23. Pamir, Pt. 2

11-13 september | dag 128-130

Salomolek!

In het tweede Pamirluik ging het vanaf Khorog recht naar boven, naar een hooggelegen plateau. De nachten werden koud maar de dagen bleven gevuld met zon en oogverblindend natuurschoon. Aangevuurd door een duivelse drive landde ik op drie dagen al in het volgende checkpoint, Murghab.

11 september | Khorog – Pish

Het is met een bang hart dat ik wegfiets uit Khorog. De eerste hindernis is een intussen vertrouwde houten hangbrug en de trappen daarachter. Natuurlijk schiet een Tadzjiek meteen ter hulp, maar ik daarmee in een lichte paniek, want hoe goed bedoeld ook, ze weten nooit waar het wijs is aan de fiets te tillen.

Bang is mijn hart voor de tassen. De afgebroken schroef heb ik met een geleende boor kunnen verwijderen en vervangen door een langer exemplaar dat nu door de volledige vorktand zit. Enkele van de grotere gewichten zitten verzameld in een rugzak boven de bagagedrager gebonden om zo de rode achtertassen te ontlasten. Dan nog zal het schokken worden op sommige van de notoir slechte wegen van de Pamir. Dat mijn spaken maar niet in stukken spatten.

Bang ook omdat het de volgende twee dagen van 2000 naar dubbel zoveel meter boven de zeespiegel moet gaan, omdat ik geen ervaring heb met fietsen bij gebrekkige zuurstof en omdat het in de nachten tandenklapperen wordt.

Waar ik tegenwoordig niet meer zo bang voor ben, is een pak slaag. Bij elke handdruk geven de Pamirese mannen elkaar een kusje op de wang. Vrouwen lopen vaak hand in hand. Dan moeten een paar gekleurde streepjes wel kunnen, toch? Vandaag durf ik dus weer met trots het truitje aan van Vitesse Coffee & Cycling.

Om het Pamirgebergte te doorkruisen, zijn er drie grote routes. De gravelgekkies nemen de meest noordelijke, kortere Bartangvallei, avontuurlijker vanwege onverharde paden en talloze rivieren die afhankelijk van de recente neerslag wadend of liftend moeten worden overgestoken. De rammel-masochisten nemen de zuidelijke Wakhanvallei, verder langs de Afghaanse grens over afschuwelijke wegen maar blijkbaar wel met de meest weidse van alle panorama’s. Deze rollende sherpa houdt het bij de middelste, oeroude M41, ofwel de echte Pamir Highway, met een stuk over een plateau op 4000 meter een van de hoogste historische routes op aarde. Avontuurlijk genoeg, dunkt mij.

Het gaat meteen door een reeks kolonnades die schaduw bieden en zicht op de groenblauwe rivier tussen de bruine bergen. Na een afdalinkje worden nog maar eens mijn paspoort en toelatingsbewijs voor de GBAO gecheckt door een uiterst vriendelijke ambtenaar. In de dorpen klinken wederom alom de hello’s en hawajoe’s, al komen uit de monden van stoere tienerjongens soms vreemde geluiden, zoals modarfokyu’. Dat zal vast iets Pamirees zijn.

Alleenstaande bomen werpen verraderlijke schaduwen over het wegdek waarin het moeilijker is oneffenheden op tijd te herkennen. Na 20 km volgt nieuw, smetteloos asfalt. De bomen verdwijnen en het is in de volle zon genieten van de warmte, zolang die nog zindert.

Na bijna twee uur fietsen besef ik dat ik vanochtend stomweg vergeten ben om mijn sleutels af te geven. Gelukkig kunnen de tegenliggende wagens niet anders dan naar Khorog rijden en zo heb ik bij de eerste meteen beet. De behulpzame familie vraagt het nummer van de gastheer en 2 minuten later is het mijn zorg al niet meer.

Bij een kleurrijk schoolgebouw kan ik onder een afdak pauzeren en ze vragen meteen of ik soep wil. ‘Oei’, zeg ik bij het zicht van de minestrone-achtige massa, ‘er zit tóch vlees in?’. ‘Dat is geen vlees’, zegt de soepbezorger, ‘dat is worst’. Ach zo.

Sinds ik door de Pamir fiets, merk ik een verhoogde aandacht van vrouwen op. Ze stellen vragen en overleggen giechelend terwijl ze me van kop tot teen aankijken. In de streken die achter me liggen, zou dat ondenkbaar zijn. De Pamirese soennieten volgen de islam minder strikt dan in omliggende landen en veel van de vrouwen hier doen niet aan hidjab of slechts aan een lichte vorm daarvan. Daaromtrent zou ook weinig onderlinge bemoeienis of veroordeling bestaan, aldus een Khoroggenaar, gisteren in de bazaar.

In de market begint het aloude praatje aardig te lukken. Russisch is qua woordenschat en grammatica veel makkelijker dan pakweg Turks, al is op de uitspraak geen grip te krijgen. De helft van de klinkers spreek je anders uit dan ze er staan en er is geen manier om te weten hoe. Je moet het gewoon weten. Aan Tadzjieks of de lokalere Pamiri dialecten waag ik me niet. Het zijn Perzische talen en dat zou weer van nul beginnen betekenen.

Als om 17 uur het hele dal in de schaduw valt, is het meteen frisser. De zon gaat steeds vroeger onder. Het ene moment is de Gund een smalle waterval met ongeloofwaardige hangbruggen overheen, het volgende moment is ze een breed vlechtwerk in een groen plateau.

Tegen de verwachting in zit er een pietluttig winkeltje – zo klein dat ik met mijn helm tegen de chambrang stoot – waar ze geen druppel water verkopen. Een plek zoeken neemt weer wat tijd en zo overschrijd ik toch nog net de kaap van honderd vandaag. Op privégrond bij een kleine waterloop mag ik volgens een kind staan, dus sla ik haastig kamp op. Het koelt in geen tijd af en ik moet mijn vingers al bij het koken ontdooien boven de pruttelende pot. Nadien is het meteen de tent in en hopen dat de al te strenge kou maar buiten blijft vannacht.  

12 september | Pish – Ruïne

Als de dag kriekt, is het in de slaapzak nog warm maar de buitenwereld die moet nog ontdooien. Ik rits de tent open en voor mijn neus staat er al een goedaardige boer klaar met een rist vragen. Door het weiland lopen kinderen, op weg naar school, in piekfijn uniform. Het temperatuurverschil tussen het moment van opstaan en vertrek is enorm. Misschien omdat ik er drie uur over doe.

Uit de andere richting verschijnen twee dikke fietsen van een Brits koppel. Ze zijn 11 maand onderweg, komen uit Azië en gaan binnenkort naar huis. Ze informeren me over de mistroostige toestand van de weg straks en duiden aan op de kaart waar ik de komende 200 km allemaal geen water en geen brood zal kunnen vinden. Jonathan schrijft ook een veel te uitvoerige blog en we beloven elkaar te gaan volgen. ‘We worden oud’, zegt hij. ‘We moeten maar eens naar huis toe. Wat kinderen maken’.

Op 3400 m overleeft er nog een vlakte van groengele bussels struiken maar in de verte is hogerop geen gebladerte meer te bekennen. Hier zou wel eens die fameuze boomgrens kunnen liggen. Door een woestijnachtig hooggebergte lijkt schaduw vinden amper nog mogelijk. Onder de laatste struiken ligt nog een plek aan een stroompje om wat te eten voor ik aan een zware klim begin. Op de steile bergop gaat mijn ademhaling merkbaar sneller, de lucht wordt ijler.

Op een mossige vlakte hossen dikke, rosse marmotten rond. Er lopen er wel tien tegelijk en allemaal schieten ze het dichtstbijzijnde hol in. Vanaf daar volgen steeds steilere hellingen elkaar op, met zicht op overgebleven gletsjertjes bovenop afgelegen bergtoppen. Uit de tegengestelde richting komen met veel gebulder vrachtwagens gesjeesd en elke keer is het een Chinese Shacman.

Dan kabbelt de rivier veel gelatener tussen bruine bulten door een groen bekken. Het gaat steiler omhoog dan verwacht en dan volgt de kroon op de rit, een onverharde klim van 3900 naar 4300 m. De verwachting van 90 km stel ik alvast bij naar 75. Tijdig stoppen (17 uur) was het doel vandaag, maar ik hoop er al niet meer op.

Als ik pauzeer voor een foto van een uitzicht dat daarom vraagt, is het meteen rillen in de kille wind. Snel door, zodat ik nog kan afdalen voor de vroege nacht valt. In een evenwichtsoefening over grote keien laveer ik naar boven. Als ik mijn bidon wil wegmoffelen, verlies ik al de controle, maar aan 5 km/u maak je niet snel brokken. Mijn nek zit geblokkeerd, mijn darmen in de knoop en mijn keel in waternood maar stoppen is geen optie nu. Als er even geen tegenliggers zijn, is het geknerp van fietsbanden het enige hoorbare.

Op 4300 meter staan er geen felicitaties, geen bordje, geen paaltje, niks. Gelukkig wel wat rugwind.

De tijd dringt. Het koelt af en de zon zakt weg achter de allerhoogste pieken. Net als het vooruit moet gaan, merk ik een platte achterband op. Geen tijd, oppompen en door. Ik trek twee paar handschoenen aan en rij door een onaards landschap te midden de gelige vegetatie van een stroompjesgebied. Soms houdt een stuk asfalt abrupt op in grote keien. Zo gaat het de hele tijd van 30 naar 5 per uur en weer terug.

Net voor 18 uur kom ik toe bij een feeërieke plek achter een ruïne. De zon is bijna verdwenen dus de aankomsttactiek moet worden omgegooid. Eerst duik ik het stromende smeltwater in en dan gaat de tent recht. Het is mogelijk de koudste wasbeurt die ik ooit heb meegemaakt. Tussen de murenresten maak ik, zo goed mogelijk uit de wind, traditioneel Pamirees fietsersvoer: instant noodles, op smaak gebracht met rivierwater en hopelijk niet te veel geitenkak. Ik voel de neiging om mijn tenen mee in de warme pot te soppen.

Om 20.15 uur lig ik met meerdere lagen kleren aan in mijn dikke, donzen slaapzak. Wat een leven!

13 september | Ruïne – Murghab

Als de wekker gaat, is de zon nog niet op, dus blijf ik ook nog een kwartier liggen. Samen staan we op in een toendra-achtig landschap om stil van te worden. De eerste taak is om water te koken voor een verkwikkende jatte koffie en de rest voor in de drinkbus. Het is nog 40 km tot de eerste en enige winkel van de dag.

Als ik met mijn kop in de tent wat oprommel, klinken er plots nieuwe geluiden. Drie honden stuiteren en snuffelen rond mijn tent en een springt er zelfs bovenop. Er komt een grote kudde geiten en schapen aangedromd. De herder en ik leiden de beesten rond de tent door stenen naast ze te mikken en enkele minuten later zijn ze alweer verdwenen uit het zicht. Nu is water van de rivier drinken niet verstandig meer, aangezien ze hogerop verzekerd permanent wordt volgekeuteld.

Dan probeer ik eens ultravroeg te vertrekken omdat er een zware, lange rit klaarligt en dan blijkt ook mijn voorband plat. Als de fiets eindelijk op de weg staat, is de splinternieuwe binnenband alweer leeggelopen. Inderhaast heb ik de beginnersfout gemaakt om de buitenband niet op scherpe voorwerpen te controleren. Ik trek er een stekel van wel 3 cm uit en vermoed dat ze me tot in de hoofdstad hebben horen brullen van ‘Hoe kunde nu zo stom zijn!’.

Zo blij als een kind was ik vanmorgen opgestaan. Wanneer ik bijna vijf uur later pas kan vertrekken, schiet van dat enthousiasme niks meer over. Na exact 1 minuut fietsen ontmoet ik uit de andere richting een groot geel Ortlieb-gevaarte, achtervolgd door een Tadzjiekse hond. De bestuurder heet Frank en we kunnen met mekaar gewoon Vlaams klappen. Hij adviseert me om rustig aan te doen, niet te veel in te zitten met vertragingen zoals die van vanochtend en om bovenal te genieten. Hij heeft gelijk hoor, maar ik ben nu eenmaal ietwat doelgericht getikketakt.

Het doel van de dag moet sowieso bijgestuurd nu. Ik luister maar naar Frank, hak de knoop door en in dezelfde vloeiende beweging de rit in twee. Zo smelt de stress als gletsjerijs voor de zon. Vandaag hoef ik dan enkel nog naar Alichur, amper 40 km omhoog en omlaag over rotwegen. Of hoe een korte ontmoeting met een kalme, sympathieke Vlaming van mij bijna een zenboeddhist maakt. Dank, meester Frank.

Boven over de bergen waait de wind loeihard in mijn rug. Het lijkt wel of ik meteen word bedankt voor de hervonden kalmte. Richting Alichur gaat het veel harder dan verwacht, met dertig over een baan die er beter bij ligt dan de Britten hadden beweerd. Tussen de kale, bruine toppen ligt een donkerblauwgroen zoutmeer, waarrond bijna niets groeit, enkel een bruin tapijtje van lage plantjes en gras.

Vanop een topje wordt Alichur zichtbaar, een nederzetting van voornamelijk witte gebouwen van één verdieping. Op dat moment springt weer dat duiveltje op mijn rechterschouder. ‘Het is 14 uur. Gade gij nu al stoppen? Ge hebt de wind in de rug en die Britten hebben gezegd dat het asfalt perfect ligt van hier tot in Murghab. 100 kilometer, dat haalt gij gemakkelijk. Ge kunt nog tot na 19 uur fietsen als ge in Murghab een kamer huurt. Wat is ‘t, ebde bang dat ge weer ne nacht in de kou gaat moeten slapen? Flauwerik.’

Ik kijk naar links voor tegenargumenten. ‘Alsof wat ik nu zeg een verschil gaat maken?’, sneert mijn engelbewaarster. Goed punt.

‘’t Is al goed, kwelgeest!’, snauw ik. ‘En het is zijde bang.’ De demon tovert tevreden een bazooka tevoorschijn en schiet, van oor tot oor, de boeddhist in mij morsdood.

Het duurt veel te lang voor ik het enige winkeltje in Alichur vind. Het gamma is beter dan verwacht met onder andere flessenwater, komkommer en fietsbanden, al is er weinig energierijks te koop. Zoals altijd is er een groot aanbod aan snoepjes en koeken in bulk, en ook spaghetti kan je er per droge sliert kopen, wat mij wel goed uitkomt als ik straks voor Murghab strand.

De bizarre lunch van koekjes, druiven, komkommer, pinda’s en één snee brood stomp ik halsoverkop naar binnen terwijl ik mijn rijwiel gestroomlijnder optuig voor de rest van de rit. De grinta grijpt me vast. Om mijn benen wikkelt zich een harnas van knaldrang. Keihard stuif ik Alichur uit, licht naar boven maar met de dertig als streefdoel. De komende 4 uren ga ik mezelf compleet naar de tering trappen.

Een tegenliggende vrachtwagen vervoert … een vrachtwagen. Dat kan toch efficiënter, lijkt me. Bij een eenzaam gebouw, ergens in het nergens, liggen wel vijf honden te luibakken op het asfalt. Mijn passage doet ze niks.

Perfect asphalt’ hadden de Britten gezegd. Bollocks! Over de baan vol smalle kammen tussen kraters in het wegdek is het constant slalommen en focussen. Een konvooi identieke, dus gehuurde, Kirgizische jeeps toetert me van de baan af alsof hun vlotte doorgang belangrijker is dan de mijne. Een motorrijder vertrekt uit de kant, net op het moment dat ik kom aanrijden, en heeft geen idee hoe hard hij me daarmee het zicht belemmerd. Door hem knal ik in een kuil, waardoor mijn tas los klapt en mijn bagage herschikt moet worden.

Op het hoogste punt van de rit gun ik me 5 minuten pauze voor voedsel, water, jas en handschoenen. Nog 50 kilometer licht naar beneden, het ene stuk vlot berijdbaar, het volgende amper. Er volgen enkele van de mooiste uitzichten van de dag, maar voor slechts één ervan trek ik nog met mijn tanden mijn wanten uit om met die ’s winters zo waardeloze vingers van mij een beeld te schieten terwijl de zon zijn laatste lichten strooit.

Op enkele kilometers van Murghab moet ik pas een extra lamp op mijn kop om goed het wegdek te kunnen zien. Voor de stad wordt in het donker mijn GBAO-permit nog maar eens gecontroleerd. Het voelt bijlange niet zo koud als verwacht. Ik zweet me nog een ongeluk met enkel een windstopper overaan.

Pompaf na bijna 150 km stop ik in Murghab bij de eerste guesthouse, waar ik meteen word verwelkomd. Ze hebben geen internet, maar dat heeft blijkbaar niemand in Murghab, want er is onlangs een Shacman tegen een zendmast geklapt. Het plan was om hier te gaan plannen. Wat moet ik nu morgen een hele dag gaan doen?

Al die angst van enkele dagen terug is voorlopig gelukkig onterecht gebleken, maar toch gaan we eruit met een harde banger. Take it away, Robbie!

2 reacties op “23. Pamir, Pt. 2”

  1. alwaysd0b198e590 Avatar
    alwaysd0b198e590


    Ongelofelijk mooie avonturen en prachtig beschreven, een genot om te mogen lezen

    Geliked door 1 persoon

  2.  Avatar
    Anoniem

    Die uitzichten, prachtig! En dat taalspel, heerlie. Goed aan ’t knallen, niet vergeten genieten x

    Geliked door 1 persoon