привет & Салам!
Voorbij Murghab volgde het sluitstuk van de Pamir Highway, tot aan mijn vroegtijdige afslag, met nog enkele memorabele hoogtepunten. In het derde luik leerde ik fijne mensen kennen, grappige dieren, een nieuw land en een niemandsland. Hoewel de indruk van Kirgizië erg kort was, was die zo krachtig dat ik met zekerheid ooit terugga. Met de winter in aantocht stonden voor nu mijn zinnen op dat ene grote, onbekende land. Mijn zogezegde doel.
15 september | Murghab – Ruïne (karavanserai)
Vroeg op, want vandaag volgt de parel aan de puntige Pamirkroon. Aan het ontbijt van spiegeleieren en uitgedroogd platbrood complimenteren andere fietsers me op mijn snelheid. Het laat me niet onfier. In een bevestigende stemming laad ik alras mijn tassen in en zo zit ik al iets na achten te zadel. Zo vertrek ik vroeger dan ooit, richting de Ak Baitalpas. Claude, een Franse fietser en fotograaf, die gisteravond plots in mijn slaapkamer lag, staat erop nog een kleine shoot te doen voor ik aan de rit begin.
De rustdag in Murghab was bijzonder … rustig. Doordat in dit hooggelegen stadje nergens internet te vinden is, behalve in een pokkeduur hotel, heb ik een groot deel van de tijd in het bijhorende restaurant doorgebracht en de lobby, parasiterend op de wifi. De bazaar, de banken en de meeste winkels waren gesloten en zo viel er praktisch weinig voor te bereiden.


In de stad wonen opvallend veel Kirgiezen, te herkennen aan het gelaat en de klederdracht. De dames elk een praktische doek om het haar gebonden, de mannen een wit, hoog hoedje met zwarte patronen.
Hoewel de zon al hoog aan de hemel staat, is het nog fris. Vanaf Murghab gaat het over een plateau omgord door bruine vierduizenders waarvan er slechts één in de verte wit is met een bolle top. Misschien is dat dan een vijfduizender. Naast een markante rustplaats is het windstil en daarmee muisstil. Mijn oren tuiten, allicht door de hoogte, hoor ik nu pas.


Terwijl ik een merkwaardig platte baan volg tussen de hoge toppen, verschijnt op links een zeldzame groene pelouse en daarop een kudde zwarte jaks. De Tadzjieken zijn trots op dat langharige rund, hun nationale flutbier is er zelfs naar vernoemd. Elk van de bultenaars staat schijnbaar stokstijf en graast op een afstand van de andere. Rechts stroomt verrassend rustig een rivier in strengen. De setting is fabelachtig en rustgevend, te meer omdat ik vandaag meer ruimte voel om er op het gemak van te genieten.
De weg loopt zacht omhoog, tientallen kilometers aan een stuk, tussen titaneske schepselen. Wat verder word ik ingehaald door hetzelfde Italiaans-Duitse motorduo dat ik al verschillende keren zag sinds Aqtau. Bij een grote oversteek van een kudde spreken we elkaar voor het eerst echt. Deze race is nog niet voorbij.


Het asfalt ligt er vrij goed bij en wordt opgeluisterd door uitgedroogde, roodgeschakeerde, bruine struikjes. Het lukt om meer dan 20 te trappen en sinds Murghab is het gedaan met al het vrachtverkeer uit China. Het is nu al een wonderlijke dag.
Hoe dichter bij de piek, hoe meer de korte cols elkaar opvolgen. Op rechts loopt tussen de bruine bergen een even bruin hek maar daarachter kan China nog niet meteen liggen. Het moet gaan om een enorme strook niemandsland. Het komt nu wel heel dichtbij.
Langs de weg staan her en der steenmannetjes ter begroeting, vermoedelijk betekenisvolle bouwsels door wegenwerkers of anders het werk van toeristen die het landschap nog wat meer wilden romantiseren. Vanuit een inhalende jeep ontmoet ik Francesco en Sonja, een Italiaans koppel dat gisteren mijn restaurantrekening betaalde in ruil voor mijn reisverhaal. Zo is de sympathie voor de gemotoriseerde toerist weer wat hersteld.


Nog geen kilometer na de schaft versnelt mijn ademhaling merkbaar. De top is niet ver meer. Over de weg waggelt haastig een logge marmot. Een paartje kruipt naar de top van een heuvel om de omgeving af te speuren. Als ik te dicht ben genaderd, in mijn poging een scherpe foto te nemen, krijst een van hen in een gek stemmetje dat er gevaar dreigt. Ik laat de potsierlijke roskoppen maar in hun habitat met rust.
Hoewel immer bruin zijn de bergen in de Pamir van allerlei pluimage. Sommige scherp en grillig, andere met gladde bergwanden die haast gestuct lijken. Op 5 km van de klim komt de wind snoeihard de uitdaging aanscherpen. Nog 300 m steil omhoog, over los grind en met tegenwind, maar niet met tegenzin.


Het laatste stuk is afgrijselijk steil. Mijn tikker gaat tekeer, mijn longen zijn een blaasbalg. Duizelingen. Steken. Hoofdpijn. Hallucinaties? Elk nieuw steenmannetje is een seconde lang een marmot. Vanaf 150 hoogtemeters van de top is het om de zoveel tijd ademhappen. Mijn hart bonst in mijn schedel.
Helaas moet ik in de laatste, stoffige chicane de pedalen vieren en de fiets een stukje duwen. Een uur later dan berekend arriveer ik dan eindelijk op het dak van de Pamir Highway, op 4655 meter. Het uitzicht is overweldigend. Zo hoog was ik nog nooit, en dat op die onnozele tweewieler van mij (Sorry, Ventsi!). Ik voel me geëmotioneerd en trots.


Twee Franse fietsers hadden me bij de voet van de klim gewaarschuwd voor de weg na de top. Het is een en al ribbelpad, onder fietsers ook bekend als washboard, ook wel dikke kakweg. Het gras lijkt wel oranje, de bergen in de verte blauw. Of ik ben net in een heel andere vallei gevallen of ik ben nog high en aan het ribbeltrippen.
Bij een joert spurt een jongeman naar de weg toe als hij me ziet aanrijden, gebarend van eten en slapen. De graagte waarmee hij me wil binnenlokken, verraadt dat ze hier veel geld verdienen aan toeristen. Bovendien word ik niet heel warm van een avondmaal van jakvlees met jakmelk, jakkes! Verderop kan ik wel gratis en van dichtbij de bromrunderen bewonderen.




Iets na vijven passeer ik een enorme vlakte en een ruïne van een karavanserai, een oude stopplaats voor handelaren, ontstaan op de zijderoute. Dat bergmeer ga ik toch niet meer halen dus ik kijk binnen de oude muren of er een tent past. Natuurlijk kamperen er al twee fietsers, elk in hun eigen luxekamer. Mike en Mina, die ik afzonderlijk al leerde kennen in Murghab, zoeken hier vanavond samen beschutting tegen de wind en ik mag bij in het gezellige onderonsje. De ruïne telt meerdere kamers en we grappen over hoe het misschien wel het beste hotel is in de hele Pamir. We koken elk ons voorziene avondmaal en delen reisverhalen. Een plezante, spontane afsluiter van een formidabele dag.


16 september | Ruïne – Grenspost (Kirgizië)
‘s Ochtends is de vlakte bevroren, de rivier van kristal. We staan om 6 uur op en ontbijten samen maar ik dring er bij Mina en Mike op aan dat ze niet op mij moeten wachten. Ik ruim veel te traag op. Het doel is nu die twee inhalen natuurlijk, en wel over een wonderlijk wit rijmland van oranje gras en helblauwe poelen.



Op een lange lijn over een gunstig vals plat probeer ik 30 aan te houden. Als er een oranje jas en een fluogele muts in de verte verschijnen, voel ik nog meer energie om mijn twee collega’s bij te benen. De zon schijnt volop maar het is verdikkeme fris aan de vingers. Een pees in mijn linkerhandpalm heeft genoeg van al dat fietsen en stuurt gekke signalen tot aan mijn elleboog.


In de enige nederzetting van de dag, Karakul, aan het gelijknamige meer, kan ik in het hotel prijzig water en een snack kopen. De reisleider van een troep Indonesische toeristen wordt dolenthousiast van een fietsreiziger en overlaadt me met chocolade en steelt ook nog wat sneden brood uit mandjes voor mij. Mijn compagnons arriveren, we slaan nog een babbeltje bij de lokale snoepwinkel en dan ga ik er alleen vandoor, rond het meer en richting de grens.
Doorheen het Pamirgebergte lagen er verbazend weinig besneeuwde toppen maar hier verheffen ze zich majestueus achter het kobaltblauwe Karakulmeer. Het contrast met de oranjebruine en witte grasvlakte ervoor maakt een onvoorstelbaar landschap. Op rechts loopt nog steeds het hek voor het niemandsland tussen Tadzjikistan en China.



Op de eerste echte bergop wuif ik de grote poel adieu en wijk af. Als ik boven hijgend toekom, staat er een juichend welkomstcomité klaar in de vorm van een buslading toeristen. De Zwitserse Josef legt het op beeld vast en belooft me de foto’s te sturen. Weer op adem zet ik koers naar de volgende col. De wind waait keihard en steenkoud. Tegen een onzichtbare muur haal ik bergaf nog geen 10 per uur. Het gaat steeds harder met de wind en de baan verandert in een puinhoop. Zo haal ik nooit meer Sary- Tash.


Van achter de Kirgizische bergen doemen steeds meer en grijzere wolken op. Ik trap me helemaal kapot maar kom amper vooruit. Pauzeren voor eten kan niet door de allesverkleumende wind. Geraak ik vandaag nog op een veilige kampeerplek?
In een lichte paniektoestand moet ik kleren bij aantrekken en tegelijkertijd verhinderen dat alles wegvliegt. Snel een krachtreep en water binnen en op naar de volgende grote klim. Fietsend drinken lukt amper of ik word de kant in geblazen. Na twee uur sterven zie ik een gebouw in de verte aan voor de grensovergang, maar het blijkt een legerbasis. Een pekzwarte hond volgt me, leidt de weg zelfs en voelt aan als een engelbewaarder. Dit gaat me lukken.
Onderweg naar boven duizel ik van de inspanning. Het weer wordt steeds enger en de hele uitdaging begint aan te voelen als krankzinnige waaghalzerij. In het kale landschap is nergens een kampeermogelijkheid te bespeuren want overal heeft de snedige wind vrij spel.


Op adrenaline trap ik maar door tot om 17 uur op 4200 meter dan de Tadzjiekse grenscontrole verschijnt. Terwijl mijn paspoort wordt gestempeld, kan ik even uitblazen op een stoel in de warmte. Het is dan nog 2 kilometer lang klimmen voor de langverwachte afdaling naar Sary-Tash. Net als ik op het hoogste punt toekom, vliegen de eerste sneeuwvlokken in mijn ogen.
Met een extra laag kleren, handschoenen en toch weer de bril op, vertrek ik in de met stenen bezaaide haarspeldbochten naar beneden. Het is gekkenwerk, maar als ik doorzet, kan ik over 2,5 uur nog aankomen bij een warme guesthouse.
Als ik 5 km na de eerste controle een gebouw met Kirgizische vlag zie, vermoed ik dat het eindelijk de tweede controlepost is. Het blijkt een militaire basis van grenswachters. De aanvoerder komt enthousiast en merkbaar aangeschoten naar buiten en nodigt me uit om bij hen de nacht door te brengen. Even twijfel ik, want ik wilde echt naar Sary-Tash, maar dan moet ik toegeven dat het de veiligste keuze is. Ik krijg een kille, kale kamer in een leegstand pand toegewezen maar dat is wel duizend keer beter dan buiten in de vriezende wind.
De soldaten roepen me binnen in hun warmgestookte hut en ik krijg er meteen een tas thee in mijn handen geduwd en een vork om mee te schranzen uit de schaal vol vlees, aardappelen en look in een licht pikante vleesjus. De mannen moeten lachen omdat ik het versgebraden kalf (of lam?) niet lust, maar zijn wel zo lief om alle patatten mijn kant op te schuiven.
De luidruchtigste stuiterbal van de hoop daagt me uit voor een armworstelgevecht en laat me na een toneeltje overduidelijk winnen, tot grote hilariteit bij alle anderen. De aanvoerder leert me graag een hoop Russische woorden in ruil voor Engelse en Duitse vocabulaire.
Vanavond slaap ik in een krot in het niemandsland tussen Tadzjikistan en Kirgizië, en dat blijkt de beste keuze van de iets te avontuurlijke dag.



17 september | Grenspost – Sary-Tash
Om 8 uur stap ik op de fiets voor mijn krakende pand. Deze bergen zouden van mij nog een ochtendmens maken, ware het niet dat ik ze binnenkort uitbol.
Na exact één kilometer afdalen, ontmoet ik een tegenliggende Nieuw-Zeelander. Hij heeft ook tussen de grenscontroles geslapen in een leegstaande caravan. Daar merk ik dat mijn achteruitkijkspiegel verdwenen is. Ik vergezel de kiwi voor de kilometer naar boven maar zie in of rond de hut mijn eigen beeltenis niet terug.

De nieuwe Kirgizische bergen zijn plots rood, de rivieren bevroren. Hoewel de zon schijnt, is het koud. Er verschijnt weer asfalt en de bergen verkleuren naar geel en goud. Eenzaam rijd ik langs een uitgestrekte rivierbedding in de kille ochtendlucht. Het is de mooiste alpiene skyline die ik ooit heb bewonderd en het idee dat ik tot hier met de fiets ben gekomen, voelt onwerkelijk.


Dan staat de weg geblokkeerd door een kudde jaks. Ik heb geen ervaring met de beesten en weet niet hoe beschermend ze zijn voor hun kalveren. Voorzichtig nader ik, rinkelend met mijn fietsbel, waardoor ze vanzelf plaatsmaken.
Vandaag pas kom ik erachter dat die onnozele, knalrode rubberen werkhandschoenen van mij een telefoonscherm kunnen bedienen. Het zijn gewoon de beste handschoenen ter wereld!


Na meer dan 20 km in het no man’s land verschijnt dan eindelijk de Kirgizische grenscontrole, veel moderner dan de Tadzjiekse. De stompe toppen voor me wekken de indruk dat het scherpe hooggebergte nu voorgoed achter me ligt. Zover als ik kan zien, groeit er geel gras. Dat ik de vredige afdaling vandaag met zon en zicht kan afleggen, bevestigt wel dat het de juiste keuze was om gisteravond bij de soldaten te blijven.
Na wat meer dan twee uur bergaf meetrappen verschijnt in de verte Sary-Tash. Op 3100 meter is het nog steeds een bergdorp te noemen, maar het voelt als een bevrijding uit de onherbergzame hoogten. Zodra ik een rivier van rood slib oversteek, voelt het keiheet aan op het plateau. Niet veel later arriveer ik in het populaire Akun Guest House, waar ik weer maar eens andere, bekende, zongebruinde gezichten tegen het lijf rij.


18 september | Sary-Tash
19 september | Sary-Tash – China
Als de wekker afgaat, is het nog donker. Over Sary-Tash en de omliggende bergen ligt een dun wit laken. ‘In september begint de Kirgizische winter’, hadden de soldaten gelachen. Ze maakten geen grap. Maar goed dat ik vandaag al wegtrek uit dat vriezige Kirgizië. Op naar het volgende onontgonnen land!
Van deze dag heb ik lang een beeld in mijn hoofd gehad, maar daarin kwamen nooit handschoenen, warme kledij en een sneeuwtapijt voor. Bij het buitenrijden van Sary-Tash is het zicht op de bergen irreëel. Ze steken nog duizenden meters hoger uit dan de vlakte en ogen vandaag plots wit en zwart. De tegenstelling met de geelgroene vlakte vol grazende zwarte spatjes heeft iets van een droomwereld.


Hoewel ik boven 3000 meter tussen heuvelachtige, bepoederde bergtopjes klim, voelt het al snel warm aan doordat de zon van tussen de wolken komt gluren. Vandaag ben ik opgetogen, al doe ik het ook een beetje in mijn lange broek voor de grenspost die eraankomt. Allerlei spullen zouden er niet doorheen mogen.
Her en der langs de weg staan fotogenieke, aftandse caravans, mogelijk schuilplekken voor herders. In beide richtingen rijden vrachtwagens die gevaarlijk inhalen. Uit gewoonte kijk ik in de spiegel die er niet meer hangt.



Het beeld van de baan die door een steeds besneeuwder landschap omhoog loopt, is verbluffend. Vanop een top kijkt een herder te paard uit over de heuvels als beschermer van zijn omvangrijke kudde geiten en schapen.
Aangekomen op het hoogste punt, op zo’n 3600 meter, sla ik af op een vochtig grindpad voor 10 km avontuur weg van de grote baan. Op het modderige kiezelpad regent het steentjes uit mijn spatlappen. Ook bij de lunch voelt de dag onwezenlijk aan, met op de vlekken sneeuw verwarde krekels die nog niet doorhebben dat de winter is gevallen. De fiets ziet er al niet meer uit, hoewel ik hem gisteren nog heb opgeblonken.


De vallei waar ik langsrij, is van een surrealistische gedaante. Onderaan kleuren op de flanken de eerste bomen naar de herfst. Daarboven verrijzen reusachtige hagelwitte bergtoppen. Dan gaat het over twee haarspeldstukken, een omhoog en een omlaag, en dan is de sneeuw spoorloos. De tijd om de grens te halen begint te dringen. Ze sluiten straks voor het hele weekend en er volgen eerst nog twee klims. De wind geleidt me als een knecht naar boven en steekt dan in de afdaling verraderlijk in de zij.

Uitchecken van Kirgizië duurt niet lang, al zijn er ook weer een stuk of 5 paspoortcontroles. Tegen de gulle glimlach van de grenswachters en een trucker die me gedroogde abrikozen schenkt, spreek ik er mijn laatste woorden Russisch.
Dan begint een reeks van controles om het volgende land binnen te mogen. Alle tassen moeten door de scanner, maar ik ben vandaag toch wel zo verstrooid geweest om mijn messen in een drinkbus te bewaren.
De douaniers zijn superprofessioneel, hartelijk en lachen achter hun mondmaskers vast wél om mijn mopjes. Al het verse fruit en de groenten die ik in Sary-Tash vanwege een goedgetimede bevoorrading nog als een grote schat op de kop kon tikken, gaan sito presto de vuilbak in. Geen enkel probleem, ik heb toch geen zin in een avondmaal vanavond!
China lijkt nu al fantastisch en een land waarover ik nooit een kritisch woord zal schrijven. Ik ben natuurlijk geen journalist. Nee, journalistiek, bah, dat nooit!
Het belooft weer een dolle rit te gaan worden in dit nieuwe, grote land, maar die belevenissen zullen voor een ander hoofdstuk zijn. Eén dat ik dan nooit ga publiceren. Echt niet hoor, beloofd.




Eén reactie op “24. Pamir, finale”
Wederom fantastisch om te lezen – en ook de hulp die je gekregen hebt van zo’n vriendelijke mensen
LikeGeliked door 1 persoon