaal van de woestijnratten besnuffeld zijn om te beweren dat hier niks te zien is.



Ik sla af, het dorp Bozdak in, op zoek naar een winkel. De vierde persoon aan wie ik het vraag, wijst naar een doodgewoon huis, helemaal in de achterhoek van het dorp. De vrouw des huizes neemt me mee naar de garage, waar het naar bedorven melk ruikt, en trekt een koelkast open waarin enkel frisdrank en bier zit. Terwijl ik het dorp verlaat, produceren dromedarissen een geburl dat het midden houdt tussen een lange boer en dramatisch geweeklaag. Als ooit de dood daar is, reïncarneer ik als dromedaris.
In de verte ligt een hele tijd een heuvelpartij met een witte voet, waarin ik ergens een schaduwplek hoop te verzilveren. Tussen de blanke wanden ligt naast de enige hoge struik in de wijde omtrek een droomlocatie voor mijn huis van groen zeil. De wind bezorgt me bij de opbouw haast een inzinking maar dan ontvouwt zich een van de mooiste taferelen waarin de tent al heeft mogen figureren.


Kwartelachtige, bruine vogeltjes die in groep kuieren, schrikken steeds weer op, als met een brommergeluid, en fladderen een stukje verder. Ik kruip de heuvel op om de plek vanop een afstand in me op te nemen en dan knalt de avondzon het wolkendek in de brand. De roodtinten van de ondergang weken een en ander los. De lucht hangt welgevuld vannacht met zuivere magie.

11 augustus | Say-Utes – Oestjoertplateau
Geluid rukt me uit mijn slaap. Regen? Er liggen nog spullen buiten. Jas aan en naar buiten. Hoe laat zou het zijn?
Als de wekker weer om 6 uur afloopt, lukt het niet. Ik zit kapot. Nog steeds met een slome slaapkop begin ik na een te lange sluimerreeks aan de dag. Ontbijten kan nog net in de schaduw.
Tussen vetplanten en over scheuren in de aardkorst sleep ik de fiets terug naar de baan voor meteen een zweterige klim van 200 meter. Ik heb nog 2,2 liter water. De eerste winkel ligt op 40 kilometer. Dat moet lukken.
Er ligt helemaal niets meer in zicht, afgezien van het asfalt voor en achter mij en rechts wat lijkt op een oude telegraaflijn. In de juiste invalshoek ziet de baan eruit als een lange, smalle spiegel of een siervijver gevuld met kwik. Als de kabels de baan oversteken, pauzeer ik in de schaduw van de palen voor een krachtreep en een cocktail van water, citroensiroop en een hydraterend poeder dat ze me in de Aqtause apotheek aanbevalen. Het symmetrische beeld van de lijnen die in het vluchtpunt verdwijnen, had ik al op meerdere blogs zien passeren, dus ik wandel een stuk de kant in voor mijn eigen versie van het plaatje.

Om bij de bevoorradingspost te komen moet ik 2 km van de baan af tot het midden van een dorp. Door die afslag van 90 graden merk ik pas hoeveel wind er echt staat vandaag, ze waait gewoon de hele tijd in mijn zij en zelfs een ietsiepietsie langs achteren en daarom gaat het zo vlot tot nu toe. Terwijl ik op het dorp afbeuk, gaat het laatste water eraan. Als die magazin zo meteen niet bestaat, ben ik de sigaar.
Say-Utes viert dit jaar zijn zestigjarige bestaan. Ik kan me alleen maar afvragen waarom het hier in de eerste plaats werd gebouwd. In de winkel leg ik als een kip zonder kop alles op de toonbank. De winkeldame blijft er heel rustig en behulpzaam onder. Er ligt een onverwacht gevarieerd groenteaanbod en er lonken onweerstaanbare druiven.
Da Kazachen zijn een heel sociaal volk. Ze spreken je spontaan aan en schudden je daarbij meteen de hand. Ook de vrouwen stellen mij, een Europese man, geïnteresseerd vragen, wat heel anders is dan in Turkije. Met een groepje mannen spreek ik buiten de winkel een mix van Turks, Russisch, Engels en Translate. ‘Van welk jaar ben je?’, vraagt er een. Da’s een makkelijke. ‘toksan biesj!’


Door een oneindig niets tracht ik standvastig 28 te trappen. Als ik op drie uur nog 80 km kan rijden, zal mijn dag volmaakt zijn. Net als het 30 gaat, slaat de wind over, als bij toverslag, van te rug naar te voren. Ik val op enkele tellen terug tot 20, maar even later gaat het alweer vooruit. Het kan hier alle kanten uitslaan met de wind, de onzichtbare vijand, of vriend.
Af en toe passeer ik een afrit en kijk ik telkens, in een reflex, links en rechts of niemand me gaat doodrijden. Het is nergens voor nodig. Het zijn stukjes asfalt die 20 meter de woestijn in lopen en dan oplossen in een haast onherkenbaar zandpad dat God-weet-waarnaartoe loopt. Elke zoveel kilometer ligt er een aire met een openbaar toilet – een gratis gat in de grond – en vaak ook een kleine helling om in geval van pech de onderkant van een auto te inspecteren.


Op het tegengestelde pechstrookje doemt er een gele vlek op. De Spaanse Francisco is onderweg naar huis. Hij komt zo maar eventjes van Australië, waar hij naartoe gevlogen is vanuit Japan, waar hij in de eerste plaats ook gewoon naartoe gefietst is. ‘Ik voel me al zo dicht bij huis’, zegt hij, ‘nog maar drie maanden’. Of hoe het allemaal maar relatief is.
Zodra het kilometerdoel is gehaald, scan ik voortdurend de omgeving op zoek naar … iets. Een heuvel, een muur, een kleine verheffing, iets waarachter ik de tent en mezelf ongezien een veilige kampeerplek voor de nacht kan bieden. Om 19 uur moet ik stoppen en desnoods enkele honderden meters de vlakte in wandelen. Die deadline is nodig, of ik zou blijven zoeken. Vier minuten voor tijd zie ik een zandberg liggen. Die wordt het dus.

In de ondergaande zon piepen en woelen de gerbils rond mijn kamp. Schaduw zal hier niet veel zijn morgen, maar boven op het onnozele bergje heb ik wel internetontvangst, terwijl dat op de grond niet het geval is. In het heldere, witte maanlicht moeten de truckers me zien zitten op mijn aarden troon, maar in dit land vinden de inwoners het helemaal prima dat je in de betoverende natuur overnacht.



12 augustus | Oestjoertplateau – Beyneu
De heuvel van grond biedt schaduw tot 7 uur precies. De buitentent span ik van het tentdak naar de bergtop om een shelter op te zetten. Het hoeft eigenlijk niet. ‘s Ochtends is het verrassend fris in de woestijn.
Op 12 km ligt al de afslag naar een winkel, maar het is 10 km heen en terug. In mijn flessen zit ongeveer 3,5 liter water. Tot de stad Beyneu was het 100 km. Meer dan 20 per uur trappen moet lukken vandaag. Cijfertjes dansen door mijn geest. Ik beslis het erop te wagen. Als ik van de dorst neerzijg, drenkt een van de hartelijke Kazachen me vast wel. In de schaduw van een bushok ontmoet ik er al een die bovengemiddeld Engels spreekt. Als ik doorrijd, stopt hij me zomaar 4000 tenge toe. Mijn Vlaamsheid weigert het aanbod stellig maar zijn Kazachse hulpdrang is vele malen sterker. Hij wil dat ik er iets te eten mee koop.


Het is niet te geloven hoeveel dode vossen er op de pechstrook liggen. Kilometers lang ligt er zeker elke honderd meter een rosbruin tapijtje. Er loopt dan één weg door deze vlakte en toch slagen die roekeloze rekels er in groten getale in om op het verkeerde moment over te steken.
Terwijl ik nog een halve dag te gaan heb tot de stad, blik ik al terug op een magnifieke tijd in Mangistau. Het is vreemd dat veel voorgangers adviseren om dit deel over te slaan per trein. Voor mij is het het toverachtigste en meest begeesterende stuk van de reis tot nog toe. Er zijn wel hele stukken waar weinig te bewonderen valt, waar de baan een oneindigheid rechtdoor loopt tot de horizont, maar dat heeft ook zijn voordelen. Je kan eindelijk een keer in gedachten verzinken zonder dat je moet opletten voor afslagen, angstaanjagend verkeer of andere gekke dingen. Het is wegdromen en kilometers malen en het is genieten. Al hoort daarbij wel de kanttekening dat ik onwaarschijnlijk veel geluk heb met weer en wind op deze vierdaagse. In andere omstandigheden zal het hier de hel zijn.
Onder een schaduwtent verkoopt een vriendelijke, eenogige man drie soorten meloenen. ‘Heb je water?’, vraag ik in het Turks. ‘Dat heb ik’ antwoordt hij, orenschijnlijk ook in het Turks. Kazachs is een Turkse taal en vooralsnog had ik er nog niet heel veel succes mee, maar om iets zo vitaal als water te vragen werkt het gelukkig dus wel.
De meloenenman kapt drinkwater over in mijn lege fles en wil er geen geld voor hebben. Hij biedt me natuurlijk een spie van de grote vrucht aan, maar wie mij goed kent, weet dat ik na 12 jaar principiële vleesonthouding nog eerder een complete côte à l’os zal verorberen dan één schepbolletje cantaloupe. Onder de tent mag ik mijn stoel opzetten en lunchen. Ik bied ook wat van mijn eten aan maar volkorencrackers en groentespread staan mogelijk niet op ’s mans dieet.
Hij heeft niet slecht te doen vandaag. Op het halfuur dat ik in zijn schaduwpaleisje vertoef, stoppen er drie truckers en een wagen met twee mannen in. De camionneurs keuren een meloen grondig voor ze die kopen door erop te slaan, te luisteren en, ik zou bijna zeggen, ertegen te praten. De hond ligt bewegingsloos te hijgen in de schaduw. Twee mannen kijken stomverbaasd toe als ik mijn campingstoel in het zakje prop met die jongensachtige blik van ‘dat moet ik ook hebben’.

Op 11 km zie ik Beyneu al liggen en dat heeft weinig te maken met de omvang van de stad, meer met het nietsverhullende landschap. Voor het eerst zie ik iets dat gelijkt op een akker met een gewas erop. Hoe je dat in leven houdt in deze omstandigheden, wil ik niet weten.
Rechthoekige gebouwen staan ver uit elkaar en dragen metalen daken in bruin, bordeaux en tinten blauw van lazuli tot turkoois. Met hun trapezoïde daken lijken ze van in de verte wel op joerts. De nutsvoorzieningen lopen door een gele pijpleiding die bij de toegangspoort van elke woning even op-en-neer knikt en zo een uniek straatbeeld creëert. Beyneu is oogverblindend, door het stof en door de zon. De stad zelf is spuuglelijk.
De magazins rij ik voorbij want ik rep me naar het station voor informatie over de treinen, online niet te achterhalen. Ik bemachtig een ticket voor die van morgen en besef op dat moment nog niet hoeveel geluk ik daarmee heb. De normale grenspost is gesloten vanwege de aanleg van een nieuwe weg. Enkel met de trein kan je vanaf hier nog naar Oezbekistan, waardoor tickets snel uitverkopen. Mijn plan is om bij de eerste halte, 100 km verder, af te stappen en per fiets de Oezbeekse woestenij in te trekken. Maar eerst … op hotel! Eens grondig dat stof en zand eraf schrobben.
Stay awhile ‘til the city is a desert / she’s been looking for the treasure / in my eyes



13 augustus | Beyneu – Karakalpakya (Oezbekistan) (trein)
In Beyneu ontmoet ik twee toffe Brusseleirs met hetzelfde treinplan. Om 16:26 uur zou de trein vertrekken maar ik moest er staan om 15:00 uur, had de lokettiste gisteren gezegd. Goed dat ik haar advies heb opgevolgd want de reeks paspoortcontroles houdt maar niet op. Op aanmaning van 5 verschillende uniformen sleuren we de fietsen de trein op, eraf, weer erop en dan weer eraf. Iedereen spreekt elkaar tegen en hoewel de fiets-chatgroepen vol staan met gelijkaardige getuigenissen, lijkt het of alle treinmedewerkers de fietshindernis vandaag voor de eerste keer onder ogen zien.
We worden door de douaniers op de vingers getikt omdat we onze bagage aan boord hebben gebracht vóór de controle. Bij die bagagecheck, waarvoor we tientallen minuten staan te wachten op het zonovergoten perron, kijken de douaniers uiteindelijk maar rap eventjes met een scheef oog, terwijl wij zelf de bovenste spullen uit de tassen moeten nemen. Die kilo coke zit natuurlijk gewoon verstopt onder mijn fietshelm.

Dan moeten we nog met onze zweetkop op de foto, gezeten op een treinbankje, tussen houtwerk en tapijten. Na vertrek verdwijnt ons paspoort alweer voor een halfuur voor de zoveelste controle. Intussen maak ik me er al geen zorgen meer om, het komt wel terug. De aandacht voor de turist is veel groter dan voor alle Kazachen, Oezbeken en Tadzjieken die richting Doesjanbe sporen.
In de gang waar mijn fiets staat, zet ik mijn eigen stoel op, in de sigaretten- en wc-lucht en het ijzeren treingebulder, terwijl ik geen seconde alleen gelaten wordt door geïnteresseerde reizigers. De 13 conducteurs zien er geen graten in dat ik half in de doorgang zit, maar een fiets die een centimeter verkeerd staat, ho maar.


Van de trein komen heeft nog meer voeten in de aarde dan erop. Nu is het aan de Oezbeken om ons te controleren. Wachten, paspoort, wachten, bagage, wachten, paspoort, wachten, ondervraging, … . Ze willen weten of ik tablet heb, waarop ik diep in mijn zak graaf en na veel wroeten een iPad tevoorschijn tover. ‘Njet, njet, da’s een plansjet! Tablet!’ Of ik pillen bijheb dus. Dom van me. Verder zijn ze vooral op zoek naar drones, verboden speelgoed in dit land. Tussen de strenge bevelen door kan er bij de Oezbeekse douaniers gelukkig wel een lach van af.
Na anderhalf uur stilstaan in het station van Karakalpakya krijgen we ons paspoort terug en fietsen we met z’n drieën in het laatste daglicht tot bij een ‘hotel’ dat langs de oude weg lag en wellicht daarom permanent gesloten lijkt. Niet veel verder zit wel een chaihana, een theehuis, waar ze ons nog iets kunnen voorschotelen en op een tapijt drie dunne matrassen uitrollen. De douche bestaat uit een pot koud en een ketel warm water, plus een emmer en een schepje. Een tafelgaste is bereid om valuta uit te wisselen en de aimabele trucker Muhammad contactgegevens en woordenschat. Van alle namen in de wereld draagt zijn camion toevallig dezelfde als ik. Daar is magie mee gemoeid.


2 reacties op “18. Magisch Mangistau”
Een beetje laat, maar nog gefeliciteerd met je “100 dagen”! Weer genoten van dit nieuwe hoofdstuk. Ik prijs me gelukkig dat ik de tijd heb om er aandachtig in te duiken 😉 én tegelijkertijd mijn erbarmelijke Aardrijkskunde bij te spijkeren.
Veel groeten, Kristel
LikeGeliked door 1 persoon
4 stoere bengels op 1 foto!!! Heerlijk verslag, magisch om te lezen x
LikeGeliked door 1 persoon