你好! (Ni hao!)
Na een rampzalige treinrit lag vanaf de noordelijke grootstad Lanzhou de weg open door een heel ander China. Het voelt als valsspelen, zo niet alles trappen, maar anders kon moeilijk.
Fietsen door de provincie Gansu voelde aan als een nieuw begin, als de start van de tweede helft van de reis, door Oost-Azië. Meteen werd ik overdonderd door herfstende landschappen, een vurige keuken, lijfelijke ongemakken en een overdosis aandacht.
27 september | Lanzhou – Gaoya
Na een extra rustdag door een verkoudheid en buikpijn, opgedaan op een helse treinrit van 32 uur, gepropt tussen in het wilde weg hoestende en fluimende passagiers, zoek ik mijn weg uit Lanzhou. In mijn bil schiet meteen een krampje. Twee dagen lang heb ik vergeefs de stad afgestruind op zoek naar magnesium. Online bestellen, raden apothekers me aan. Handig, als je geen vast adres hebt.
Vlakbij bleek wel een Specialized-store te zitten, waar een ketting en alweer een nieuwe trapas lagen te blinken. Die uit Doesjanbe kwam al te knarsen.
Onderweg naar het werk, mijn eerste fietsdag in groen China, passeer ik nog een bakkersstalletje. Dit land brengt meer brood voort dan verwacht. Onderweg pluk ik op een versmarkt van een vrolijke kraamster nog snel een magnesiumrijke banaan mee en matgroene reuzendruiven die smaken naar lychee.


De eerste regendruppels in tijden vallen op mijn blote armen. De herfst is neergestreken in Gansu. Aan een stoplicht stuit ik op een Chinese bikepacker en zo voel ik me al wat minder de vreemde pekingeend in de elektrische bijt. Een steeds weer door werken opgebroken baan loopt strak door een eindeloos verstedelijkt gebied. Als het na 20 km bijna voorbij lijkt, verschijnt daar al een nieuwe stad, weer met ontelbare wolkenkrabbers. Ga ik vandaag nog natuur zien?
Net als het lijkt alsof ik achter een sierboog eindelijk bevrijd zal worden, verschijnt in de mistige verte opnieuw een zee van hemelschartende flatgebouwen, afgewerkt met schuine daken. Hoeveel mensen hier op een kluit samenwonen is niet te vatten.



In Yuzhong wordt op de pleinen volop weekend gevierd. Een zangeres kweelt kattevals Mandarijn, begeleid door senioren die op houtblokken hilarisch ver naast de maat slaan. Tussen rode kiosken wordt met waaiers gezwaaid en in openlucht vindt een dansles plaats.
Als er eindelijk reliëf ontstaat van groene akkers en lössgronden, glariet daartussen een paarse bloemenpracht. De herfst is de nieuwe lente! Bergen als tetraëders priemen met hun toppen in een dikke wolkendeken. In de flanken schommelen terrassen, te schots en te scheef om gewassen te dragen. Hoe hoger, hoe strakker ze erbij gaan liggen en hoe meer kool erop vegeteren kan. Eens de top over, is het uitzicht op de etagetaart van roodbruine biscuit en groene slagroom nog appetijtelijker, al zit het licht vandaag helaas minder lekker.




Bij schemerlicht sla ik een klimmende, lemen weg op in de hoop dat het niet gaat gieten vannacht, of ik kan morgen naar beneden glijden. Op een braakliggend balkon waag ik me voor het eerst op een gasvuurtje aan de Chinese keuken. De hotpot-saus blijkt toch geen paddenstoelensmaak, maar wel gewoon keiharde chilipepers. Net als de voorbije dagen wordt het vuurvreten vanavond. Maar ja, alsof ik dat zo erg vind.


28 september | Gaoya – Longxi
Vreemde vogeltonen markeren het begin van de dag. Het zijn net kraaien maar daarvoor krassen ze te zuiver. Na een regenachtige nacht zijn het weiland en de buitentent kletsnat maar de hemel houdt het voorlopig droog.
Bij een knappe meander moet ik weer maar eens kabels kadreren. Heb ik in China al een beeld geschoten waar geen zwarte lijn doorheen vloekt? Over een betonnen weg, besmeurd met modder en bruine plassen die hun diepte niet verraden, vlot het niet maar is het wel aangenaam slalommen tussen groene heuvels. Naarmate de moddervallei hoger loopt, worden de uitzichten alleen maar verrukkelijker. In de verte pronkt een gebouw met die typisch Chinese wip aan de hoeken van het pannendak, al is de functie van veraf niet te raden.



Het valt op hoeveel aardappel er op de terrassen staat aangeplant, een ingrediënt dat hier al verrassend vaak op mijn bord verscheen. Op het dakterras, gelegen in een dichte nevel, stuurt de gps me het slijk in. Geen sprake van, zo kom ik zeker vast te zitten. Voor de afdaling sterk ik nog aan met groene thee, rijstkoeken en maancakejes, zoete pasteitjes die in Lanzhou immens populair bleken. Ze smaken niet, maar de vulling van gedroogd fruit, gelei en pinda’s levert hopelijk wel wat kracht.


Voorbij de piek wiegt de weg over een kam versierd met een geel bladerdek. Voor het eerst stopt er iemand voor een praatje. Niet dat dat lukt, maar het is wel sympathiek geprobeerd. De meeste Chinezen kijken me enkel aan met een stomverbaasde blik, inclusief theatraal opengevallen mond, en groeten niet of amper terug.

Bij de lunch liggen er indrukwekkende heuvelwanden in zicht beslagen met betonnen raamwerk dat moet tegengaan dat de aarde hier verschuift. Tussen de vegetatie, die hier en daar erg lijkt op die van gematigd Europa, vergeet ik soms dat ik tegenwoordig door China fiets. De boerenwoningen met een zwierige krul aan de tippen van de nok herinneren me er dan weer aan. Mijn effen betonnen weg loopt op het laatst krankzinnig scherp omhoog, met stukken van 16 tot 20%.



Na een onverharde kam en een afdaling over beton volgt een baan, van dorp naar dorp, tussen rood-groene heuvels, vol naden en rimpels, gekneed door eeuwen van landbouw. De grond moet hier buitengewoon vruchtbaar zijn. Zo gaat het kilometers door tot ik bij valavond aankom in Longxi, alweer een kranige stad. Er hangt regen in de lucht en in het eerste hotel mag de fiets gewoon de blinkende lobby in, met brokkelende klei en al.


Alle restaurants blijken al dicht, behalve eentje, waar je uit een koelkast je gewenste ingrediënten kiest, waarna ze in een rode olie van chili en sechuanpepers voor je worden gegaard. De naam, malatang, betekent ongeveer verdovend pikant. De eerste jonge Chinees die een Engelse zin kan knutselen, beweert dat je dit voedsel enkel en alleen in Longxi kan vinden. Dan emmekik weeral sjans, hé!
29 september | Longxi – Machang
‘s Ochtends vroeg al weerklinken er vuurwerksalvo’s. Er is iets op til. Bij een paifang, een typisch Chinese sierpoort, wordt net een supermarkt ingehuldigd in de aanwezigheid van twee dansende drakenmascottes. Het zijn dit soort culturele ervaringen waarvoor ik naar China ben gekomen. Vlakbij knalt alweer vuurwerk, galmend tegen de hoge gebouwen, waardoor het uit alle windrichtingen lijkt te klapperen.


Over een semi-drukke gewestweg loopt het licht bergaf tussen stapels geoogste maïskolven. Waar die straks naartoe gaan, is onduidelijk, maar op mijn bord kwam ik ze nog niet tegen. Door Wushan stroomt de Wei, zo bruin als chocomelk. Muurtjes bouwen van stenen en pannen heeft men hier tot een kunst van regelmaat verheven. Tussen de grillige heuvels nodigt een stenen kaboutertafeltje me uit voor een ongestoorde lunch in de schaduw. Een fazantenvrouwtje strijkt neer en flaneert fier uit het zicht met geheven staart.


In een veld staan drie dames heftig te kevelen, of gewoon te kletsen. Chinezen spreken altijd onbegrijpelijk luid. Grappig genoeg lijken hun sikkels, met een lange stok als heft en een lemmet als een toekansnavel, helemaal niet op die van het communistische symbool dat je hier zo vaak tegenkomt.
Nadien is het weer keihard klimmen door de kronkels, met zicht op terrassen die felgroen schitteren in de wederboren zon. Van bovenaf is haast niet te vatten hoe de mens de wereld zo naar zijn boerenhand kan zetten.


Een herder van een handvol dieren lacht zijn laatste tanden uit zijn mond bij het zicht van een fietsende langneus in zijn onaanzienlijke dorp. Langs de weg is zwarte vloeistof te koop in jerrycans, donkere druivenazijn die hier op alle restauranttafeltjes staat.
In Yanghe kunnen al mijn inkopen gewoon vanop straat. Door wat courgettes overvalt me het buitenissige idee om Italiaans te gaan kokerellen in China. Er houdt zich nog een binnengesmokkeld blikje tomatenconcentraat schuil in mijn droogvoerzak. Het enige verkeerde zullen de noedels zijn, dus ik kies die die het hardst op spaghetti gelijken, tegen het advies van de koopman in.
De smalle strook die de rivier opwaarts volgt tussen steile bergwanden is op elke vierkante centimeter bewerkt. Een plek vinden voor de tent lijkt onmogelijk. Uiteindelijk lukt het op een braakliggende akker, al moet daarvoor eerst de fiets nog een stroompje over. Terwijl de dauw zich al op het land neervlijt, voer ik mijn Italiaanse keukenexperiment uit. De slierten zijn als glibberige wurmen die niet doorgebeten willen worden maar verder smaakt de spagghetti alla Cinese perfetto.



30 september | Machang – Wangba
Een landbouwer met een rieten mand op zijn rug en een pieterige hond in zijn zog klautert over de stapelmuur en komt poolshoogte nemen. Zijn diepgegroefde hoofd komt maar net boven het mijne uit, maar ik zit in mijn stoel. Na drie uur te langzaam wakker worden, trek ik de fiets weer de weg op en voltooi de klim die ik gisteren niet af kon maken.
In het eerste dorp, verfraaid met aardige muurschilderingen, herteken ik de route zodat ik over twee dagen in een stad rust kan nemen. Een pees in mijn knie protesteert. Hoezo krijg ik daar nu pas last van?


De steeds bosrijkere omgeving kleurt naar een effener groen. Door geklingel van koebellen in de diepte waan ik me een ogenblik weer in Beieren. De weg ligt losjes over de bergkam gedrapeerd alsof die elk moment zijn evenwicht kan verliezen en de dieperik in glijden.


De kniepees schreeuwt om zorg. Nu stoppen zou verstandig zijn maar pas morgen kan ik in Longnan aankomen. Ik zet me neer voor dumplings, slik ontstekingsremmers mee door en hoop dat een uurtje rust al iets doet. Onder een dichtgetrokken hemel volgt een drukkere asfaltbaan, tussen wilgen en appelgaarden en dan door een nieuwe vallei, meer bergaf dan -op. Drie pubers op één scooter rijden minutenlang naast me voor een interview en verrassen me met wat complete Engelse zinnen. Naast een antieke brug worden fluiters de vallei in geknald. 200 meter verder ligt een dystopische woonwijk waarin geen twee van de kleine woningen van elkaar te onderscheiden zijn.


Het lukt niet om een plek te ontwaren en zo verdwijnt voor ik het wil het laatste daglicht. Dan neem ik maar vrede met een troosteloze weg op een werf en het voornemen morgen vroeger te vertrekken. Een gekke, dikke kikker hupt voorbij, overal glinsteren vuurvliegjes, het is weer zacht buiten en de voorspelde regen blijft uit. Ik mag mijn pollekes kussen.
1 oktober | Wangba – Longnan
Toegegeven, bij daglicht is de kampeerplek nog wel jofel. Door de nevel die tussen de groene bergwanden sluimert en de onvertrouwde vogelkreten, waan ik me in de jungle. Maar daar ben ik nog niet, eerder nog vrij noordelijk, en het is al oktober. September is voorbijgevlogen.
Op een ontbijt van restjes, cake en Brufen begroet ik een klim van 35 km. Vrijwel meteen pruttelt de knie tegen. Met nog een halve pil erbij wanhoop ik op beterschap. Het komt slecht uit dat net vandaag een van de zwaarste ritten van de hele reis klaarligt. Het is fris en er hangen klamme wolken. Prima klimweer, lijkt me.
Op de bodem van voorlopig geen rivier laat een man zijn ene koe uit. Vier honden scharrelen doelloos rond. De weg is een regenboog van verloren gelopen olie. In een zoektocht naar de minst belastende positie eindig ik permanent rechtstaand met de trapper in het midden van de voet. Alsof ik nog niet genoeg bekijks krijg van de staargrage dorpelingen, die vandaag met nog meer zijn omdat half China vrij heeft.


De vochtige bossen lossen op in de wolken en ik maak me klaar om langzaamaan mee te vervagen. Op 3 km van de top evolueert de nevel naar regen. Na vier uur rijden kom ik boven doornat toe. De baan verandert in een modder-fokking nachtmerrie maar gelukkig slechts voor even. Kilometers lang gaat het op-en-neer op een hoogte rond de 2400 meter en bij elke afdaling koel ik verder af. In de eenvoudige dorpen zitten geen restaurants om even in op te warmen.



In Maying zijn het weer ingrediënten naar keuze, uit de diepvries dit keer, klaar om in rode olie gefrituurd te worden. Toch niet enkel in Longxi dus. De dochters van de chef nemen stiekem een foto van die zonderlinge, verzopen westerling en oefenen wel een kwartier hardop op de Engelse uitspraak van de prijs, om het dan toch te verknallen. Als ik na een uur buitenwandel, houdt het net op met regenen en is er weer zicht.
De afdaling is een rijkelijke beloning voor de klimarbeid van de lange voormiddag. Zelden zag ik een baan zo duizelingwekkend de berg op slingeren. Bergafwaarts is het trillen in natte kleren, maar eens beneden, tussen de rijstvelden, is het weer een paar graden warmer en is mijn jas drooggeblazen.


Naast het eerste dorp, waar voorlopig enkel laagbouw staat, worden ranke woontorens neergepoot. Het verstedelijkte gebied oogt vreemd zo langwerpig tussen de bergen uitgestrekt. Een chauffeur smijt zijn afval op de grond en komt dan naast mij de plezante uithangen. Ik betwijfel of hij mijn ‘fuck off’ begrepen heeft, maar een kwade blik is gelukkig nog universeel.
In Longnan vraagt het hotel bijna het dubbele van de normale kamerprijs. Vandaag is de Gouden Week begonnen en alle Chinezen trekken nu op vakantie in eigen land. In de lobby is zogezegd geen plaats voor de van boven tot onder met modder besmeurde fiets, maar ik mag hem gewoon de trap op tillen tot in mijn kamer.
Dit land, ik heb het nog niet doorgrond.




2 reacties op “26. Gansu, een nieuw begin”
Boeiend om met je mee te kunnen reizen door een stuk van dit tot de verbeelding sprekend land en het al dan niet volgens de verwachting te zien worden ingekleurd.
Én makkelijk, hoeven wij dit niet meer te doen 😉 Veel plezier verder!
LikeGeliked door 1 persoon
Leuk verslag!
LikeGeliked door 1 persoon