20. Oezbekistan

19-26 augustus | dag 105-112

Salom!

WAARSCHUWING: Dit stuk bevat een goedgevuld potje gezaag. Het leven van een fietsreiziger rolt niet steeds over rozen, en maar goed ook, met al die scherpe doornen.

In Oezbekistan stelden de fietsreisgoden me af en toe op de proef, zowel in de steden en de woestijnen als in mijn dolgetrapte kop. De Oezbeken zijn een hyperenthousiast volk en hun aandacht is soms wat overweldigend. In het gezelschap van een oersaai wagenpark volgden er 6 stevige fietsdagen over de zijderoute, van het midden van het land tot aan het Registan in Samarkand.

19 augustus | Gurlan – Miskin

De eerste uitdaging is wegkomen uit de doolhof van zandwegen tussen de rijstvelden. Het signaal valt weg en een uitweg uitstippelen lukt niet. Ik kom vast te zitten bij een diepe gracht maar gelukkig ligt er een in mekaar gespijkerd bruggetje van verrassend stevig natuurhout.

Langs de drukke, verweerde baan naar Urganch staan kraampjes met meloenen of een tandur, een lage aarden oven waarin, geplakt tegen de wand, brood en gevulde deegwaren worden gebakken. Als ik me in de stad neerzet voor plov, ofwel rijst met wortel en lamsvlees, lukt het al om het ongewenste ingrediënt eruit te laten.

Veel Oezbeken fietsen naast de baan met een grote lading achterop of over het kader gebalanceerd. Eén man breekt het wereldrecord vrachtvolume per vélo. In de steden ligt langs de grotere wegen vaak een fietspad, soms zelfs wat lichtroze zoals bij ons.

Hoewel ik door de groene ader van de Amu Darja fiets, is de lucht verzadigd van stof. Mijn keel moet permanent gesmeerd. Als na Xonqa de weg er opgebroken bij ligt, wordt het helemaal een stofnest.

Het groene deel van Oezbekistan was een welkome afwisseling na de tijd in de woestijn, maar gek genoeg verlang ik nu alweer naar de droge wildernis. Hier zijn dan wel bomen en schaduw, maar doordat dit land zo plat is, krijg je maar zelden een uitzicht, tenzij over wat rijstvelden, maïs of katoen. De wegen zijn slecht, druk en volgebouwd en doordat iedereen me staande houdt voor een foto, schiet het ook niet op. Ik sla af, verruil bewust het groen voor bruin en geel. Over een hobbelige bommelbaan richting de rivier word ik langs alle kanten door elkaar gerammeld.

Het geroep is ook vandaag weer luid aanwezig. Hilarisch is het wanneer ze niet Salom! of Hello! roepen maar droogweg turist!. Veel woorden Engels spreekt de gemiddelde Oezbeek niet, maar dat ontzielde How are you? kennen vreemd genoeg zelfs de jongsten hier. De prijs voor de grappigste begroeting gaat naar de tegenliggende chauffeur, net voor de rivier, die uit zijn raam niets anders brult dan de woorden ‘MY NAME IS JAMSHI!’. Er ligt geen brug maar eerder een tijdelijk uitziende oversteek geknutseld van bejaarde ponten.

Bij een ijs-en-druivenstop herhaalt zich een vreemd fenomeen. Eerst neemt de kassabediende je kaart af om die te inspecteren en in een van de vier machientjes te stoppen. Vervolgens vraagt die kod?. Je pincode zou je dan hardop moeten zeggen, al staan er vijf klanten achter je mee te luisteren. Hoewel ik die winkeliers wel vertrouw, gaat het in tegen al wat ik rond veiligheid gewend ben. Zelfs als ik de code intik, kijken ze van dichtbij op mijn vingers.

Voor ik het besef, bol ik weer door een dor struikjeslandschap, terwijl de zon achter me nederdaalt. Te midden het niets sla ik een haast onbestaande weg op waarop ik meteen zacht ten val kom in het mulle zand. Het is een tijdrovend karwei om de fiets het kleine bergje op te duwen maar boven ligt er een topuitzicht klaar. Morgen zal ik me de afdaling ongetwijfeld beklagen, maar in de ondergaande zon ziet de lagergelegen, droge zijarm van de Amu Darja er onweerstaanbaar uit als bivakplek. Daar in mijn eentje voel ik me veilig en vredig en boven mijn hoofd flonkeren de sterren ontelbaar.

20 augustus | Miskin – Kyzylkum

Achter mijn struik hurk en kruip ik nog zo lang mogelijk in de schaduw maar dan moet in de hete zon mijn fiets van tussen die scherpe planten getild. En dan die zandberg op. Het is alsof ik een volgepakte ar een duin op sleep. Na 10 minuten reistijd sta ik boven, badend in het zweet.

Vandaag is het eerste rechts en vervolgens 320 km rechtdoor tot de historische stad Buchara. Doorheen de Kyzylkumwoestijn is het minder rekenen met de voorraden. In het eerste winkeltje zit net een viertal Italiaanse dames en ze hebben de lokale gewoontes al overgenomen want ze willen met me op de foto. Dan arriveren er nog toeristenbusjes, waaruit hele gezinnen stappen. De vrouwen hebben dikke lippen en lopen met een glimmende sacoche om hun schouder en hun kin in de lucht. Hun mannen dragen polo’s met logo’s boven ongesokte voeten in moccasins. Ze staren me van kop tot teen aan van achter een aviator-zonnebril, maar stellen geen vragen. Het is niet het slag toeristen dat ik in deze woestijn verwacht had. Al stappen ze natuurlijk zo weer de koelwagen in, voor de make-up begint uit te lopen.

De eerste 60 km hupt de baan wat op-en-neer over opvallend regelmatige glooiingen. Vanop de toppen is er zicht over een gigantisch bruin laken bezet met grijsgroene stiksels. Een chauffeur komt naast me rijden, al met een fles water in de aanslag. Vanaf de laatste heuveltop ligt de baan tientallen kilometers te blinken, als een strakke lijn naar de einder.

Bij een tankstation vind ik een bank in de schaduw en vettige deeghapjes, voor een keer niet gevuld met vlees maar wel met aardappel en ajuin. De zon jaagt me van de bank af en dat is oké, ik rij best vlug door als ik mijn doel vandaag wil halen.

Kyzylkum zou rood zand betekenen maar de woestijn ziet toch eerder tierenteynmosterdgeel of soldatenkoekenbruin, al weet ik niet of ze dat hier kennen. Het landschap is monotoner dan een belsignaal maar dat schept mentale ruimte. Woestijnfietsen is als meditatie, heilzaam voor hart en hoofd. En als het geen stof tot nadenken biedt dan toch op z’n minst een hoop stof.

Op 7 km van het dagdoel, vliedt alle kracht uit me weg. Ergens in mijn tassen vind ik nog helva, die suikerblok met een paar noten in van in Kungrad. Nooit gedacht dat ik daar nog goesting in zou krijgen. Het landschap van zonet, vol duinen en dallen, is terug strakgetrokken. Nu moet ik in het zand toch nog een eind gaan zoeken naar een plek uit het zicht.

De chaihana waar water moest zijn, is verlaten en uitgestorven. Het is moeilijk te geloven, maar het enige restaurant om nog water aan te vullen, daar ben ik eerder met mijn verzonken kop voorbij gereden. Het is nu kiezen tussen afslaan en kamperen met een klein rantsoen water of doorrijden, tot er ergens vocht verschijnt. Doordat ik fietsend maar blijf speuren, kom ik een eind voorbij het kilometerdoel toch nog bij een containerkiosk die enkel water en frisdrank verkoopt. Twee militairen moeten lachen omdat ik mijn flessen en de dopjes toch flink in de vuilnisbak gooi nadat ze eerst wegwoeien.

Verderop steek ik recht het dorre landschap in, tussen takkengeraamten die elke vorm van groen verloren zijn. Terwijl de zon zich te slapen legt, sleep ik de fiets door het zand, zo’n 200 meter van de baan, tot bij een iets groter struikskelet. In de verte staat een van de vele rode masten die 4G mogelijk maken over heel dit platte land en dus ook een telefoontje met mijn grootste toeverlaat. Of hoe het uiteindelijk toch een gehydrateerde en geslaagde avond op een puike kampeerplek wordt.

21 augustus | Kyzylkum – Buchara

Van de tent knutsel ik een schaduwshelter want die kale struik biedt twee keer niks. Het is al vroeg heet. Om uit het struikgewas te komen hoef ik enkel het spoor te volgen dat ik gisteren in het zand geploegd heb. Op de baan kap ik een strand uit elke schoen. In mijn vingertoppen zitten minuscule splinters van een kwaadaardige grassoort. Grondmarmotten zoeven snel onder het zand weg.

Op 4 km zit al het eerste winkeltje. Zo zeer was ik dus nooit in levensgevaar. Ik word er weer ontvangen als een filmster, behalve dan door de winkelier die enkel aandacht heeft voor dwaze, Russische lachbandfilmpjes op zijn telefoon. Een dronken vrouw inspecteert mijn fiets, concludeert dat het cijferslot een kilometerteller moet zijn. Een man stopt me een platbrood met ingebakken bloemenmotieven toe onder de slogan ‘Uzbek energy!’. Uiteraard willen er weer wat kerels met me op de foto. Het thema van hoofdstuk 15, Smile!, was hier nog meer op zijn plaats geweest.

Het plan was om vandaag op zes uur fietstijd in Buchara te staan. Alleen ligt nu de wind plots dwars en kom ik met moeite boven de 20 uit. Ik klap mijn sprinkhanenlijf over het stuur, in tijdritpostuur, en haal zo met de grootste inspanning 27, maar het is niet vol te houden. Dan waait het af en aan in opstoten. Het ene moment gaat het 20, het volgende 30. Dit wordt een lange dag.

Vanop de tegengestelde baan klinkt gejoel. Een prettig gestoorde Oezbeek, gehuld in de nationale vlag en bezwaard met weinig meer dan een kleine rugzak en 3 liter water is op zijn badslippers op wandel van Tashkent naar Nukus. Net als veel Oezbeken heeft hij de gewoonte om de hele tijd op de grond te spuwen.

Dezer dagen is het extra opletten met de zon. Nog nooit heb ik zo regelmatig gesmeerd. Doordat de baan een rechte lijn naar het oosten aanhoudt, eist de rechterkant een veel gullere couche dan de linker. Dat aan mijn ledematen zo veel stof kleeft, helpt misschien ook wel wat. Na vandaag zal mijn rechterknieholte nog nooit zo mooi bruin zijn geweest. Zalig!

Dichter bij de stad komt de wind pal op mijn neus te staan. De longen moeten mijn lijf uit om boven de 20 te zweven en zo kom ik straks zeker in het donker aan. Ver voor me verdwijnt de vlakke baan in de lucht en het lijkt iedere keer alsof dat een topje is waarachter een afdaling me zal belonen. Ik moet mezelf niks wijsmaken, de hoogtegrafiek is duidelijk. Het zal op geen enkel moment naar beneden gaan vandaag, en ook niet echt omhoog.

Als er een 1 op het scherm komt, kan ik het niet aanzien. Opnieuw in Remco-modus stamp ik tegen de wind tot mijn bovenbenen de noodtoestand uitroepen en alle pezen rond mijn knieën hysterisch gillen dat ze gaan knappen. De oververhitting is nabij en afkoelen is dringend. In de smalle schaduw van een paal traceer ik de volgende stopplek op 7 km. De tijdens deze reis alleen al versleten pet zet ik achterstevoren op om mijn nek te belommeren. Haast permanent fiets ik met een drinkbus met ORS in de hand. De laatste fietsdag in de woestijn zal de zwaarste worden.

Het volgende theehuis is alweer verlaten. Het daaropvolgende ook niks. Plots moet ik in de remmen voor een geitenkudde gehoed door een ezelruiter. Het kan alleen maar betekenen dat het vanaf hier weer groener zal worden. De struiken dragen weer wat leven aan hun takken.

Net als mijn water op is, staat er een kiosk waar niemand thuis blijkt, maar na een oversteek van de middenberm kom ik toch nog aan water en granaatappelsap voor bij de lunch. De timing zit niet helemaal lekker. Het is 16:45 uur als ik weer opstap en nog 55 km tot Buchara.

Op een brug over een spoorweg heb ik een uitzicht in de rondte. Zo ver ik kan kijken staan er enkel struikjes, hier en daar gescheiden door een verkommerend bouwsel. De woestijn is weg. Laat de stad er dan maar snel zijn.

Zo meteen zou de baan naar rechts moeten kantelen en al mijn hoop is erop ingesteld dat de hoek op de wind dan gunstiger zal zijn. Het is lang geleden dat ik nog zo het gevoel heb ervaren als uitkijken naar de ochtend van 6 december. Wat zal het geven? Hoe zal het zijn? Wat krijg ik na die langverwachte bocht van 45 graden? Hoera! Na de een-achtste-afslag stijgt het tempo meteen weer boven de 25.

Als het net 19 uur gepasseerd is, wensen twee ukken me een ‘good morning’ toe, een lollige lapsus die je hier wel vaker hoort. Terwijl ik de stad inrij, zakt op rechts de zon weg achter groene weilanden en nog verder de overwonnen woestijn. Het is een afscheid van een routesegment waar ik onwaarschijnlijk van genoten heb.

Aangekomen bij het geboekte gastenhuis word ik meegenomen naar een hotel om de hoek. ‘Er is geen warm water daar, dus je kan hier slapen’. Het blijkt een frauduleuze methode waarmee ze aan de lopende band toeristen in minderwaardige verblijven onderbrengen. Dat krijg je dan op van die toeristische bestemmingen. Van de vermoeidheid laat ik het maar zo. In het niet eens zo slechte hotel ga ik alsnog genieten van twee dagen rust, welverdiend na 4 fietsdagen en toe-maar-even 590 km. Met dank aan dit vlakke land.

22-23 augustus | Buchara

Buchara is een stad met geschiedenis, ontstaan op de zijderoute, dus ik had wel verwacht dat ik er niet de enige toerist zou wezen. Wat ik niet had verwacht, is dat toerisme het enige is dat het oude centrum vandaag nog typeert. Tussen de fraaie, gerestaureerde madrassa’s, oude koranscholen bezet met mozaïeken en allemaal in dezelfde lichtbruine baksteen, liggen nieuwe straten van perfecte witte tegels of anders gewoon beton. Ondanks het alomtegenwoordige stof, hebben de gebouwen iets overafgeborstelds.

Overal hangen gewaden, kelims, dolken, snaarinstrumenten en andere “authentieke” voorwerpen te koop, steeds geafficheerd in het Engels en Russisch. In de binnenstad is geen gewone voedingswinkel te vinden. Hier woont niemand meer.  

Buchara moet ooit een wonderlijk kruispunt van handel zijn geweest maar vandaag is het net een pretparkdecor, een wannabe woestijn-Venetië. Zelfs in Centraal-Azië vallen schoonheden ten prooi aan de grillen van massatoerisme. Het voelt algauw aan als een vergissing dat ik hier drie nachten heb geboekt.

Als u na de zure recensie van deze zeiksnor nog steeds de aandrang voelt een bezoek te brengen aan het openluchtmuseum van Buchara, wacht dan nog enkele jaren. Ze zijn de historische bouwwerken namelijk nog aan het bijbouwen. In tussentijd kan u voor een gelijkaardige ervaring vast wel terecht in Disneyland Parijs, bij de Aladdin-attractie.

24 augustus | Buchara – Qarnob

Bij de checkout vraagt de baliejuffrouw of ik geen goede review wil achterlaten. Ik vraag of ze helemaal betoeterd is. Ze is zeker vergeten dat ze me met foto’s van een andere plek hebben binnengelokt. Ze gaat er niet op in.

Dolblij bol ik dat vermaledijde Buchara uit, maar de vreugde is van korte duur. Op de stadsring implodeert er iets in mijn rechterdijbeen, een spiertje dat plots moord en brand schreeuwt, iets wat zich gisteren afspeelde in mijn linker. Konden ze dat niet even synchroon doen? De rustdagen lijken het effect te hebben dat mijn lichaam in staking gaat, meer wil. No way dat ik in die neppe stad van huichelaars en prullenventers blijf.

Het is even zoeken en verkeerdrijden door kleine dorpjes, maar dan beland ik op een asfaltbaan voor 48 km rechtdoor. Op een groengrijze bakplaat van een vlakte steekt niets boven het maaiveld uit, behalve dan wat elektriciteitsmasten. Net als ik de sporen over moet, klappen de slagbomen dicht en er is nergens schaduw om in te wachten. De wind blaast stevig in de zij en brengt verkoeling. Op links verschijnt het Tudakulmeer, waar de baan omheen zwaait over lage heuvels. In de totale schraalte staan billboards die wijzen naar ongeloofwaardig groene resorts aan de waterkant.

Qua water en voedsel ben ik licht bevoorraad omdat er vandaag veel winkels zouden zijn. Nu fiets ik plots door een van de leegste landschappen die ik al gezien heb. De zwarte vlekken die erin stilliggen, blijken lijdzame geitenkuddes.

Moederziel alleen stamp ik over de verlaten weg tegen een wind die zich intussen tegen mij heeft gekeerd. Drinken doe ik met kleine slokken om het dorstgevoel te temperen. De saxaulstruiken langs de weg worden steeds groter tot ze op bomen gaan gelijken. Als ze verdwijnen, even plots als ze gekomen zijn, doemt er een grote rots op in de verte. Het is al lang geleden dat er iets zo geprononceerd boven het platteland uitstak. Twee mannen in een Damas-busje lijken de enigen die dezelfde weg nemen vandaag. De namen van Belgische voetbalinternationals blijken alles wat de gemiddelde Oezbeek weet over ons land.

De winkel is van het soort waar je de producten moet benoemen, waarop de bediende ze aangeeft. Ik vraag frisdrank en water maar laat de onappetijtelijke spijzen liggen. Enkele kilometers verder zou er toch nog een winkel zijn. Die blijkt dan dicht. Het lijkt wel alsof de wind achter het massief van de band rolt want hoe nader ik kom, hoe zwaarder ik trap. Als ik er bijna tegenaanrijd, klapt de baan 90 graden naar rechts en volg ik de langwerpige rotspartij parallel.

De saxauls staan aan de bergvoet aangeplant in rijen, vermoedelijk een methode om verwoestijning tegen te gaan. Kilometers verder liggen wazige heuvels onverschillig te wachten op mijn langzame passage. In de enige schaduw van een waarschuwingsbord ter bescherming van het broedgebied van de little bustard (kleine trap), vreet ik koeken in de hoop nieuwe energie te voelen, maar ik voel vrij weinig vandaag. Naast de baan sloft een uitgemergelde karavaan van wilde paarden.

Het wordt steeds erger met de wind en ook steeds later en die twee klims die aan het einde van de rit lagen, daar ben ik nog niet eens aan begonnen. Lange tijd heb ik uitgekeken naar de eerste bergop sinds Georgië, maar nu komt die wel wat te onpas. Na een langverwachte afslag, waardoor ik bijna in tegengestelde richting kom te rijden, bol ik van een fabelachtige bergaf en verwacht ik dat vanaf daar alles wel zal goedkomen. Nu moet de wind in mijn rug staan. Nu moet het naar beneden gaan. Maar niks klopt van die voorstelling. Door de gouden prairie stomp ik nog steeds als een gek om amper 12 per uur te halen.

Terwijl het daglicht verdwijnt, flikkeren op 6 km al de lichtjes van Karnab. Om een heuvel, waarachter de zon zich te slapen legt, voltrekt zich een betoverende lichtillusie. De berg lijkt felwit in het samenspel van stof en schemerlicht, al pakt het schouwspel niet levensecht op foto.

In Karnab is er geen hotel, enkel 4 winkeltjes die precies hetzelfde verkopen. In het diepdonker fiets ik het dorp uit en dat maakt een veilige plek vinden in het kale landschap een grotere uitdaging. Iets naast een kleiner pad sla ik mijn bivak op achter de eerste de beste heuvel. Pas na het avondmaal blijkt dat mijn kamp staat opgesteld op 5 meter van een asbeststort. Totaal ontmoedigd kruip ik meteen de tent in, voor het eerst in 110 dagen onopgefrist.

25 augustus | Qarnob – Katta-Kurgan

De gedachtencarrousel in mijn kop draait maar en draait maar, de hele nacht lang. De slappe tentdeuren slaan als vaandels door de wind. Als er al zonlicht schijnt door het tentzeil, moet het zijn dat ik toch even in slaap val. Als even later de wekker gaat, word ik doodop wakker. De wereld wil ik even niet trotseren, noch de zon en het stof en die berg gebroken golfplaten die precies ligt waar de wind vandaan komt. Ik sluit mijn ogen, hoop dat ik opnieuw inslaap en zo meteen ergens anders wakker kan worden, maar die tactiek werpt geen vruchten af. Van ellende ontbijt ik binnen. Het wordt steeds heter.

De wind dondert langs mijn oren terwijl ik de bruine heuvels naar boven worstel. Nog 20 km leegte. Op rechts ligt een laaggebergte, haast onzichtbaar, verborgen in een dichte witte mist. Van het ene moment op het andere gaat het weer door groen, door dorpen van aarde en tussen grote, gemengde kuddes van geiten en schapen. Nergens loopt een herder in de buurt en gelukkig ook geen honden. Als ik bij de eerste winkel pauzeer, kijken de Oezbeken me onophoudelijk aan terwijl ik een zo banale taak uitvoer als drinkwater overgieten in mijn bidons. Intussen lukt het wel om het gestaar te negeren.

Onder het asbestafdak van een winkel eet ik brood met hummus, druiven en koeken en vrac. Van daar volg ik nog 45 km de grote baan want ik wil gewoon zo snel mogelijk in Katta-nogwat zijn. De baan barst van de winkeltjes. Het ene is een Coca-Cola Market, het volgende een Pepsi Market. Zelfs in deze uithoek van de planeet vecht de globalisering haar cola wars uit.

Voor de laatste 10 km naar de stad neem ik toch de kleine baantjes voor nog wat avontuur. In de dorpen gaat het over keien en door stof. Een piepjong meisje hoedt enkele zwarte schapen naar huis. Via een blauwe voetgangersbrug stuurt de app me over de sporen de stad in, maar mijn bagage al die trappen opzeulen gaat me vandaag niet lukken.

In dit deel van het land rijden veel felgekleurde, oude Lada’s rond, vaak erg goed onderhouden, althans wat de buitenkant verraadt. Ze stellen een fijn contrast met de alomtegenwoordige, saaie Chevrolets die zowat drie kwart van het wagenpark uitmaken.

In het eerste hotel vragen ze maar liefst 350000 sommekes (€24) voor een nacht. Daarvoor zou ik hier in een paleis mogen slapen. Het tweede hotel vraagt 200000, al boet ik daarvoor wel in op hygiëne. Vandaag heb ik de kortste afstand gereden sinds ik de Kaspische Zee overstak. Maar het geeft niet. Als ik maar goed kan slapen!

26 augustus | Katta-Kurgan – Samarkand

Buiten de grote steden is op hotel gaan zo mogelijk avontuurlijker dan een nacht in de woestijn. Je ontmoet er alleszins meer wilde dieren en de tapis plein zit er tjokvol verrassingen. Het ontbijt zou ik nog niet aan een hond geven, maar het voornaamste is dat ik goed geslapen heb. Hoppa, met die jammerkont naar Samarkand!

De rit heeft weinig om het lijf vandaag. Het is slechts 70 km rechtdoor naar alweer een historische zijderoutestad. Daarnaartoe huppelt de baan over grote bulten die doen vermoeden dat het vanaf hier alleen nog maar heuvelachtiger kan worden. Langs de baan zitten kraampjes waaronder groepen vrouwen watermeloenen en pompoenen slijten. Vaak hebben ze een rustbed ter beschikking of een tapchan, een groot, houten ledikant met daarop tapijten en in het midden een lage eettafel.

Leeg na dat karige hotelontbijt sta ik al vroeg koeken te boefen onder een olm. Vanop de aangelegen zandweg komt een witte Daewoo Nexia aangereden aan een slakkengangetje. De jonge bestuurder gaat nu zeker, vóór de grote baan, met zijn vader van stuur ruilen, die in de tractor daarachter zit. Ja, toch? Nee hoor, de knul rijdt gewoon de baan op. Ik schat hem elf.

De enige manier om in Oezbekistan een vegetarisch maal te bemachtigen is door naar een specifiek gerecht te vragen en dan met hand en tand en in drie talen te verduidelijken dat ze er geen vlees in hoeven te stoppen. Gisteren werkte die tactiek niet 100%. Uit de salade was duidelijk het vlees gevist, maar er dreef nog rund in rond. Buikkrampen nemen het stuur over en sturen me een tankstation op. De pompist wijst me naar de koer achter het gebouw. De details van die ervaring zal ik de gevoelige lezer besparen.

In een enorm wegrestaurant zijn de enige drankopties zoals vaker Coca Cola en Fanta. Te eten is er plov of plov. De gigakom rijst en gekookte wortel, adviesvoer bij buikklachten, is welkom krachtvoer, al zwerft er dit keer ook weer wat lammetje doorheen.

Als ik even pauzeer om de weg te zoeken, word ik al in een winkel uitgenodigd voor gratis frisdrank. Ze gaan morgen pas officieel open en vragen of ik geen filmpje kan maken voor op mijn YouTube-kanaal. Dat soort moderniteiten zijn me vreemd, maar ik verzeker hen dat er onder mijn lezers vast wel wat enthousiastelingen zitten die nu een reis richting Oezbekistan gaan boeken.

Als ik de eerste grote kubusrugzak zie, wordt het duidelijk dat ik in een grote stad ben aangekomen. Op weg naar het hotel passeer ik al bij het Registan, de grootste bezienswaardigheid van Samarkand, een eeuwenoud plein te midden drie madrassa’s. Pas nu overheerst het gevoel dat ik werkelijk ben aangekomen in Centraal-Azië.

3 reacties op “20. Oezbekistan”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Nu wil ik ook wel een selfie met jou Ruben!

    Geliked door 1 persoon

  2.  Avatar
    Anoniem

    fantastisch verslag, wat een avontuur

    Geliked door 1 persoon

  3.  Avatar
    Anoniem

    Remco-modus en Rammen Ruben !!

    Geliked door 1 persoon