25. Xinjiang

19-23 september | dag 135-139

ياخشىمۇسىز!

Geintje. Ook China zal ik trachten te verslaan.

Het verre westen van de Volksrepubliek is een bijzondere wereld. Twee volkeren leven er door elkaar en vaak is het even twijfelen of je nu met een Chinees of een Oeigoer te maken hebt. De paspoortcontroles op de Xinjiangse banen zijn onzinnig talrijk, maar gelukkig bleef ik van ergere politie-optredens gespaard. Na tweeëneenhalve rit verscheen daar al Kashgar, de laatste oude zijderoutestad op mijn traject.

19 september (2) | Grens – Jigin

Eens het land binnen wil ik wel een passant vragen om een foto, maar de setting is niet erg feestelijk en communiceren blijkt meteen een stuk lastiger. Maar goed, hoera, ik ben dus in China geraakt! In een winkel ruil ik wat geld om dan meteen koers te zetten richting binnenland.

De zon trekt weg en voor me schuifelen roze wolken boven bruine bergen, achter me gouden wolken boven grijze bergen. In wat voor wereld ben ik aangekomen?

In de eerste winkel overweldigt het aanbod. Toch koop ik enkel de groenten opnieuw die ik daarnet moest afgeven van de douaniers want nu was de goesting in rijst met wortel natuurlijk al zo groot. Vanwege een onhandig gebrek aan winkelmandjes verzamel ik mijn boodschappen maar bij de kassa, waarop het spierwit geschminkte gezicht van de kassierster vertrekt van verbazing. Ze lijkt wel een mimespeelster, zo onnozel ziet het eruit. Onder Han-Chinezen bestaan aparte schoonheidsidealen, en dat betekent vooral er zo weinig mogelijk uitzien als gekleurde minderheden.

In het laatste licht daal ik af naar een ideaal ogend doch zompig weiland waarin ik een schoen en sok verzuip. Over geweldig mobiel internet kan ik apetrots mijn lief inlichten dat ik levend in China ben toegekomen. Na de pan rijst kruip ik zo tevreden als wat in mijn tent, vol van vuur voor een nieuw avontuur.

20 september | Jigin – Ulugqat

Hoewel ik pas laat opsta, is de zon er nog niet bij. Tijd is iets geks in Xinjiang. Zelfs in de meest westelijke provincie van het uitgestrekte land wordt Beijing Time gevolgd. Om wel op het ritme van de zon te kunnen leven, wordt de dag gewoon verschoven. Winkels gaan laat open, mensen gaan laat slapen.

Vandaag rij ik de eerste van twee hele ritten door Xinjiang, voor de fietser naar verluidt een bloedenerverende politiestaat. De eerste agent die ik zie, geef ik een vriendelijk saluut, maar hij doet niks terug. De eerste politiewagen die me inhaalt, rijdt gewoon verder. Misschien ben ik door mijn rode tassen tussen de rode bergen onzichtbaar. Volgens voorgangers zou je hier op een dag tot wel 10 keer tegengehouden worden voor een paspoortcontrole. Vaak volgt dan ook nog een escorte, of erger, een taxiservice van tientallen kilometers zodat jij, als onvoorspelbare vreemdeling op de fiets, niet langer een probleem vormt binnen die politiezone.

Bij een winkel wil ik water en proviand kopen en ik sta al klaar om opnieuw met een handige, vooraf geïnstalleerde (belangrijk!) app te betalen. De betaling mislukt. Plots moeten al mijn paspoortgegevens worden ingeven, mijn telefoonnummer, adres en noem maar op. De verificatie-sms komt er niet door op mijn Belgische nummer. Goddank heb ik al zo’n €12 aan renminbi op zak. Tot de volgende stad is het nog 100 km. Voorlopig kan ik me dus niet veel veroorloven, maar gelukkig kost rijst met omelet en sappige groenten op restaurant maar 15 yuan (€1,8).

Het rode gebergte waar de gewestweg tussendoor loopt, is verre van lelijk maar bulkt van de onfraaie infrastructuur. Een man gooit met een sierlijk boogje zijn waterflesje plomp de natuur in. Automatisch werp ik een afkeurende blik terug. De zijne blijft schaamteloos ontspannen.

De ruimte naast de witte lijn wordt smaller en klemt me tegen de eeuwig lichtblauwe vangrails. Het helpt ook niet dat de middellijn op hele stukken vol staat met pylons opdat ongeduldige chauffeurs niet zouden inhalen waar het niet mag.

Na een langzame klim glip ik weer over een topje van net geen 3000 meter. Waar die hoogte gisteren in Kirgizië nog in sneeuw en strenge kou voorzag, kijk ik hier enkel uit op rood en bruin, kaal gesteente, opnieuw in korte mouwen.

Voor de laatste klim tank ik een restje Kirgizisch brood met de eerste roekeloze voedselaankoop van de doortocht, stinky tofu. Het is meteen een hartige voltreffer, maar jongens, zo pikant. Als het beneden weer plat loopt, komt de wind steeds feller opzetten. Het is zwoegen en de zon begint te zakken.

Of ik passeer bij Ulugqat slechts een verlaten douanepost, of ik rij verkeerd binnen en doe daarmee iets uitermate illegaals. Ik heb geen idee. Bij de eerste Bank of China stop ik snel 10 Mao Zedongs in mijn portefeuille. Ik kan voorlopig verder.

Op de kaart leek dit best een grote stad maar in werkelijkheid zijn het heel veel straten en heel weinig gebouwen. Ze verwachten hier kennelijk nog een bevolkingsexplosie. Voor ik het besef, is de stad verdwenen en daarmee de kans op verse voeding. Dan zal ik maar overleven op de voorraad want om nu nog rond te gaan zoeken is het te laat. Om een winkel te vinden kan je hier niet afgaan op intuïtie, en op Google Maps al zeker niet.

Dan moet ik nog de fiets door een werf zeulen en door afgezette straten dringen. Hier en daar word ik geflitst door camera’s en ik weet niet of dat is omdat ik geseind sta of gewoon een routineoperatie, maar ik moet door. Nog 10 kilometer.

2 kilometer voor de afslag is er weer een controlepost. De computer werkt niet en ik moet een heel eind meewandelen. Als we buitenkomen, is het donker. Op de terugweg naar de fiets neemt de agent een zonnebloem op en eet de pitten er zo uit. Op zoek naar culturele ervaringen doe ik hem maar na en krijg daar meteen spijt van als ik de rotzooi van tussen mijn tanden sta te peuteren.

Met de koplamp op vind ik de droge rivierbedding die een andere fietser had aangeraden op de app. Het gaat normaal niet regenen, dus het zal wel veilig zijn. De eenvoudige rijst met look en linzen krijgt nog een toets van stinky tofu en zo wordt het warempel nog een overheerlijk diner.

Snel die tent in, want het is keilaat.

21 september | Ulugqat – Kashgar

Als om 9:15 uur de zon pas boven de berg komt piepen, smeer ik al op mijn gemak toastjes met pindakaas op de tonen van The Tallest Man on Earth. Dezer dagen worden mijn beste vrienden ver van hier dertig en gelukkig is er in China overal mobiel internet om wensen uit te sturen. Ik duw de fiets uit de rivierbedding, weer richting blauwe vangrails.

Het gaat over een lange laan tussen populieren, wilgen, maïs en riet, parallel met de G3013. In China komt het erop aan de wegen met vier cijfers of twee cijfers na de letter te allen tijde te vermijden want die staan garant voor onmiddellijke politie-interventie. Een groep oranje jassen is bezig de berm van afval te verlossen, dus die weldoeners roep ik enthousiast ‘Ni Hao’ toe. Ze niehauwen terug en één van hen roept zelfs ‘Where are you from?’. Biliesji, zo heb ik al geleerd. Het klinkt bijna als Tbilisi.

Je kan hier tientallen kilometers rijden zonder een winkel te zien en dan zit er plots een gebouw met allemaal identieke voordeuren vol winkeltjes en restaurants. Ze verkopen water telkens enkel in hoeveelheden van 0,5 of 5 liter, niet erg handzaam voor de fietser. De lokale snotapen willen me allemaal de hand komen schudden maar daar zeg ik uit angst voor ziektekiemen toch vriendelijk nee tegen. In mijn woordenboek zoek ik tot ziens op. Als ik elke dag één Chinees woord leer, zal ik al blij zijn. Mijn stem gaat vanzelf de hoogte in als ik Mandarijn nadoe. Vreemd is dat.

Het bruine bergmassief op links lijkt wel opgetrokken uit stalagmieten. Langs de baan worden wegenwerken uitgevoerd, of ja, er wordt grind netjes geharkt en daardoor rijden er vandaag geen auto’s. Lekker veilig voor mij dus. Een schoffelaar tieft zijn afval achteloos op de grond. Op zichtbare afstand komen er alweer afvalrapers aan. Dat biedt wel werkgelegenheid natuurlijk.

Na 17 km zachtjes aan klimmen volgt enkel nog afdaling naar Kashgar. Dit wordt een poepsimpele rit en een heerlijke beloning na twee knoeperds van etappes. Bij de eerste politiecontrole hoop ik op wat comfort, maar de Chinese toiletten blijken net zo ‘Frans’ als in al wat ik tot hiertoe gezien heb van Azië. Enkele ogenblikken later is er weer een controlepost. Weer naar binnen en wel een kwartier wachten op mijn paspoort. Zo wordt het straks toch nog een langdurige rit.

In een restaurant stellen ze ongeveer hetzelfde als gisteren voor maar ik ben al blij als ze begrijpen dat er geen vlees in mag. ‘Spicy?’, vragen ze. Ik ga de uitdaging aan om ja te zeggen tot het een keer misloopt. De tienerzoon stelt me via de vertaler wel honderd vragen. Het is bizar dat Chinezen om hun eigen tekeningentaal te typen pinyin nodig hebben, de fonetische weergave in Latijns schrift.

Stampvol noedels stap ik op om 500 meter verder weer af te stappen. Paspoortcontrole. Het landschap wisselt de hele tijd af tussen kale, gegroefde bergwanden en aangeplante populierendreven. Maïskolven liggen met hopen te drogen in de zon. Verlichtingspalen torsen hele kroonluchters. Over de eindeloos rechtdoor lopende weg bol ik harder dan de Chinezen op hun elektrische scootertjes

Bij alweer een controle steek ik mijn paspoort al uit naar de agent, maar hij hoeft het niet te zien voor de verandering. Dan gaat het in een keer tussen twee reuzehoge taluds door en heb ik het gevoel dat ik opnieuw door een woestijn rij. Boven toegekomen wordt dat beeld nog meer bevestigd door een bruine vlakte en links een Oeigoerse begraafplaats met unieke bolvormige tombes.

Op een lange betonnen baan hangt het vol met rode wimpels, lampionnen, belettering en absurde hoeveelheden camera’s. Ik zwaai naar de flitsen als een filmster. Als ik op een gegeven moment mijn afslag mis en onmogelijk nog kan oversteken, hoef ik enkel terug te draaien en de locals in het oog te houden. Voor de elektrische snorfietsen zijn er ongeregelde oversteekmomenten en aparte paden waarvan de gps het bestaan niet afweet.

Na de aankomst in een gezellig hostel verken ik de omliggende straten op zoek naar een simkaart. Het moderne straatbeeld is extreem verschillend van Centraal-Azië. De dag sluit ik af in een spotgoedkoop all-you-can-eat dumplingrestaurant waar ik vanzelfsprekend iets te veel hooi op mijn stokjes neem. China wordt één groot eetfestijn, zoveel is duidelijk.

22-23 september | Kashgar

In Kashgar komt de cultuurshock pas hard aan. Waar in heel Centraal-Azië de grenzen slechts culturele rimpelingen teweegbrachten, bevind ik me nu in een compleet andere wereld van geheimschrift, elektrische tweewielers, technologie, drukte en overheerlijk eten. Ik trek grote ogen bij al wat ik ontdek en amuseer me te pletter met de absurditeiten die op elke straathoek opduiken. Sommige Chinese gewoonten, zoals roepen, boeren, slurpen, voorsteken, rochelen en fluimen vragen nog wel om wat gewenning.

Het oude centrum van de zijderoutestad Kashgar hebben de Chinezen omgetoverd tot een cultureel pretpark. Het is één grote prullenmarkt. Er is ook een drukbezochte food market waar mijn mond openvalt en volloopt van alle vreemde voedingswaren die je er kan proeven voor een schijntje: koude noedels, gefrituurde stinky tofu, eieren op de barbecue en voor de liefhebbers hopen vlees in heel grote pannen of op heel lange spiezen.

Vanuit het tophostel Ella’s Home bereid ik een treinrit voor naar andere oorden, weg uit de politiestaat en woestijn, opdat ik via een groenere route binnen de 30 dagen kan toekomen bij een bureau voor visumverlenging. De fiets en bagage doe ik een dag vooraf op de treinpost, waardoor ik er zelf niet naar hoef om te kijken. Omdat ze mijn messen, schaar en powerbanks bij een pakketdienst niet wilden aannemen, verstop ik die in de bagage, met succes.

Mijn treinticket boekte ik pas te laat en zo kom ik enkel aan een stoel voor een boemelrit van 32 uur. De ervaring is van meet af aan prikkelend in de uitdagende zin van het woord. Bovendien heb ik de voorzieningen totaal overschat. Er is geen wifi of stroom, veel te weinig bagageruimte, laat staan persoonlijke ruimte, orde of rust. Iedereen kijkt ongegeneerd filmpjes met geluid en passagiers debatteren alsof de hele wagon het moet horen. Conducteurs en verkopers schreeuwen daar nog overheen. Tot mijn verbazing draagt niemand een koptelefoon of oordopjes.

Niemand lijkt zo lang op de trein te zitten als ik, dus mijn buren veranderen af en toe, maar buren zijn er altijd. Ze spreken Chinees tegen me, steeds harder omdat ik het niet begrijp. De toilethygiëne laat te wensen over en tussen de wagons in wordt door mannen gekettingrookt en op de vloer gespuwd. Als enige Europeaan op de trein krijg ik veel bekijks en word ik zelfs bij de kleinste handelingen geobserveerd, maar er worden me ook allerlei soorten snacks aangeboden.

Dat die ene treinrit die ik in China moest doorstaan een van de grootste mini-avonturen van de reis zou worden, had ik niet kunnen voorspellen.

MUVI

Eén reactie op “25. Xinjiang”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Love is all x

    Geliked door 1 persoon