27. De Gouden Week

3-7 oktober | dag 150-154

Ni Hao!

Tijdens de Gouden Week krijgen alle Chinezen lekker een weekje vrij ter herdenking van de stichting van de Volksrepubliek. Nu ja, het weekend ervoor moeten ze wel werken ter compensatie. En het weekend erna ook. Ze krijgen dus één verguld dagje, maar dat houdt hen niet tegen alle remmen los te gooien.

De hele week klettert het vuurwerk teugelloos. Hotelprijzen stijgen tijdelijk want alle Chinezen reizen nu in eigen land. Ik hield mijn hart vast, maar in het weinig toeristische Gansu en noorden van Sechuan, viel de drukte al met al mee. De tocht kon gewoon verdergezet in de richting van Chengdu.

3 oktober | Longnan – Pipa

Het is op dag 150 voor het eerst dat ik zonder goesting mezelf op de fiets hijs. De knie is nog niet aan de beterhand maar langer blijven in dat ongezellige Longnan zie ik geenszins zitten. Het beste aan de stad is wellicht de markante skyline waarin originele gebouwen gemetst zitten die surrealistisch afsteken tegen de groene, steile bergwanden. Met een anti-ontstekingspleister op de knie en pijnstillers in m’n mik ga ik er weer vandoor.

De Longnanezen hebben me maar weinig gecharmeerd. Overal werd ik nagestaard, aangewezen, uitgelachen, gefilmd en gefotografeerd, maar enkel door verwonderde kinderen nog echt aangesproken. In de wasserette werd mij op z’n Chinees een peer gestoofd met een prijs die bij ophaling ineens per kledingstuk bleek te gelden. En dan is het moeilijk discussiëren over die lompe taalbarrière heen.

Na 10 km vind ik in een buitenwijk eindelijk brood, gebakken in een schaal onder een hangmand vol gloeiende sintels. De straat ligt bezaaid met rode papiersnippers, resten van vuurwerkmatten. Zoals overal in China zijn ook hier de fruitboeren te beroerd om te roepen. In plaats daarvan kermt door een krakende megafoon in een eeuwige herhaling hetzelfde 5 à 10 seconden durende bandje met een zelf ingesproken, doodgemoedereerde commerciële boodschap. Het lijken eerder achterstevoren gespeelde robotstemmen dan mensentaal.

Grote rijstvelden suggereren dat ik al in een jaarrond warmer China fiets. Zodra de enige lange klim van de dag aanvat, staan langs de weg onverwachts olijfbomen. Bij een benzinestation van grote speler uSMILE hangt een hogedrukspuit waarmee die vunzige Ventsi eindelijk een keer toonbaar te krijgen is. Bijna was ik al tot de conclusie gekomen dat in elke Chinees hebzucht sluimert, maar de pompistes wuiven mijn voorstel om te betalen onverschillig weg. Goddank zijn er in deze wereld nog onbaatzuchtige oliereuzen.

In een dorp worden deegstrengen gefrituurd die veel weghebben van gewonden churro’s, al smaken ze naar niks. Nu heb ik in dit land al veel bizar Engels gelezen en meestal lijkt dat simpelweg te wijten aan de onsoepele vertaalbaarheid, maar dat die fruitverkoopster nu een trui draagt met het opschrift Just be a pervert, slaat echt nergens op.

Langs de baan groeien pompoenachtigen, kool, zaaddragende zeepbomen en vooral heel veel chilipeper. Hier en daar draagt een mandarijnelaar nog groene vruchten. Langs de rivier ligt een vers sluikstort van vuurwerkbatterijen. Van steen naar steen en van tak naar tak wipt de rivierroodstaart met zijn zwarte verenpak en witte hoedje. Een donkere eekhoorn klautert doodsbang in een boom weg.

Na uren klimmen lijk ik toe te komen op de top, met uitzicht op de lege, afgewerkte baan die de berg op wriemelt. Het is bedrog. Eens een tunnel door moeten er nog 150 hoogtemeters bij. Zo eindig ik alsnog met mijn kop in de wolken. Na een eerste kleine afdaling krijg ik de slechtste weg van China voor de kiezen en dan volgt een rivieroversteek. Zonder zin in een verkleedpartij ploeg ik er driest doorheen en dat is dwaas, want zo mag ik met gedoopt schoeisel verder.

Het smalle pad tussen vochtige dennenbomen neemt me terug naar een zalige wandelreis in Ierland in de zomer van vorig jaar. Het is voorbij 18 uur als ik het tweede piekje over bol en in een vallei tuimel waar de herfst al huis heeft gehouden. Eigenlijk gaat de afdaling iets te vlug. De beslommeringen binnen een Chinees boerendorp bij zonsondergang kan ik zo niet in detail vastleggen.

In Pipa tref ik weer de grote baan aan, op 16 km van het streefdoel. Er zit een hotelletje en vandaag gun ik mezelf meteen een kamer. Voor één keer kan het me geen donder schelen dat ik er niet geraakt ben.

In de supermarkt trekt weer maar eens een vrouw geniepig een foto en word ik door wel 10 kinderen tegelijk achtervolgd. Als ze er een volwassene bij betrekken, die daarop mee wat schaapachtig staat te lachen en wijzen, verlies ik mijn geduld. Ik gebaar en beveel dat ze me met rust moeten laten, ik ben geen dierentuindier. Waarom dat vanzelf in het Engels gaat, weet ik niet. Ik kan net zo goed plat dialect spreken, ze snappen er toch geen lor van.

4 oktober | Pipa – Muyu

Hoewel ik op tijd naar bed ging, word ik stikkapot wakker. In de eerste kilometers neem ik geen spat van het landschap in me op. Een bordje wijst een ancient village aan, enkel bereikbaar over een houten brug. Dat er een viaduct langs loopt met inkijk geeft een idee van hoe de Chinezen met erfgoed omgaan.

Uit de berm klinkt een vreemde krijs. Een grijze vogel met een lange zwart-witte staart vliegt de weg over en dan naar de andere rivieroever met een muis in zijn oranje snavel. Dan verschijnen nog wel vier of vijf van die merkwaardige vogels (roodsnavelkitta’s). Aan de overkant ritselen bij het water eekhoorns. Het moet zijn dat het werelddierendag is vandaag.

Voor Luotang word ik al natgeregend. In het stadje zit niet veel maar wel een keten die regenboogthee en glittermilkshakes verkoopt, maar gelukkig ook gewone koffie, zodat de zon terug kan gaan schijnen in mijn hoofd. Ongevraagd zitten er meerdere klontjes suiker in, al verbaast dat niet. Het Chinese voedingspatroon is al net zo versuikerd als dat van ons.

Tientallen kilometers slingert de kleinere baan onder en boven een autosnelweg als een klimplant. Sommige nederzettingen tellen slechts enkele huizen. In een van die dorpen houdt een kerel van mijn leeftijd me tegen in het Engels. Hij is oprecht sympathiek, een gewezen fietser en hij geeft me nog wat kaaskoekjes mee. Hij stelt in zijn eentje mijn aftakelende beeld van de doorsnee Chinees weer wat bij.

Het is lang geleden maar in zo’n dorp word ik nog eens ouderwets op de hielen gezeten door waakhonden. Doordat de kefferbakken weinig groter zijn dan mijn 42 voelt het niet helemaal als de Turkish treatment. Vaak liggen de haarballen midden op de weg, zo loom en onbekommerd dat auto’s sneller om ze heen rijden dan ze ze van de baan af kunnen jagen. Wat verder ligt het laagste punt van de rit, boven de Bai-Longrivier, die tegen dan erg breed is uitgevallen.

Een ongeoogste komkommer en een familiegraf heb ik zelden binnen één foto gekaderd maar in China kan alles. Volgens een grote steen betreed ik het Giant Panda National Park. Benieuwd hoeveel panda’s ik langs de weg ga tellen. Vanop een portiek wil een platte mand pas geplukte, wilde kampernoelies me tot diefstal verlokken. Als fanatieke mycofiel zou ik ze straks graag door de rijst draaien maar wie weet hoe hard haal ik daarmee de herfstkleuren in mijn harses.

Tegen de huizen rusten stronkjes met inkervingen waaruit zwammen zijn opgeschoten als zwarte judasoren. Woningen zijn eenvoudig, maar elk met d’r eigen moestuin heeft het wel iets idyllisch. Sinds enkele kilometers klim ik door Sechuan, de derde Chinese provincie op mijn route, bekend om zijn vlijmscherpe keuken.

Op de top ligt een uitzicht over grillige wateren. De verscheidenheid aan plantensoorten in de berm, aangeplant en wild, is niet bij te houden. De courgetten bloeien er naast de bamboe. Chilipepers, hennep, sisal en vijg, uit alle klimaten kronkelen de planten hier over elkaar heen.

Beneden aangekomen op het kilometerdoel is er één niet eenvoudigweg te negeren probleem. Ik heb geen water meer. Er zit niets anders op dan doorgaan, via een omweg dan nog. Het eerste wat ik tegenkom is een hotel. Dan zal ik maar weer in de luxe slapen vanavond. Het is de Gouden Week voor iets.

Voor een avondmaal moet ik nog een half uur het dorp in wandelen, waar de Chinese barbecue smeult. Het is een simpel systeem, vergelijkbaar met de malatang uit het vorige hoofdstuk. Uit de koelkast kies je de spiesjes waar je zin in hebt, zij dopen die in olie en specerijen en 10 minuten later krijg je alles gebraden voor je neus geschoven. Dat concept zie ik bij ons ook wel werken.

5 oktober | Muyu – Qingxi

De pannekes worden nat. Frak aan en trappen maar.

Als ik even de drukke baan verlaat voor een avontuurtje over kleinere wegen, rij ik me meteen vast op een groen uitgeslagen, spiegelglad pad tussen moestuinen. Langs de baan groeien lichtgroene ginkgo’s, palmen, dennen en bananenplanten door elkaar. In Qingchuan is het tijd voor echt ontbijt, een soort lasagne van rijstvellen en ei. Prima fietskost.

Vanop straat worden uit plastic balen gedroogde paddenstoelen verhandeld. Het handvol morieljes krijg ik gratis mee, duidelijk ook omdat de hele familie zich vermaakt met de aanwezigheid van een westerling bij hun zaak. In een winkel betrap ik er weer een die stiekem een foto schiet. In een furieuze reflex roep ik de onbehouwen puber tot de orde. Ik vind het zó schaamteloos. Privacy mag dan haast niet bestaan in dit land, en dan kan je de vraag stellen of het niet gewoon een cultuurverschil is, maar het is overduidelijk dat ze donders goed weten dat het niet netjes is. Iedere keer doen ze het tersluiks en als ze betrapt worden, draait de telefoon snel opzij.

Voorbij de stad is het stukken rustiger op de baan. Bergop hoor ik enkel het vertrouwde ronken van mijn ketting, insectengetsjirp en onafgebroken de lokroepen van steeds ongewonere gevederde vrienden.

Vanop een zijweg tussen dennen en theevelden wandelen een moederkoe en het kleinste kalfje sinds koeien de weg op. Het jonge beest is nieuwsgierig en loopt me even achterna tot hun hoedster het terugroept. Kort daarna schalt lager een luid getoeter. Van angst schiet het kalf de baan over, waarop het omver wordt gereden door een vrachtwagen. Het beeld is doodeng, maar het moedige koetje springt recht en spurt ervandoor. De vrachtwagenchauffeur gaat niet na of het dier in orde is, stampt het gaspedaal in en raast de berg op.

Met het dorp wordt het straatbeeld authentieker met hier en daar een sierpoort of nog een oud gebouw. Overal worden maïsstengels verhakseld. De kolven worden van hun schutbladeren ontdaan en opgehangen, uitgespreid of op stapels gesmeten om te drogen.

De laatste baan van de dag blijkt weer zo’n betonnen geval, stevig op en neer door de meest landelijke setting die ik al doorfietste, langs een kabbelende beek, tussen boerderijen waar ganzen kwaken en zeugen reutelen. Het loopt godsgruwelijk steil omhoog en de weg is plots opgebroken. Als ik bij een schuins geparkeerde vrachtwagen mijn fiets door de zachte berm moet hijsen, is er niet één arbeider die aan helpen denkt. Boven aangekomen begint het te miezeren.

Als de avond valt, zwoeg ik nog steeds tussen de maïs op de laatste drie klims van de rit. Nergens is het mogelijk om de tent plat te zetten in het glooiende, volledig begroeide gebied. Het is te nat, te donker en ik kan nog wel wat excuses verzinnen om weer een hotelkamer te nemen. Bovendien rij ik dadelijk Qingxi binnen, een toeristische trekpleister voor Chinezen. Terwijl ik vanaf de laatste top een foto neem van het felverlichte stadje, begint uit een paal klassieke muziek te spelen en een robotstem te praten. Dat zijn vast felicitaties.

Een bezoek aan de oude binnenstad van Qingxi, met zijn houten balkons en sierlijke raamwerk, biedt een bijzondere toeristische ervaring. Enerzijds heeft de winkelstraat veel weg van een China-attractie in Bobbejaanland, inclusief valse rivier, neonkleurlampen en stoommachines. Anderzijds is het duidelijk dat in de kleine, in hout afgewerkte huizen achter alle shops daadwerkelijk gewone mensen wonen.

6 oktober | Qingxi – Pingtong

Ik ben erin geslaagd om vanuit Qingxi de meest kapotte weg van China op te rijden, maar gelukkig gaat het keihard omhoog. Traag gaat het toch. De hemel is weer wit en grijs en het lijkt stilaan alsof dat altijd zo is in Sechuan. Mijn lijf en hoofd snakken naar rust, maar volgens de planning is die me pas over drie dagen vergund, in het metropolische Chengdu. Het bureaucratische apparaat dwingt me door te zetten zodat ik op tijd zal toekomen bij het bureau voor visumverlenging.

De weg verglijdt in een slingerend slijkbad en zo duurt het even voor ik de laatste noemenswaardige top bereik vóór de afdaling naar de Sechuanese vlakte. In de dorpen zitten hele families op de benedenverdieping te eten aan ronde tafels, schijnbaar in hun garage, met de poort open. Soms zitten ze buiten, naast de maïsbergen, maar zo warm is het niet vandaag.

Na een afslag volg ik de brede Fu Jiang waarover duizelingwekkende hangbruggen lopen. Bij één brug kan ik er wel over maar tussen de eerste planken zitten er al verschillende rotte en ik durf dus niet veel verder. Licht bergaf loopt de jaden rivier tussen stomende bergflanken. Aan de overkant zijn de boomtakken versierd met grijsbruine slingers, afval achtergebleven na een hogere waterstand.

De hele rit zijn de uitzichten gelijkaardig en elk dorp biedt hetzelfde beeld van witte huisjes met bruine dakpannen en gele decoratie van drogende kolven. Het is al een tijdje droog, dus ik beslis het erop te wagen. Na enkele nachten in hotels zoek ik weer de ware luxe op, aan een waterval maar onder een groezelig wolkenplafond.

Een troep eendjes heeft minutenlang geen idee hoe ze voorbij de hindernis moeten komen maar doet het dan over land. Terwijl ik een pot eten klaarstoof met die morieljes van gisteren, piept er wat in de rivier. Een koppel vinnige otters zwemt, duikt en jaagt onderaan de waterval. Ik wil een scherpe foto nemen, maar ze hebben me al snel gezien.

7 oktober | Pingtong – Xiushui

Een doorweekte tent schuift zonder morren in haar zakje. Ieder nat deel heb ze voordeel.

Meteen moet ik door een rechte tunnel waarin eeuwig een koele vrouwenstem weergalmt. Samen met de verlichting die afwisselend links en rechts flikkert, lijkt het een hypnosemiddel uit een sci-fifilm, alsof ik een ruimtebasis binnenrij.

Eindelijk de rivier over, gaat het meteen over een smalle baan door gezellige dorpen met moestuinen. Ouderlingen spenderen de dag voor de deur onder een afdak. Een beeldentafereel in een uitsparing in de rotswand lijkt wel de Chinese interpretatie van de drie wijzen.

In een winkeltje is er net als gisteren geen brood te vinden. Ben ik onbewust de broodgrens overgereden? Is er in Zuid-China enkel maar rijst te vreten? Help.

Achter groen hekwerk staan leegstaande gebouwen te verkrotten. Planten zijn door de ramen en het dak geschoten, alle bouwwerken vertonen scheuren en barsten en sommige leunen schever dan de toren van Pisa. Een hele stad blijkt ontruimd en aan een ruïneus lot overgelaten. Ver genoeg van het dichtstbijzijnde instortingsgevaar ligt dan weer wel een gloednieuwe, voorziene parking. Van aardbevingsgebied hebben de Chinezen uiteraard een toeristische trekpleister gemaakt.

Drie billboards verduidelijken dat Wenchuan in 2007 nog rechtstond. Het volledige gebied is onbewoonbaar verklaard, waardoor het kommerloos wordt overwoekerd door de natuur. Het post-apocalyptische beeld van een van mensen verstoken stad is best poëtisch.

Enkele kilometers verder ligt het eerstvolgende dorp, bewoond en wel. Daarnaast het 12-mei-aardbevingsmonument, een constructie in roestig metaal die al wat meer sereniteit uitstraalt.

Een buitje is een goed excuus om de droogte op te zoeken van een familierestaurant, waar gerechten op een draaibare, glazen plaat worden geserveerd en waar elk serviessetje in plastic verpakt zit. Ze komen me meteen een vork in de hand stoppen, en dat eigenlijk maar voor het eerst. Alsjeblieft zeg, geef me even de kans te demonstreren dat de westerse millennial uitstekend met stokken schrokken kan.

Als een zwaardere regenvlaag te lang aanhoudt, schiet me te binnen dat ik nog een redmiddel achter de hand heb, verborgen in de donkerste krochten van mijn fietstassen. Het is dag 154 en vandaag trek ik voor het eerst mijn poncho aan, niet toevallig zwart met rood.

Vanaf dan blijven de hemelsluizen openstaan. In de twee uur die volgen, verzuip ik in het zadel terwijl het eindelijk over vlakke wegen gaat. Bij de afslag naar het geplande kampeermeer, besef ik dat het geen zin meer heeft. Vanavond wilde ik absoluut buiten slapen, maar dat wordt nu een te vochtige bedoening. In Xiushui klop ik bij het eerste hotel aan, en het is nog dik de moeite ook.

Of zoals een oud Chinees gezegde het treffend vat: Regent da buite ouwe wijve, kunde beter binne blijve.

Eén reactie op “27. De Gouden Week”

  1. Wim Avatar
    Wim


    Prachtig verslag weer en avontuurlijk !

    Geliked door 1 persoon