Салом!
Vanaf het Oost-Oezbeekse Samarkand was het drie dagen trappen naar de Tadzjiekse hoofdstad Doesjanbe. Voor het eerst in lange tijd zaten de ritten weer vol hoogtemeters en daarmee ook uitzichten, tunnels, afdalingen en ander avontuurlijks. De verwelkomende natuur van de Tadzjieken liet zich van zijn mooiste – en een enkele keer van zijn smerigste – kant zien …
28 augustus | Samarkand – Panjakent (Tadzjikistan)
Op mijn weg uit de stad pik ik nog een mausoleum mee en een zandweg met een stoflaag waarin mijn banden verdwijnen als ware het bruine poedersneeuw. Gisteren ervoer ik tergende spierkrampen en hetzelfde spiertje tintelt nu in mijn rechterbeen, op het punt om dicht te klappen, maar ik ga echt niet niet fietsen vandaag. Over drie dagen wil ik in Doesjanbe slapen. Om een Chinees visum aan te vragen in Tadzjikistan moet je blijkbaar eerst een Tadzjieks visum hebben.

De verouderde, kleinere gewestweg richting de grens bulkt van de bulten, putten en ander gedonder. Langs de baan loopt een teef met twee andersgekleurde pups, straathonden vanaf dag één.
Ergens tussen twee dorpen zit onverwacht een fietsenwinkel, dus ik spring even binnen op hoop van een mirakel. Waar in Samarkant nergens een trapas te vinden was, heeft deze dame er wel gewoon liggen, al is het vermoedelijk Chinese brol. Met de kaart betalen kan niet, dus geeft ze me hem maar gratis mee. Ze krijgt mijn restje cash van 24000 sum, omgerekend €2.
Als ik vertrek, schiet bliksems de voorspelde kramp in de spier, natuurlijk net als de gastjes die bij de fietsenwinkel rondhangen tegen mij willen racen. In de schaduw van een moerbeiboom zet ik me op mijn hurken om te stretchen en in die lichaamshouding lijk ik net een wachtende Oezbeek.
De enige echte remedie, weet ik nu, is rust bieden. Ik heb de grootste moeite om het te aanvaarden. Mijn benen hebben net een extra rustdag gekregen, juist om dit te vermijden. Op een trap in de schaduw eet ik dan maar al wat. Daarna rij ik aan een tempo van niemendal met de hiel op het pedaal omdat dat naar gevoel het spiertje minder kwelt.
De olijfgroene grenswachten, met een kepie groter dan hun hoofden, laten me vlot door, zonder ondervraging of bagagecheck en met een verse stempel in mijn paspoort. Achter de grenspost liggen de reuzen in zicht van de bergstaat die Tadzjikistan heet. Het buitenaardse exemplaar op links is als een stapeling van heuveltjes op heuveltjes.
De mannen die langs de baan slenteren, dragen een laag zwart hoedje met witte borduursels of anders een tulband. De Chevy’s zijn foetsjie, opeens is Opel het enige automerk tussen alle elektrische driewielers. Na een uur passeert de teller voor schattige, enthousiaste kindjes die me hello toeroepen al de 100, en dat is geen overdrijving. Ik moet aan kinderen voortaan blijkbaar ook high-fives uitdelen. Volwassenen roepen me ‘Welcome, Tojikiston!’ toe. De Tadzjieken zijn al net zo verwelkomend als de rest.

Met de wind in de rug haast ik me naar Panjakent want mijn water is op en mijn keel gortdroog. Als eerste taak meld ik me best aan in een registratiebureau. Geld afhalen lukt niet dus zonder somoni op zak probeer ik al eens. De beleefde ambtenaar spreekt Engels en bewaart een engelengeduld onder mijn zenuwachtigheid. Dat hij een betalingslink stuurt via Whatsapp getuigt van een bovengemiddelde flexibiliteit voor deze contreien. Na zo’n uur ontvang ik het papieren bewijs van registratie, dat ik upload in mijn China-visumapplicatie om die sito presto in te dienen via de wifi.
Mijn eigen internet werkt amper en ik krijg niet gegoogeld waar er geld te tappen is. In de supermarkt sprokkel ik al inkopen en water want ik verga van de dorst, maar ook daar werken mijn kaarten niet. De Tadzjieken sturen me met de beste bedoelingen alle kanten uit maar hebben geen idee wat een Mastercard eigenlijk is. Geldwisselkantoren zijn al dicht. Zonder alternatief blijf ik maar zoeken en vind dan uiteindelijk die ene bankomat die Mastercard aanneemt, zonder zichtbaar logo.
Terwijl ik boodschappen doe bij supermarkt Gold City, kleurt de stad achter me goud in de avondzon. Als de wiedeweerga ga ik ervandoor in het laatste licht, de eerste boerenweg op richting de rivier. Daar ligt helemaal aan het eind, vlak bij een vuilnisbelt, een mooie locatie, maar de schaduw zal er morgen net verkeerd vallen. Dan kruip ik maar door de berm en een heg om in een gemaaid korenveld te komen, aan de goede kant van de bomenrij.
Die 117 geplande kilometers waren wat ambitieus. Ik mag al tevreden zijn dat het er nog 74 zijn geworden. De volgende dagen wordt het daardoor pittig klimmen, maar vanavond zet ik me voldaan neer met een hervonden gemoedsrust. Laat het Tadzjiekse avontuur maar beginnen!



29 augustus | Panjakent – Chore
Het veld vol strostapels lijkt wel een roestplaats voor myna’s. De bruine vogeltjes met gele snavel en zwart-witte vleugelpennen fladderen en fluiten, spelen en bekvechten en scharrelen rond de balen. Het lijken er steeds meer te worden, totdat een grote kraai over de akker scheert en ze in één zwerm de vleugels nemen. De tent moet nu toch in de zon door alle dauw. De boeren hebben me al vroeg ontdekt, maar laten me met rust.


Het landschap verschilt erg van dat in Oezbekistan. Er is een grote verscheidenheid aan gewassen, waarvan vele klaarstaan voor de oogst, afgewisseld met boomgaarden, tussen bruine, kale bergen. Over straat wandelen Tadzjiekse dames in gewaden met kleurrijke patronen – opvallend vaak luipaardmotief – en steeds daaronder nog van hetzelfde laken een broek.


Zodra de eerste col is afgewerkt, ontplooit zich op rechts een heel nieuw berglandschap. Al die avonturiers uit Europa die tegenwoordig naar Tadzjikistan trekken omdat het hier zo wonderschoon zou zijn, het wordt steeds begrijpelijker. De Zarafshan stroomt als een groene ader tussen de bruine uitlopers van het Fanngebergte. Het kleurcontrast tussen het laagland en de eerste bergen is schitterend, alleen zonde van de matgrijze rivier. Als dit landschap een schilderij is, dan is die dat glas waarin je al tig keer je penseel hebt uitsgepoeld.


Als ik stop voor een snelle snack, word ik natuurlijk meteen betrapt. De kinderen komen me perziken aanreiken van over de draad. Onderweg is het weer een opeenvolging van hello’s en high-fives en de doerakken proberen me daarbij nog iedere keer staande te houden ook. Als ik met elke enthousiaste Tadzjiekse uk een pseudogesprek moet gaan voeren in hun beperkte Engels en mijn potjesrussisch, zal ik pas over een maand in Doesjanbe staan.
In de meeste dorpen zat tot nu niks. In het volgende plots tien winkeltjes naast elkaar. Spreiden mannekes, spreiden! Een waterval is vernuftig omgeleid om alle dranken netjes uitgestald te koelen. Het ruikt er naar kolen en shaslik, gebraden vlees op stokjes. Een oudere man kijkt me aan, balt zijn vuist en wiegt die kort heen en weer door de lucht. Het moet een universeel gebaar zijn in de betekenis van ‘komaan zenne, manneke’. Rond een groene meander verschijnt een feestelijk beeld van slanke populieren als pluimstaarten, wiegend in de wind. Elk dorp lijkt een oase van bomen tussen verticale woestijnen.


Op een lange weg rechtdoor staat wel elke 100 meter een groepje kinderen, klaar om mijn hand een smak te geven en te smeken dat ik halt houd. De laatste bende is met meer en zo vindingrijk om over de baan een menselijke ketting te spannen. Voor zo’n staaltje samenwerking wil ik wel even afstappen, maar helaas kent hun aandacht vervolgens geen grens. Ze bepotelen de fiets en mij ongegeneerd en roepen ‘tenge, tenge!’, wat vermoedelijk Tadzjieks is voor knaken. Daarop wil ik doorrijden, maar ze houden met z’n allen de fiets tegen, op het gevaarlijke af. De enige manier om de bengels af te schudden, is helaas door boos te roepen en te tonen dat het menens is. Het voelt niet fijn, maar anders zouden ze van geen ophouden weten. Het trieste is dat kinderen hier vaak instaan om iets te verkopen langs de kant van de weg, zonder volwassenen in de buurt. Andere kinderhandjes die ik aantik zijn vuil van het wroeten in een akker.
Na de boodschappen in de pure dorpse chaos van een winkeltje, kijk ik uit naar een kampeerplek, al wordt het landschap nu wel erg kaal. Waar twee rivieren ineenvloeien, sla ik een nieuwe vallei in, nog steiler en nog hoger en nu met een blauwe, vloeiende veroorzaker van dat alles in de diepte. In de smalle kloof is er naast de baan nergens ruimte, enkel nog afgrond. Als het tijd wordt om te stoppen, kan ik enkel blijven doorgaan en hopen dat er om de volgende bocht wél iets staat van bomen of beschutting.


Een zandpad langs een kleinere rivier lijkt de beste optie om een kampeerkans te wagen. Het pad loopt pokkesteil omhoog, dus ik ga te voet op verkenning. Pas honderden meters verder ligt er een uitsparing waar auto’s elkaar kunnen passeren. Het is al een bijzondere kampeerplek maar niet erg privé. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en ik wandel nog hoger en nog verder, tot een oppervlak waar de tent iets veiliger staan, nog steeds tussen het zandpad en de luid kolkende rivier.
Terwijl ik een dikke pot eten klaarstoof voor vanavond en morgenvroeg, knip ik mijn koplamp uit en monster het spansel. Boven mijn hoofd loopt, van bergwand naar bergwand, glashelder de melkweg. Het besef dat ik eindelijk door de Tadzjiekse hooglanden aan het fietsen ben, maakt me zielsgelukkig.


30 augustus | Chore – Doesjanbe
Vanuit een terreinwagen worden me bij het ontbijt al twee appels aangereikt, zonder woorden. Na drie uur op het gemak genieten en oprommelen daal ik het steile pad af, vol ongeloof over wat ik gisteren nog naar boven heb gestapt. De gps doet het niet, al sinds ik de grens over ben. Gelukkig is verkeerd rijden in de bergpas vrijwel onmogelijk.
De baan loopt nu aan de andere kant van de vallei en daardoor gaat het langs loodrechte bergwanden. Hoewel ik een helm opheb en hoewel de kans dat een steen precies op mijn kop valt wellicht miniem is, voelt het toch naar om onder de uitstekende wanden door te moeten rijden. Op 5 km glinstert aan de overkant van de rivier een wonderbaarlijke, groene wildkampeerplek, goed bereikbaar via een betonnen brugje. Zo gaat dat dan soms. Ach, mijn plek was al perfect.


In de eerste winkel word ik benaderd door een vuile vent met een huid zwart van het stof. Hij zegt opdringerig iets over een ‘auto’, een ‘tunnel’ en ‘gesloten’. Bij mijn research heb ik wel eens iets gelezen over een Tadzjiekse baan met 18 tunnels waarvan één haast ondoorfietsbare, berucht als de tunnel of death. Maar die lag nog niet hier, of wel? Het aanbod van de overduidelijke charlatan wimpel ik af. Als ik moet liften, doe ik dat wel aan de ingang van de Anzob-tunnel.
5 km voor de zwaarste klim begint, verrast mij plots een dikke plets. Heeft iemand nu net een waterballon naar me gegooid? Ik wandel terug en inspecteer het projectiel. Dat is geen waterballon. Dat is verdomme een kotszak. Waarom iemand zoiets walgelijks zou doen, daar heb ik het raden naar. Misschien is het die vuige vent van net of een rancuneus rotjoch van gisteren of iemand die het opkomende toerisme nu al kotsbeu is en dan was de aanslag een symbolische daad van verzet. Gelukkig ben ik nog redelijk goed gespaard gebleven van de inhoud, maar het positivisme van vanochtend heeft wel een deuk gekregen en mijn vertrouwen in de Tadzjieken ook.
Tijdens de langverwachte reuzeklim spot ik ergens een fietser in de verte. Die wil ik inhalen! Dan lijkt hij plots opgegaan in lucht. Het uitzicht op de steile bergwanden in lichtbruin en -grijs is moeilijk waarheidsgetrouw op beeld te vatten.
De weg kronkelt en ik kronkel mee. Met z’n tweeën, gedwee, naar Doesjanbee. De fiets, de berg en de man. In gedachten laat ik Van Ostaijen een stukje met me meelopen. Alles om te vergeten wat voor helse klim ik aan het opsukkelen ben met een linkerhelft vol spauwvlekken.


Ergens in de buurt van de top ontmoet ik dan toch die fietser, de Nederlandse Casper, die ook nog twijfelt of hij door de dodelijke tunnel wil spartelen. Het donkere gat slokt alle auto’s op, die met brandende lichten en een knik verdwijnen in de diepte. Het is niet duidelijk of dat stoepje rechts zal blijven doorlopen, dus ik durf het niet.
Natuurlijk stopt er een kleine auto. Uit vrees voor schade aan de fiets probeer ik nog even bij de oranje Kamaz-trucks, maar dan geef ik het toch een kans. Met de voorband eruit lukt het, zij het met open koffer.
Dat donkere gat blijkt dan maar de mond van een korte amuse. Een stukje verder beginnen de 7 kilometer duisternis en stof pas echt. Dat de Tadzjieken daarbinnen durven inhalen, tart elke verbeelding. Op de passagiersstoel naast Bakiyor leer ik meer Russisch dan in de voorbije 2 weken samen. Liften is de snelste taalleermethode, zeg dat ik het gezegd heb.


Voorbij de tunnel prik ik het wiel weer in de vork, hang ik de zakken op en begin aan de afdaling van bijna 90 km. Op een plat stuk tussen twee afdalingen slaat de wind zo hard op mijn bakkes dat ik bijna achteruit fiets. Een groep kwartels waggelt en kwakkelt er net haastig de baan over.
Van de ene in de andere korte tunnel is het telkens slechts een kwestie van bril af en licht op. Nietsvermoedend rij ik zo een tunnel binnen die honderden meters lang is en waar een even dik stofgordijn hangt als in de lange Anzob-tunnel van net. Uit mijn ogen gutsen meteen tranen en mijn lippen pers ik op elkaar. Ik zie bijna niks. Voor een paar honderd meter is het al de hel. Die tunnel des doods doorfietsen is waanzin.
Hoe meer ik afdaal over de nieuwe baan met effen pechstrook, hoe groener de vallei wordt en hoe meer leven er terug in de brouwerij komt, zelfs met resortachtige hotels met zwembaden. Het gaat naar beneden, maar door de wind lijkt het wel plat. Ik moet en zal in Doesjanbe geraken want ik heb er al een kamer geboekt.


Ah, daar is dan eindelijk Doesjanbe. Wat heb ik hier lang naar uitgekeken. Alleen is het net donker als ik toekom. De naam Doesjanbe zit in mijn kennis gegrift sinds ik op zekere leeftijd besliste om alle hoofdsteden van de wereld uit het hoofd te leren, voor als dat een keer van pas zou komen. De meeste vervlogen snel maar één naam kon ik nooit vergeten, Doesjanbe. Als hoofdstad van Tadzjikistan klonk dat als een verzonnen plek die niet echt kon bestaan. Mijn halve leven al kan ik me niks voorstellen bij dat hele Doesjanbe. Dat daar nu eindelijk verandering in komt, maakt me dolenthousiast.
Over een onwaarschijnlijk kaarsrechte baan waarop niemand het rechterrijvak neemt, rij ik toe op de felverlichte stad. Het valt meteen op hoe protserig de gargantueske gebouwen zijn, sommige nog gelig uitgelicht voor extra praal. Als ik toekom in het populaire Green House Hostel, waar alle fietsreizigers samenkomen voor of net nadat ze de wereldberoemde Pamir Highway fietsen, merk ik pas hoe zwart mijn tronie is van de uitlaatgassen in die ene tunnel.
De komende vier dagen ga ik proberen deze mysterieuze hoofdstad te ontraadselen.



31 augustus – 3 september | Doesjanbe
De bouwwoede in Doesjanbe is onwaarschijnlijk. Overal verrijzen nieuwe, luisterrijke blokken, waarvoor hele wijken moeten wijken. Mooi zijn de mastodonten zelden te noemen, indrukwekkend is misschien een beter woord.
Tussen al dat architecturaal geweld probeer ik de eerste twee dagen nog vergeefs aan een China-visum te komen, een plan dat ik maar niet kan loslaten omdat ik er al zo veel geld, tijd en moeite in heb gestopt. De ambassade in Tadzjikistan wil plots een uitnodiginsbrief van een Chinese burger zien en hoewel die met hulp van familie na twee dagen binnenrolt, blijkt dat nog hopeloos te laat om hier in Doesjanbe op tijd een antwoord te krijgen.
Ik beslis door te reizen en bereid het vertrek voor. Bij de planning van de route ontdek ik dat er geen andere optie is dan omrijden via de fameuze Pamir Highway. Die werkelijk erg hoge weg, een onderdeel van de historische zijderoute, waarvoor andere fietsers invliegen van heinde en verre, ga ik er nu dus nog tussen nemen op mijn weg naar het verre oosten. Een nieuw avontuur maakt zijn opwachting …





Eén reactie op “21. Welcome Tojikiston!”
Spannend en inspannend, wat een verhaal Ruben. Hou goed moed kerel.
LikeGeliked door 1 persoon