привет!
De Pamir Highway is geen fietstripje van enkele dagen. Dat beest is eeuwenoud, honderden kilometers lang en loopt hoog door een vallei in het oostelijke deel van Tadzjikistan, welluidend Bergachtig Badachshan. Voor de behapbaarheid deel ik de tocht op in 3 hoofdstukken.
Op het eerste stuk klom de baan gestaag van Doesjanbe tot de stad Khorog op 2000 meter hoogte. Met overdag de wind in de rug en ‘s avonds steevast de maan op post werd het een zilveren beginluik en een opwarmer voor de hoge Pamir.
4 september | Doesjanbe – Dzharteppa
Over dezelfde dikke verkeersader waarover ik de voorbije dagen zo vaak tussen de elektrische taxi’s heb gefietst, rij ik nu de stad uit, voor het eerst in oostelijke richting. Zonder visum op zak is het plan nu om straks gewoon China binnen te rijden en 30 dagen visumvrij te krijgen. Maar eerst nog efkes die Pamir.
Doesjanbe was intens. Pas de laatste van de vierdaagse wijdde ik volledig aan de voorbereiding van de omweg door het gebergte. Voor de frisse avonden kocht ik een dikke trui waarvoor bijlange geen plaats is in mijn tassen. In de 100e supermarkt vond ik pas krachtrepen en door die opluchting sloeg ik meteen wel een kilogram in. Op het nippertje lukte het de sympathieke maar verstrooide man van VeloTJ nog om een nieuwe trapas in mijn kader te steken. Al met al vertrek ik zo redelijk goed voorbereid en belachelijk zwaar bevoorraad aan de tocht, alsof er vanaf hier niets meer volgt.
Hoewel de gps in Doesjanbe opnieuw even werkte, laat hij het na 20 km alweer afweten. Terwijl ik voor het eerst weer kilometers lang de hoogte in sakker, door voorsteden en langs fruitkramen, schrijf ik niets meer. De goesting is weg. Het voelt soms als een blog aan mijn been. Op vier dagen heb ik niet één seconde besteed aan Russisch studeren, terwijl ik dat zó graag had willen doen.

Na de klim is er van een belonende afdaling geen sprake. Ze verdwijnt in een tunnel van liefst 4,5 km waarin het opletten is en ademen door een fietstruitje, al weet ik niet zeker of dat een uitstekende filter is voor uitlaatgassen. De bergen rondom zijn geschilderd in een vreemd kleurenpalet. De stenen donkerroze, de grassen goudbruin en daartussen hier en daar een groene spat boom of struik. Bij de oversteek wil ik de rivier op beeld zetten, alleen hebben de Tadzjieken er een reeks nationale vlaggen voor gehangen. Eens daarvoorbij staat naast de weg elke 50 m een tafel met bordjes met een soort kibbeling.



Er volgt weer een tunnel, bergop dit keer, waarvoor ik een geïmproviseerd stofmasker om mijn hoofd zwachtel. Daarachter schittert een uitzicht van water tussen bergen met op de voorgrond een schattige kulan-ezel.

Verderop staan allemaal stalletjes langs de weg die precies hetzelfde verkopen en gelukkig ook water. Een jonge vrouw bedelt om geld en komt onaangenaam dichtbij. Beneden toegekomen is het weer groen en tijd om een plek te zoeken, terwijl achter de immer wazige bergen een oranje gloed uitdooft.
De baan is afgeschermd met roestig hekwerk en ik moet doortrappen tot het verdwijnt. Als het haast donker is, sla ik op goed geluk af naast een rivier in dichtbevolkt gebied. Daar ligt in een keer een canyon-achtige plek waarin ik redelijk onopgemerkt de tent kan opzetten bij een rots die morgenvroeg hopelijk wat schaduw werpt.

Aan de hemel brandt een staartster op. De maan werpt zilver licht over de vlakte. Een vos staart met zijn gele ogen in mijn koplamp. En de spaghetti smaakt naar tomatenconcentraat.
5 september | Dzharteppa – Momirak
Bij het ontbijt is er al van alles te observeren. Immer sierlijke tamarisken, wagens die achterwaarts hun vracht lossen van de rand van het canyontje en een roedel van wel 9 zwerfhonden die aan de overkant van het ravijn ravot en blaft en vecht.
Het duurt nog vrij lang voor de lokale hummels mijn schuilplaats ontdekken. Op ezels komen ze toegereden, fluitend van over het ravijn. In Doesjanbe was het scholeke weer begonnen op 1 september, te zien aan alle kinderen in maatpak-uniform. Hier wonen zo te zien wat spijbelaars.


Langs de versleten asfaltbaan loopt het vol met kulans, die zelfs in de bushaltes bijeenhokken. Er volgen tientallen kilometers geleidelijk aan omhoog tussen geelbruine heuvels. In het drukke Kulob haal ik nog snel geld af voor dat twee weken niet meer kan. Bij het laatste winkeltje dompelt de uitbater me in een taalbad Russisch. Terwijl ik de antwoorden van het scherm aflees, hamer ik ze in mijn harses. Mensen stellen altijd en overal dezelfde vragen. Naar waar? Van waar? Hoe lang al? Alleen? Hoe oud? Job? Kinderen?


Dan loopt de baan tussen mosterdgele heuvels als afgestompte piramides. In de berm wordt fikkie gestookt met afval zonder enige controle over de vlammen. Een bord duidt de afstand naar enkele steden op de Highway. Nog 800 km door de Tadzjiekse bergen.


Over een lange baan fiets ik tussen groepjes scholieren die na de lesdag naar huis kuieren. Elke ‘hello’ die ik terugstuur wordt op veel gegniffel onthaald. Een vervelend kind van bij een meloenenkraam komt me achternalopen op zijn slippers. De vlegel blijft maar ‘tenge!’ uitslaan en weet van geen ophouden. Het helpt wel om dat weggezakte tempo een tijdlang terug hoger te leggen.
Op 85 km start pas de zwaarste klim van de dag. Ik wil nog naar die tevredenstellende 100 maar het gaat erg scherp bergop. De zon zinkt in de waas die dit land eeuwig lijkt te verstikken, zodat je er bij valavond steeds naar kan kijken alsof je een eclipsbrilletje ophebt. Als de oranje sfeer wegdeemstert, daagt om de bocht al een zilveren op.


Mijn doel is een stroompje, gemarkeerd op iOverlander, een app die ik heb leren kennen van collega’s. Als ik uiteindelijk toekom, blijkt de bron opgedroogd. Het geeft niet, dat overleef ik wel. Achter een verlaten huis zet ik de tent uit het zicht, content omdat ik tegen de verwachting in toch de kaap van honderd kon ronden.

6 september | Momirak – Shkev
Als eerste taak moet die klim worden afgewerkt. Zelden vertrok ik zo vroeg na wild kamperen. De kracht van niet ontbijten! Na een kilometer voel ik me slap en leeg. De zwakte van niet ontbijten. Al snel ligt daar, naast een ravijn en voorbij een rivier, de grens met de GBAO, de autonome regio van Gorno-Badachshan. Voor het hoge oosten van Tadzjikistan heb je een bijzonder toelatingsbewijs nodig en gelukkig heb ik dat meteen op papier gekocht toen ik een week geleden bij Panjakent het land binnenreed.

In het eerste dorp zit het verhoopte winkeltje voor nodig water, ontbijt en bolle druiven. Ook in de bergen komen de kindertjes vanop grote afstanden op de weg toegerend om een gegeerde hello terug te krijgen. Voor de aftrap van een voetbalwedstrijd staat net iedereen plechtig het portret van de president te groeten. Die man, pafferige kaken en borstelige wenkbrauwen als omgevallen S’en, hangt overal levensgroot of nog veel groter afgebeeld, wuivend naar zijn volk, snuivend aan een bloem of net te midden de ondertekening van een erg belangrijk document.
Na een kort plateau volgt de afdaling door een bruine bergpas. Vanaf een bocht als een balkon ligt er een uitzicht over een crèmekleurige vallei vol droogliggende rivierbeddingen. Zonder de rijwind is het weer snikheet. Het droge dal wordt nog wat groen aangezet door lage, bolvormige kruintjes maar verder is lichtbruin de grondtoon. Vanaf Kisht volg ik de troebele Pantsj en daarmee de grens met Afghanistan.


Overal worden percelen beperkt door kleurrijk hekwerk dat gefabriceerd lijkt uit oude olievaten. Dat van dat bergachtig blijkt wel te kloppen. Ik steven af op muren zo hoog dat mijn hoofd in mijn nek moet om al fietsend te toppen ervan te kúnnen zien. Vanaf de overzijde voedt een honderden meters hoge waterval als een dun straaltje de kolkende Pantsj. Jonge militairen die maar wat langs de weg sloffen, houden me tegen en bedelen om eten en sigaretten.


Terwijl ik door een kloof heen fiets, ruist vanuit de diepte luid de rivier. Omhoog kijken is af te raden, het wekt enkel duizelingen op. Door de pas gaat het soms lange stukken keihard naar beneden en dat klopt niet naar gevoel want het zou vooral naar boven lopen vandaag. Vanaf de rotswand nevelt verfrissend water naar beneden. Aan de overkant liggen de ruïnes van een nederzetting.


In Zhighar komt de negentienjarige geologiestudent Mehershod een gesprek voeren op een minder opdringerige manier dan de gemiddelde Tadzjiek. Toeristen houdt hij graag staande om zijn Engels bij te spijkeren, maar het is al van het beste dat ik sinds Doesjanbe heb gehoord. Waarom de bergen hier zo bruin zijn, kan hij niet verklaren.
Bij een groene meander zwemmen aan de overkant Afghaanse kinderen. Nog verder voetballen ze op een gortdroge bruine rechthoek, in traditionele en westerse kledij. Wie weet houden ze zo de ploegen uit elkaar. Het Afghaanse pad, dat evengoed de rivier naar boven volgt, is niet geasfalteerd en wordt voornamelijk bereden door zware motoren. De wind waait stevig door de pas en gelukkig in de juiste richting. Langs de weg hangt het plots vol met granaatappels, sommige knalrijp.
In de laatste winkeloptie is er geen grammetje groente te vinden, dus houd ik het bij water en brood en ga op zoek naar een wildkampeerplek. Die nieuwe app dient ook om slaapplekken te delen en zo weet ik meteen waarnaartoe. Het haalt de charme wat weg, maar bij tijdsgebrek is het uiterst handig. Zo vind ik gemakkelijk een plat stuk grond, tussen de rotsen en weg van de baan, naast de knokige resten van vermoedelijk een geit.
Conserven zijn hier nooit vegetarisch maar in mijn tas zit al heel lang een klein, Turks blik bonen te popelen om gekraakt te worden en zo krijg ik toch nog wat vitamientjes binnen vandaag. Achter de Afghaanse bergwand moet een reusachtige spotlight branden of anders staat het land erachter in brand. Welnee, daar is Janneke Maan weer natuurlijk!


Ik schrik op. Een wild beest? Het blijkt slechts een zwerfpuppy, die zich tegoed doet aan dat restje geitenkarkas.

7 september | Shkev – Poshkarv
Om 5 uur passeert er al een kudde koeien met luid roepende herders. Mijn kont rust op de harde ondergrond. De matras is lek. Maar goed dat ik de juiste lijm meeheb. Als het één gaatje is elke vier maanden valt het allemaal wel mee. Vier maanden dus, vandaag exact. Als de zon om 7:30 uur boven de bergtop verschijnt, is het meteen weer aangenaam warm. Er passeert nog een troep koeien die vandaag de berg op moet, net als ik.
Een paar honderd meter verder gaat het meteen over hobbelig grind, de restanten van een geruimde steenlawine. Vanuit een pijp komt er water uit de berg gestroomd. Het is fris en ik heb er zin in maar ik haal er toch nog even wat UV licht door voor de zekerheid. Ergens op een godverlaten stuk staan langs de kant van de weg drie snelladers voor alle Chinese elektrobolides, Aions en BYD’s. Het Pamir-gebergte heeft een dichter laadpalennetwerk dan Wallonië, en dat is geen grap.


Langs het woeste water waarin hoge golven klotsen, wordt een nieuw hek met scheermesdraad gezet. De aanwezigheid daarvan en van alle militaire bases verraadt toch enige spanning met het land aan de overkant. Kort voor Qalai Khumb duiken moderne gebouwen op en een vreemd pretpark met miniaturen van wereldberoemde monumenten.


In het stadje huist een groenteboer met wat meer variatie in verse producten, een zeldzaamheid hier. Als ik de zesde winkel uitwandel waar geen brood te koop is, komt er net een collega-fietser toe, die zijn voertuig krap tussen twee auto’s parkeert. Een vertrekkende wagen rijdt de fiets omver en onder een huiveringwekkend gekraak breekt de standaard af. Het is een ongemakkelijke situatie, zo net als we gingen kennismaken.
Bij een onaffe tunnel moet ik om via een stoffig grindpad door een melkchocoladen vallei, maar nu aan halve snelheid. De Afghaanse oeverweg ziet er tegenwoordig aantrekkelijker uit. Voorbij het andere tunnelgat wordt het sissende asfalt net platgewalsd, terwijl de aanwezige baan niet eens zo slecht lijkt. Verderop worden de bouwmaterialen gemaakt onder leiding van Chinese ploegbazen. Bij het eerste volledig Chinese team is er niet één arbeider die opkijkt van een fietser.
Terwijl ik om nog een tunnel een kronkelweg langs de kliffen volg, liggen aan de overkant dorpen die zo op postkaartjes kunnen, tussen het groen van populieren en akkers met stapelmuren omheen.



Bij een dorpje met wat winkeltjes staan tientallen auto’s stil en ik ontmoet er ook bekende gezichten. Blijkbaar is de weg 15 km verderop onderbroken doordat ze er aan het dynamiteren zijn. De fietsers hebben een hele dag niet kunnen rijden en zijn teruggelift om boodschappen te doen. Het is hopen dat de blokkade vanavond geruimd wordt of anders morgenvroeg, dan kom ik er nog mooi mee weg.
Aan de staart van de wachtrij wijk ik af om een ruig pad langs een bergrivier te volgen voor een afgrijselijk steil bisnummer. Tussen twee grote rotsen krijg ik de piketten de grond maar niet in en zo moet de wasbeurt van wat kleren en mezelf toch nog in het donker. Hoe zalig om nog eens in een rivier te kunnen! De Afghaanse bergen zijn helder verlicht door een onzichtbare maan die toch ergens aan het firmament moet staan.
Voor in de pasta snij ik een chilipeper op uit de groentewinkel van vanmiddag. Na afloop lik ik aan mijn vingers voor een glimp van de scherpte, en miljaar, dat zijn me toch wat Scovilles te veel. Nu mag ik zeker niet in mijn ogen wrijven. Even later waait er stof in en doe ik het toch. Het is zo belachelijk dat ik niet meer bijkom. Om te milderen draai ik zo veel pasta door de saus dat ik er ’s ochtends zeker weer van moet eten, maar het blijft alsnog een pittige afsluiter van een pittige dag.



8 september | Poshkarv – Shidz
Tussen mijn paleis van twee rotsen voel ik me de koning van de bergen. Mijn lichaam mag dan al moe zijn na vier zware ritten, mentaal gaat het fantastisch. Laat deze maandag maar komen! Met de rest van die spicy spaghetti courgetti in mijn buik vertrek ik voor alweer een stevige rit, nog hoger het Pamirgebergte in.
De wachtrij is verdwenen maar voor de barricade staat er toch al één auto opgehouden. Zijn de werken net hervat? Ben ik hier 5 minuten te laat? Mijn hart bonkt in mijn keel. Als ik hier een dag vastzit, word ik gek. De arbeider die de wacht houdt, zegt in zijn walkietalkie iets over valasiped en geeft – godzijdank – groen licht.
De hele baan door de vallei is een aaneenschakeling van wegenwerken. Bij fietstoeristen is de Pamir wereldberoemd en -berucht omwille van zijn schoonheid én zijn rotwegen. Het is maar de vraag of de charme van de route straks voor iedereen nog even groot is als al die wegen heraangelegd zijn.
Een tegenliggende wagen komt veel te hard en met veel getoeter aanrijden, wijkt niet uit en dwingt me met snelheid in het stof. Eerst overheerst de boosheid maar dan verkneukel ik me bij het idee dat die sukkel zo meteen misschien uren vaststaat.
Het is heerlijk fietsen over de baan die zachtjesaan naar boven slingert met een windje in de rug en met zicht op schilderachtige dorpen op de andere oever, zonder dat enig verkeer me kan inhalen. Veel uitmuntender worden omstandigheden niet. Het eerste dorp komt ook helemaal tegemoet aan mijn hedendaagse behoeften: frisdrank en mobiele data. Het blijft een vreemd beeld om in het berglandschap plots een kind in keurig kostuum te zien slenteren. Soms hoor ik niet eens waar een ‘hello’ vandaan komt en dan roep ik maar in het niets ‘hello?’ terug. Ben ik de echo in de vallei?


In de rotswand leven kleine vogels en oranje reptielen. Als het bij een dorp even groen is, liggen er velden van fenegriek naast de weg. Het is zigzaggen over fietsbare overblijfsels van asfaltwegen, afgewisseld met botssegmenten als kermisattracties. Vanaf huizen of restaurants word ik soms gewenkt met een handgebaar dat verschilt van dat van ons. Om te doen van ‘kom, kom’ halen de Tadzjieken de hand niet naar binnen, ze laten hem zijwaarts naar de grond toe vallen met een vrij losse pols. Het ziet er vreemd uit en ik kan er maar niet aan wennen.


Vanuit de hoogte fluit iemand naar me, om dan met een groot gebaar naar de bergflank te wijzen. Er volgt meteen een splitsing en ik begrijp dat ik maar beter afsla door een afgelegen dorp. Waarom is niet te zien, maar ik volg de raad op en dat levert een bijzondere ervaring op. De zanderige hoofdweg loopt door boerderijen vol vriendelijke, lachende mensen en natuurlijk achtervolgen de kinderen me weer voor een wedstrijdje om het hardst. Na het dorp ligt er een kale rustplaats waar voor het eerst in tijden de rivier niet zo hoorbaar dendert. Bij een afgelegen huis staat een kleuter te hello’en, het ene handje wuivend en in het andere een grote, roestige sikkel.


Ik trap mezelf nu al de hele namiddag kapot en het gaat maar niet vooruit. In een dorp zitten twee winkeltjes waar niks te koop is. Of hij groenten heeft, vraag ik de man in het tweede. ‘Njet, njet.’ Dan schiet me het woord voor ajuin te binnen en die heeft hij blijkbaar wel nog. Uien zijn dus geen groenten. Genoteerd.
Zo’n kilometer verder houdt het groen op en lijkt het beter terug te draaien en in het dorp een bivak te zoeken. De schrale vallei is te dun bezaaid met kampeerplekken. Tussen de akkertjes is het schaduwrijk maar het zijn duidelijk privégronden dus ik wil wel toestemming. Als er eindelijk een bewoner opduikt, is mijn zin jommekesrussisch nog niet af of hij stemt al toe. ‘Links, rechts, kies maar jongen!’. Het pastorale grasveld onder de bomen vormt, naast die dikke koeienvlaai, een ideale, rustgevende kampeerplek en voor het eerst in tijden gaan de haringen de grond in als waren het hete messen in een pak boter. Of hoe ik daar met mijn gat ook weer in ben gevallen.
Na nog geen uur duisternis wordt alweer de hele wereld verzilverd onder de glans van de vollemanestralen.


9 september | Shidz – Khorog
Het is zalig wakker worden onder de bomen. De rivier is hier op zijn breedst en daardoor is het voor het eerst in tijden stil langs het water. Zo wordt het constante klapperen van de achtertassen hoorbaarder en onheilspellender.

Hoewel ik op 2000 meter ben aangekomen zal het vandaag zo goed als plat lopen voor 90 km. Nu al zit ik te dromen van betere wegen, al weet ik dat dat nog een hele tijd kan duren. Noch mijn veringloze voorvork, noch mijn logge achtertassen, noch uw bloggerd inzonderheid is gemaakt voor al dat gerommel en gebommel.
Het geklapper wordt nu wel enorm luid. Er blijkt een schroef verdwenen van de bagagedrager, waardoor metaal op metaal klapt. Op zo’n moment ben je blij dat je al bijna 9000 km voor elke schroef in je fiets een vervangexemplaar of drie meesleurt.


Na de reparatiestop volgt een dichtbevolkt en groen gebied als een langgerekt dorp. Het moet een feestdag zijn, want in een park staan een podium en stoelen opgesteld en de Tadzjieken lopen rond in hun paasbeste kleren. Na Rushon is de vlakte zo breed dat er zelfs een luchthaventje op past. Voorbij de stad vind ik maar geen lunchplek en als ik dan toch een boom zie met schaduw onder, zit er al een Duits koppel onder met gestroomlijnde gravelbikes.
We lunchen samen en als ik net voor hen de boom verlaat, zegt een engeltje op mijn linkerschouder ‘Wees voorzichtig en rij niet te hard want dan gaat zeker een van je achtertassen eraan.’ In mijn rechteroor brult een duiveltje ‘DE MOFFEN MOGEN ONS NIET INHALEN! TRAPPEN MET DIE FAHRRAD!’ 20 minuten later ligt de demon dubbel van het lachen. Het is niet de achter- maar wel de voortas die losgebroken is. De tweede schroef op een dag die het laat afweten.
Met een bang hart en drie colsonbandjes rond dat spel trek ik verder richting Khorog, met de brave traagheid van een engeltje. Het gaat hoe langer, hoe meer over een breed, begroeid plateau waardoor op hele stukken de rivier zelfs niet meer te zien is. De omgeving komt niet meer binnen doordat ik de hele tijd op de weg moet letten om de fiets zo weinig mogelijk schokken te bezorgen. In gedachten ben ik bezig met hoe ik dit nieuwe probleem moet gaan oplossen. En de takenlijst voor morgen was al zo lang!


Na Yomj is het nog 20 km en ligt het asfalt er goed bij en ik bid tot het universum dat het zo blijft. Het beeld van een voetbalveld in een bergachtig gebied heeft altijd iets bijzonders en hier ligt wel een van de beste plaatjes in die categorie. In het verdwijnende zonlicht is de vallei vol espen adembenemend maar god ik wil ervan af zijn. Het universum luistert en tovert het laatste stuk om in geen piek- maar wel behoorlijk fijn asfalt.


Rood-wit-groene vlaggen en een sierboog heten me vast welkom in Khorog al is het eigenlijk nog 10 km en komt de wind ook nog wat lastig doen. Uiteindelijk arriveer ik in de bergstad en plof ik me tevreden neer omdat ik de grootste, eerste etappe, Doesjanbe-Khorog, in 6 fijne, vlotte ritten kon afwerken. De rustdag van morgen zal een drukke werkdag worden.




Eén reactie op “22. Pamir, Pt. 1”
Wow, Ruben, goed bezig! Indrukwekkend wat je al gepresteerd hebt! Veel sterkte gewenst, in de benen én het kopke, voor de etappes die je nu aan het afleggen bent.
Veel lieve groeten
LikeGeliked door 1 persoon