28. Een doodgewone dag in het leven van een fietsreiziger

8 oktober | dag 155

8 oktober | Xiushui – Chengdu

De voorbij dagen was ik meestal niet zo lekker bij ’t gerinkel van de wekker maar nu ben ik een uur tevoren al klaarwakker. Gek is dat. In de hotelkamer ruikt het naar lievelingsontbijt: eieren met oesterzwammen, chili en soja. Gaat die kamer daar niet van stinken dan? Er mag gerookt in Chinese hotels. Elke kamer meurt al naar de woonkamer van een bejaard koppel Vlaams-Blokstemmers. Ik doe degene na mij hiermee een plezier.

Van brodeloze wanhoop heb ik een bokaal voorgekookte rijst gekocht voor naast de eieren. Wat kan je verkeerd doen met rijst? Veel, zo blijkt. Het zuurzoete vocht waarin mijn koolhydraten zwemmen doet me kokhalzen. Dan maar zonder.

Een lieve list van mijn lief, schrijfster van rake brieven en getalenteerd monteuse van verrassende video’s, maakt al meteen een overweldigend dagbegin. Voor ik de tassen de hotelkamer uitsjouw, heb ik al drie keer gegriend. Van ontroering, het schaterlachen en dan nog eens van ontroering. Als mijn buren daarvan nog niet wakker zijn, dan wel van de indierockparty die ik op mezelf bouw. Zou ik op het bed springen? Ben ik daar te oud voor?

Eens op de fiets spurt ik al terug naar de hotelkamer. Waarom moest het gisteren weer zulk pikant eten zijn? ORS in de fles en trappen maar! Het is 116 km tot de miljoenenmierenhoop genaamd Chengdu, maar voor het eerst in twee weken kent de rit amper hoogteverschil. Het grijzige wolkenplafond hangt laag, maar voorlopig druipt er nog geen vocht vanaf. Na dagen van bergtaferelen gaat het over een verstedelijkt platteland. Mijn verwachtingen zijn niet al te hoog gespannen.

Met half dichtgeknepen ogen lijk ik wel door Vlaamse velden te rijden, al weet ik niet of er bij ons ooit zo veel zilverreigertjes tezamen op een akker scharrelen. Aan de bomen bungelen bolvormige pomelo’s. Van de huizen spat de luister, tomeloos. Op de randen van moestuinen wapperen natte olifantsoren. Ik zou toch zweren dat die kamerplanten addergiftig zijn. Blijkbaar draaien de Chinezen de wortel en stengels van de reuzenplanten onverschrokken hun soepen in.

Dat ik al vóór de lunch een openbaar toilet moet opzoeken, is verre van ideaal, maar ik heb wel de loterij gewonnen, want voor de allereerste keer in China is er stromend water en zeep bij. Buitengekomen gloeit de zon verlegen door de nevelige voile heen. Komaan zonneman, je kunt het!

Mianzhu voelt aan als half jungle, half stad. De kanalen doen zich voor als Amsterdam meets Angkor Wat. Tussen een toeterend oerwoud van auto’s, brommers en opvallend veel voertuigen die ergens op het spectrum zitten tussen die twee, wurm ik me het stadje uit en zo warm ik al op voor Chengdu. Mijn stedelijke rijstijl wordt steeds assertiever. Mijn plaats eis ik op met gebaren, ongeacht de voorrangscultuur. Koning auto? Een prinsje te fiets! Chinezen chaufferen gelukkig niet heel roekeloos, al zitten de triljarden controlecamera’s daar misschien voor iets tussen. Daarbij val ik redelijk goed op als bleekscheet op zo’n bombastische rode tweewieler.

Het verkeer stroomt door de verkeersaders richting het hart van Sechuan en als een moegezwoegd bloedlichaampje ploeter ik aan iets meer dan 20 mee. Halfweg de twintig, beter kan je niet zitten. Alhoewel, als het licht afhelt, haal ik – met wat bijgetrapte enscenering – een moment lang de 30, de heerlijkste der snelheden. Wat hou ik van dertig!

Af en toe krijgen de bomen hun schaduwen terug. Mijn buik zeurt al minder, de hemel houdt zijn druppels thuis en zo wordt het vandaag alsnog prinsheerlijk fietsen.

Een coureur vertraagt voor een gesprek. Hij rijdt naar Chengdu, dus we kunnen gezellig samen fietsen én lunchen. In Shifang doorkruisen we volle straten met westerse kledingwinkels en eetplekken, maar geen van ons beiden is besluitvaardig genoeg om een restaurant te kiezen. Voor we het weten, fietsen we alweer buiten de stad, zonder eetgelegenheid. En dan is zijn afslag daar, want Chengdu is zo monsterlijk groot dat hij hier al best een andere kant uitgaat.

Het is bijna 16 uur en ik heb nog steeds niks te bikken gevonden. Dan overleef ik maar op mondvoorraad. Over en onder nagelnieuwe bruggen en viaducten kom ik de invloedssfeer van de stad binnen. Chengdu telt evenveel ringen als Saturnus. Op maar liefst 40 km van de kern kruis ik de buitenste.

Ergens onverwacht, naast druk verkeer, verkoopt een man iets dat een op smakelijke deegschijf lijkt. Toch maar even polsen of er geen vlees in zit. ‘Tuurlijk wel’, lacht hij uitbundig. Weer pech. Met het kruispunt zwelt de drukte aan. Mogelijk is het spitsuur. Door woontorens wordt hoe langer, hoe dichter bij de wolken gekrabd. De scooterrijders kennen de sluipwegen, weten waar ze tussen de auto’s moeten glippen, en ik volg hun voorbeeld.

Op 17 km van het einde breekt de waanzin pas echt los, eens de op een na grootste ring onderdoor alsook de Chengdu Loop, een ononderbroken fietspad dat de hele stad omgordt, met een omtrek van precies 100 km. Door de scootertjes te volgen, beland ik mee in de autofile.

Boven de binnenstad gaapt er een gat in de wolkensluier. Chengdu is het beloofde land, laat ons hopen. Flink volg ik het fietspad dat op volstrekt onhandige wijze langs de baan zigzagt en zo rij ik me vast op de derde ring, wat eigenlijk de vierde is, want je moet binnenin beginnen te tellen. Bij de volgende rondweg stuurt de gps me volstrekt onmogelijk het knooppunt in. Voortaan moet ik het zelf zien te rooien.

Hoe dichter bij de kern, hoe meer entropie toeneemt in een metropool. In die chaos ontstaan nieuwe verkeersstromen, waarin ik me gewoon laat meesleuren. De Chinezen zijn onbehouwen hufters, gewetenloze voorstekers en van dat gedurige getuter raak ik knetterlijp, maar bloedlinke wegpiraten zijn het gelukkig niet. Doordat de gps tussen de hoogbouw alsmaar uitvalt en ik dan maar ga kaartlezen, fiets ik verloren in het eschereske kluwen van boven en onder elkaar lopende banen.

Recht op recht het centrum door loop ik opnieuw vast, in een voetgangerszone waar politieagenten me tegensturen vantussen de kolossale billboards. Het is een Chinees Times Square op steroïden.

Vlakbij het hostel passeer ik nog een winkeltje, uitgebaat door een kat, voor de beste chips ter wereld, numb & spicy hotpot, om de veilige aankomst te vieren. Doordat het ergens in een steeg verstopt zit, is het lang zoeken maar dan bereik ik rond 20 uur het puike Baxi Youth hostel, waar fietsers samentroepen en waar ik de leefruimte deel met een pluizige hond, een spierwitte eend en een axolotl.

In het restaurant om de hoek is een fris getapte pint onthutsend prijzig naar Chinese normen, maar als die op tafel komt, begrijp ik wel waarom. Het is het eerste bierglas dat ik hier zie, maar meteen een kroes van een liter. Ach, het geeft niet. Ik heb toch wat te vieren!

Nadien sluit ik de dag nog af in de dichtstbijzijnde kroeg, waar cocktails de helft kosten van bier, dus dan ga ik maar – ietwat toepasselijk – voor een fluogroene Yue Island 3.0.

Voor wie de insteek van dit één dag tellende doch ellenlange hoofdstuk nog niet begrepen heeft: ik neem u niets kwalijk. Vandaag was het mijn 30e verjaardag. Ver weg van vrienden en familie was dit mijn manier om het te vieren en om er een onvergetelijke dag van te maken. Want als ik het ooit allemaal zou dreigen te vergeten, is er altijd nog dit belachelijk breedvoerige verslag om te gaan herlezen.