Assalawma áleykum!
In het westen van Oezbekistan ligt Karakalpakstan, een autonome republiek bewoond door de Karakalpaken, een volk dat qua uiterlijk, taaltje en gastvriendelijkheid verdacht veel gelijkt op de Kazachen. Hun laaggelegen land, een kunstgreep van de Sovjets, is een artistiek unicum en herbergt ‘een landschap waarin het vuur van kleuren weerklinkt’, aldus ene Esenin.
Vanaf het woestijndorp Karakalpakya lag de baan kaarsrecht klaar zuid-oostwaarts. Op het ritme van de wind lukte het om over het vlakke land dagelijks grote afstanden af te leggen, in gezelschap en alleen. Door de woestijn en artificiële oases ging het in één rechte lijn tot de grens van het eigenlijke Oezbekistan.
14 augustus | Karakalpakya – Jasliq
Fris als een zandhoentje ontwaak ik naast mijn twee nieuwe, Brusselse kameraads, Henry et JB. Voor vertrek willen we met z’n drieën op de foto maar het is hilarisch moeilijk om dat klaar te spelen zonder photobombende Oezbeek. Vanaf ons theehuis draaien we recht de E40 op. Jawel, dé E40, diezelfde die door ons Belgenlandje meandert maar hier in één rechte lijn het land doorkruist. Voor mij is het dag 100, voor de ingevlogen JB dag 1.
We hebben vandaag weer ‘oerenchance met dat weer. Er hangt wat vitrage tussen ons en de zon en bovendien waait de wind oerend hard en pal in onze rug. Het enthousiasme is groot. We zoemen over een strakke grijze baan vol dwarse inkepingen. Als er zoiets bestaat als fluisterasfalt dan is dit brulbeton.
Doordat de grenspost achter ons gesloten is voor gewoon verkeer, haalt bijna niemand ons in en kunnen we veilig met z’n drieën naast elkaar fietsen. Boven de oneindige baan zeilt een vloot van duizenden witte schuiten ontzagwekkend door het zwerk.


Als ik mijn stuurtas openflip, waait er een plastic zakje uit, dat vliegensvlug over de baan stuift en dan, even snel als wij, door de prairie buitelt. Uiteindelijk zet ik het op een lopen, waarop het zwerfvuil net vast komt te zitten en ik het te pakken krijg. Oef, geen ongerepte natuur vervuild!

De volgende nederzetting, Jasliq, ligt op 140 km. Normaal of met tegenwind zou dat een uitdaging vormen, maar vandaag wordt het een fluitje van een cent. Als schooljongens testen we tegen elkaar op hoe hard we kunnen. Op 47 km/u moet ik de duimen leggen want zelfs op de zwaarste vitesse draait de crank dan als een mallemolen. Henry legt de lat op 50 maar JB wipt er vlotjes overheen met zijn lichtere gravel setup.
Na 2 uur bereiken we al de eerste en enige stop van de dag in de vorm van een container bezet met valse bakstenen. De wind blaast alles omver en vol zand maar verwijten slingeren naar de wind zou vandaag ongepast zijn, en gevaarlijk. Plassen is nog gevaarlijker. Water bijtanken hoeft niet, aan dit tempo staan we op nog eens 3 uur al op de eindbestemming. ‘Waar mag het afval?’ vraagt Henry aan de winkeldame. ‘Hop’, gebaart ze, ‘gooi maar de lucht in, dan regelt de wind het wel’. En ik maar achter plastieken zakskes crossen …

Na een fotopauze gaan we tegenwindfietsen. Het zou maar mogelijk zijn om 8 à 9 km/u aan te houden en je zou je zo in geen tijd leeg trappen. Na het maximum verifiëren we de minimumsnelheid. We richten de blik opnieuw op het oosten, heffen de voeten op de pedalen en vertrekken zonder trappen. We geloven de kilometrique niet maar luttele tellen later zeilen we 30, puur op de wind. Wegenwerkers, die we af en toe passeren en maar wat staan te schoffelen en schaffelen, roepen ‘foto, foto’, dus wij gaan met ze op de foto.

Na nog geen 5 uur zadeltijd zitten de 140 kilometers erop. We botsen Jasliq binnen over een betonnenplatenweg, vreten ijs en druiven en zetten ons op het eerste terras voorbij de Kaspische Zee. Salade en brood zijn mijn enige optie, de kets krijgen samsa’s, ovengebakken deegwaren gevuld met aardappelen en vlees. We houden nog een fotoshoot met twee poserende dromedarissen en een afgezonderd kalf en rijden naar het enige hostel, dat meer wegheeft van een lamentabel motel. Ze willen eerst 45 Amerikaanse dollar, een gegeerde munt, maar daarop kan Henry binnen enkele seconden afdingen tot 20, zo maar even 245000 Oezbeekse sum.
Dag 100, dat moest gevierd, en putain, met wat een topdag!
15 augustus | Jasliq – Kungrad
Het cafeetje is dicht, dus de dag start met ontbijt op bed in het 5-sterrenhotel Alyan. Eén ster voor het badkamertje zonder wc-papier maar mét weeë sigarettengeur en drijvende peuk in de pot. Eén ster voor de kaakschaatsende kennis van de uitbaters die constant haastig in en rond het hostel holt. Eén ster voor de hondendrol precies in het midden van de kelim in de inkomruimte. Eén ster voor datzelfde tapijt en de talloze plantenstekels die erin verstrikt zitten en die Henry drie lekkages bezorgen en mijn voorband één. Eén ster voor de bedden, beenhard en lakenloos. En tenslotte één ster voor de smaakloze kom groentesoep met de homp vlees erin waarvoor ze ons veel te veel sum probeerden aan te rekenen. Verhip, het was een 6-sterrenhotel! Dan was die $45 toch terecht.
Maar goed, ik heb lekker geslapen en dat is het voornaamste, want vandaag wil ik een record breken. Ik sla de A380 op, a.k.a. de E40, met wat minder rugwind dan gisteren. De gps meldt ‘105 km rechtdoor’. Op 71 km zal de baan straks wat naar rechts buigen, toont de kaart. Spannend!


De twee Brusselse copains waren fijne compagnie maar ik zei ze vanochtend au revoir want ik wil er dagelijks nog iets meer kilometers in krijgen. Als de wind weer draaft zoals gisteren, wil ik er ten volle van profiteren. Zij zullen bij de volgende stad links afslaan om het botenkerkhof bij het haast verdwenen meer van Aral te bezoeken, maar ik vervolg de lijn rechtdoor, zo snel mogelijk die woestijn uit.
Vandaag zijn er geen winkeltjes dus zoek ik naar een plek in de schaduw van een van de weinige manshoge struiken waartussen zanderige tornado’s tollen. Het is maar een halfwoestijn, ziet u. Terwijl ik brood insmeer met blikpaddenstoelenpaté uit Aqtau, lijkt het bij momenten windstil.

De nieuwe weg houdt op, loopt over in asfalt vol bulten, kuilen en inslijtingen van het jarenlange vrachtverkeer. Voor het eerste dorp, Qirqqiz, op 110 km, ligt een afslag. Links kan ik benoorden een grote gasfabriek met gunstigere wind naar Kungrad rollen. Als ik rechts aanhoudt, kan ik iets te drinken en eten kopen. Omdat er nog mondvoorraad is, sla ik links af op een weg omzoomd met groene schaduwschermen. Zoveel bomen heb ik in geen tijden meer gezien. Bij een barricade houdt de security me staande. De kranige kerels in kaki zijn best beleefd en verstaan mijn mondje Turks verrassend goed. Ze tonen belangstelling in mijn reis en gieten mijn bidons vol drinkwater, maar doorrijden mag niet. Tegen de wind op stamp ik terug naar de hoofdweg. Dan toch maar naar rechts.
In de verte liggen de restanten van wat ooit een meer moet zijn geweest. Vanaf de baan is het moeilijk te zien, maar er lijkt enkel een zoutvlakte overgebleven tussen steile wanden. Wellicht is het door mensenhanden drooggelegd voor industrie of katoenbouw, net als het ooit zo imposante Aralmeer. Voor even probeer ik de oude baan, die hier naast de nieuwe loopt, content dat ik vandaag een effener pad kan berijden. Nadat ik met een grote ommezwaai de bocht om het voormalige meer volmaak, gaat het terug tegen de 30 op een lichte rugwind. Vanuit een samengeperst Damas-busje roept een oudere man ‘Helloooo, hoooow aaarrreee youuuu?!’. De Karakalpaken zijn al net zo bemoedigend als de Kazachen.



Op 5 km van Kungrad verschijnt er een landschap van bomen, struiken en grassen. De overgang is onwaarschijnlijk plots. De begraafplaats buiten de stad maakt met al haar bruine tombetjes en torens met ajuinvormige mogol-daken een grote indruk. Dan rij ik door riet en paars-groene struiken en over een rivier. De overmaat aan water en groen voelt als een overrompeling.
In de stad is naar verwachting niet veel te bezoeken, behalve dan een goedgevulde supermarkt. De hele tijd heb ik me mentaal en praktisch ingesteld op een woestijn. Nu weet ik opeens niet meer waarnaartoe. Naast een zandweg tussen de katoenvelden, bij het getsjirp van krekels, tref ik uiteindelijk een schaduwplek onder enkele dikke wilgen, in het gezelschap van een koe en haar kalf. De zon zinkt weg achter het groen en moe maar voldaan zet ik me neer, zo content als wat, want het vorige afstandsrecord is verpulverd met potjandorie 190 kilometer. Dat ga ik niet meer overtreffen.



16 augustus | Kungrad – Nukus
Het losse tentzeil klappert me wakker. Terwijl ik in het donker de piketten hersteek en de stormkoorden span, hangt er al een oranje gloed in het noordoosten. De wind mag blazen zo hard ze wil vandaag, zolang ze die koers maar aanhoudt.

Ze gaat weer liggen maar keert terug bij het ontbijt. Ik heb er zin in, ze staat juist. Koeien en geiten lopen vrij door de weiden. Op de baan is het al een stuk drukker dan de voorbije dagen, maar er is een strook van een halve meter om rechts te houden. Het landschap van struiken kleurt paars door de alomtegenwoordige tamarisk.
De tocht van gisteren zindert nog na in de benen dus vandaag sportel ik wat rustiger aan. Het is 100 km tot Nukus maar met de wind in de rug zullen die er zo door vliegen. Ik probeer een soort helva, snoep dat ik gisteren kocht omdat het er goed krachtvoer uitzag. Het blijken slechts enkele nootjes, verzonken in een bruine suikermassa. Langs de baan fietsen ook de Karakalpaken, al dan niet met landbouwwerktuigen in de hand, tegen of met de richting. Er lopen ook groepen vrouwen, elk in een andere kleurrijke jurk en met een doek strak boven op het hoofd gebonden.


Terwijl ik in de schaduw van een bushalte brood met pikante adzjika besmeer, stopt er een marsjroetka, een van die smalle Daewoo Damas-busjes, die dienen als openbaar vervoer. De chauffeur wil me resoluut een fles water schenken maar omdat ik al genoeg kilo’s voortduw, weiger ik. Na vijf keer proberen geeft hij pas op.
Op een manier is het landschap van riet, katoenvelden, wilgen, olmen en koeien langs de kaarsrechte baan vol Chevrolets en met een doorlopende middenscheiding van spierwitte jerseys eentoniger dan de woestijn. Speciaal voor dit deel van de reis heb ik de metafoor van het biljartlaken opgespaard. Dat het hier nu ook nog onverwacht groen is, doet de vergelijking helemaal kloppen. In 3 dagen zitten er opgeteld 280 hoogtemeters, waar er voorheen lange tijd zeker 1000 in elke rit zaten. Al zouden er vandaag misschien wat bij komen als automatisch alle bulten en kuilen werden meegerekend. Desondanks gaat het redelijk vooruit want de wind is mijn nieuwe beste vriend. Het spijt me voor alle lelijke dingen die ik tegen je heb geroepen in Turkije en Georgië, windje.


Bij het binnenrijden van Xojeli staan langs de baan wel twintig meloenstalletjes. Waar die miljoenen meloenen vandaan komen, is onduidelijk. Het is er stevig opletten tussen al het drukke verkeer en het getoeter, waarvan zeker de helft voor mij bestemd is.
De voorstad gaat over in de grote stad Nukus, of Nókis, waar ik vlot mijn weg doorheen vind tot aan het rustig gelegen gastenverblijf. Morgen zal ik hier lustig verpozen, want de benen, die smeken erom.


17 augustus | Nukus
De grote stad Nukus, gelegen in het artificiële groene deel van Karakalpakstan, biedt weinig bezienswaardigs. Behalve dan één museum. Op de nalatenschap van Igor Savitsky is er midden in de stad een buitengewoon centrum gebouwd in het teken van Russische avant-gardeschilderkunst.
Het is een openbaring. Naast enkele doeken van Kandinsky hangen er meesters waarvan ik amper of nog nooit had gehoord: Gregoryev, Volkov, Tansiqbaev, Kurzin, Redko, Lysenko, Ufimtszev, Kudryashov, Kovalevskaya, de verzamelaar Savitsky zelf en de weergaloze verfvirtuoos Nikolaey Karakhan. In die laatste ontdek ik mijn nieuwe favoriete schilder. Zijn doeken lijken het product van een ander universum, een waarin een nog getalenteerdere Cézanne niet in Frankrijk maar in Centraal-Azië zijn leven sleet.
Als u ook maar iets voelt voor schilderkunst en ooit twee uur over heeft in de buurt van Nukus, bezoek dan het Savitsky-museum. Het is een wonder, een fata morgana, een Oezbeeks Orsay tussen twee woestijnen.


18 augustus | Nukus – Gurlan
Doordat ik achterloop met de blog werd het gisteren te laat en zo vertrek ik pas tegen elven uit Nukus. Tussen de Chevy’s en de Damas’kes vind ik een weg uit de honderdduizendenstad. Onderweg spot ik nog een paar oude mozaïeken op de zijgevel van twee sovjetblokken. Hoewel de ruimtelijke ordening hier weinig kunstzinnigheid verraadt, is er af en toe een parel te ontdekken.



Het duurt niet lang of ik fiets weer door hetzelfde woestijnlandschap als voor Kungrad. Een enorme watervoorraad is dit keer niet nodig. Als het goed is, zouden hier meer winkeltjes moeten zitten. Na nog geen 10 km word ik een nieuw technisch mankement gewaar. Het crankstel kwakkelt, zij het nog weinig, en dat belooft niet veel goeds. De wetenschap dat het nog honderden kilometers is tot de volgende voorziene fietsenmaker slaat een deuk in mijn humeur.
Voorbij de top van een heuvel volgt een vreemd uitzicht. De baan loopt rechtdoor door een woestijnlandschap, rechts ligt een tapijt van groen waarop metalen daken in de zon blinken. De verklaring zit in de breedvoerige Amu Darja die daarachter stroomt maar die van hier niet te zien is.

Na 50 km woestijn wijk ik af naar het groen via een blauwe brug over de schier bewegingsloze Amu Darja. Een brugwachter met een machinegeweer om de schouder roept ‘kuda, kuda?’, één Russisch woord dat je hier vaker hoort en dat zoveel betekent als ‘waar ga je naartoe?’. Als ze atkuda roepen is het waarvandaan.

Bij een moskee sla ik af voor een lunchplek aan het water, maar in het bebouwde gebied is het moeilijk om daar te komen. Sommige van de huizen zijn neergezet met aarden muren en een simpel gebinte van sjorpalen. Er praalt gek genoeg ook een mini-mausoleum met een afdak waaronder wat gewenste schaduw valt.
De kinderen zijn hier niet bang van vreemdelingen. Ze komen allemaal vragen stellen, de fiets aanraken of gewoon wat naar me kijken. Mijn hoofd staat niet helemaal in entertainment-modus, dus een heel plezante toerist ben ik helaas niet voor ze vandaag.


De speling bij het trappen valt niet meer te negeren. In de schaduw van een dreef inspecteer ik nogmaals de fiets. Nog geen 5 seconden sta ik stil of er stopt al een trucker die met me op beeld wil en alvast begint te filmen. Bloedslechtgezind lukt het me niet om een glimlach op te zetten en ik vraag hem om te stoppen. Zo moet het dus ongeveer zijn om als bekendheid voor de miljoenste keer met een fan op de foto te moeten terwijl je een rotdag hebt.
Het probleem zit in de trapas. Er zit niet veel anders op dan door te rijden en hopen dat die wentelaar het volhoudt tot de volgende heel grote stad. Twee afzonderlijke chauffeurs stoppen en raden me af de dreef te vervolgen. Ik grom en luister dan toch maar. Wat mijn dag nu nog kan redden, zijn 75 bijkomende kilometers in 2,5 uur. Over dit pannenkoeklandschap zou dat moeten lukken.
Een chauffeur roept ‘Hello, I’m English teacher! Please stop!’ Ik was er al helemaal klaar mee om af te stappen voor elke Oezbeek die dat vraagt, maar taalleerkrachten gelden als een uitzondering op de regel. Kinderen uit het vorige dorp hebben hem gewaarschuwd dat er een toerist is gepasseerd en hij moet dan als een gek in de Damas zijn gesprongen. De man komt amper uit zijn woorden maar het is wel lovenswaardig dat hij met zo veel overgave aan zijn Engels wil schaven. Hij wil een video maken voor in de les maar ik hou het liever bij een stemopname. Luisteroefeningen, daar houden studenten van.
De hoeveelheid inwoners die hier per minuut naar me toeteren, roepen, zwaaien en fluiten, ligt hoger dan eender waar. Uit haast elke voorbijrazende auto worden – ik vermoed – aanmoedigingen geschreeuwd.
Op bijna 100 km rij ik onder een sierboog door met op de achterkant in grote letters Qoraqalpogiston. Op spelling zijn in dit deel van de wereld geen pijlen te trekken. Niet alleen worden cyrillisch en Latijns schrift door elkaar gebruikt voor zowel Oezbeeks als Karakalpaaks, binnen die systemen lees je dezelfde woorden ook in eindeloze variaties. Gisteren was het nog Chaihana, vandaag Coyxona en het zal me niet verbazen als ik morgen frisdrank koop in een Jeykhena. De officiële accenten worden amper toegepast en in plaats daarvan rommelt iedereen maar verder met knullige apostrofs tussen de letters in. Voor de plaatsnamen betekent het dat je je koppie erbij moet houden of je zou op weg naar Kungrad zo nog Qo’ng’irot voorbijrijden.
Voorbij Gurlan wil ik enkel nog zo snel mogelijk een bivakplek vinden en met rust gelaten worden. Een scooterrijder komt wat tegen me wauwelen en als ik stop om de weg te vinden, neemt hij zonder vragen al selfies met zijn kleinkind en mij er bij op. Langs de oever kan ik tussen de rijstvelden maar geen afgezonderde plek vinden. Elke keer staat er al een auto geparkeerd. Aan de bomen hangt een wit soort pluis dat in een nauwe doorgang wel een winterwonderland lijkt te scheppen. Na veel te lang zoeken zet ik me in het laatste licht dan toch maar naast een auto op de beenharde bodem.
Vandaag was een baaldag. Als je zo lang gaat fietsen, horen die er natuurlijk ook bij. Op een mineurtoon wil ik het hoofdstuk niet eindigen, want ik heb ook enkele heel fijne dagen achter de rug. Vandaag zag ik bovendien weer meer dan 130 km van een geheel ander Karakalpakië, een land waarvan ik voor deze reis nog niet eens had gehoord. En vanaf morgen ontvouwt zich in oostelijk Oezbekistan vast weer een nieuw interessant hoofdstuk voor Ventsi en mij, ook als het even moeilijk gaat. De wind zal ons wel dragen.









Eén reactie op “19. Karakalpakstan”
Ik hoop dat de trapas het houdt gassie. Success!
LikeGeliked door 1 persoon