29. Wielertoerist in Sichuan

9-15 oktober | dag 156-162

In de Sichuanese steden Chengdu en Leshan verbleef ik respectievelijk drie en twee rustdagen. Tussenin lagen slechts twee eenvoudige ritten met onderweg nog wat bezienswaardigheden. In die omstandigheden voelde ik me haast meer een doodgewone toerist dan een keiromantische wereldfietser. Laten we het houden op wielertoerist.

9-11 oktober | Chengdu

Geplaagd door een overhoopgegooide onderbuik begeef ik me twee dagen lang slechts in een relatief kleine straal rond het hostel, waar bijzondere huisdieren me gezelschap houden. Ondertussen werk ik to-do’s af en bezoek ik de Tibetaanse wijk, die op een boogscheut ligt. Op straat lopen nog westerse gezichten rond en daardoor wordt het mijne niet langer zo aangestaard. Een verademing.

Pas op de extra, derde dag is er tijd voor sightseeing. In het People’s Park vinden op de zaterdag concerten en dansoptredens plaats, maar zo veel tegelijk dat alle muziek in een kakofonie ontaardt, één terroriserende klerreherrie.

Verder bezoek ik een bonsaituin, enorme pleinen tussen glazen torens en, jawel, ook in het Chinees verkrijgbaar, de Decathlon.

12 oktober | Chengdu – Meishan

Na drie dagen Chengdu verlaat ik eindelijk de monsterstad. Tussen bizarre reuzenbouwsels van glas en metaal, sommige schijnbaar door de aarde scheefgebeefd, zoek ik een uitweg. In sommige wijken is het net alsof ze een klas lagereschoolkinderen de opdracht hebben voorgelegd eens een tekening te maken van een leuk en hoog fantasiegebouw en dat ze er dan daadwerkelijk architecturaal mee aan de slag zijn gegaan.

In een park rijd ik me klem op trappen, dus steek ik een brug over met zicht op de Jin Jiang, die stroomt door een eindeloos betoneiland. Zo volg ik over een betegeld pad, ongestoord door verkeer of luide rotscootertjes, de rivier de stad uit. Langs het water liggen moestuinen, vissen vissers en pronken paarse oeverplanten. In de parken ernaast zitten hele families onder shelters op campingstoelen om de zondag te vieren, maar de zon is vandaag nog niet op post.

Na lunch in zo’n park opent zich de Jin Jiang Greenway, waar opvallend veel Chinese coureurs rijden tussen bamboestokken dik als lantaarnpalen. Het platteland is vandaag een opeenvolging van akkers en dorpen, waar in de theehuizen fanatiek wordt gestreden aan de mahjong-tafels. Te midden dat landschap verschijnt er een beest van een brug in traditionele bouwstijl, niet te fotograferen zonder kabelweb op de voorgrond. Zo’n zeldzame brok cultuur moet even van naderbij bewonderd, dus klim ik naar het middelpunt. Snel iemand benaderen voor een portret is niet evident, maar beneden spreekt een coureur mij aan, in het Engels, en zo verzilver ik toch een vakantiekiekje met het bouwsel.

Hoewel het al enkele uren door het groen gaat, was er nog geen moment waarop niet ergens in de verte hoge flatgebouwen uitstaken. Tegen de avond rij ik Meishan binnen en daarmee maak ik het mezelf lastig, want om nu nog in de natuur te slapen, moet ik die hele stad nog door. Op hoop van een mirakel volg ik een langwerpig park naast de stroom die ondertussen al Min Jiang heet. In het hopeloos verstedelijkte gebied lukt het maar niet om een verborgen plekje achter wat bomen of bamboe te ontwaren en dus geef ik me maar gewonnen. Dan maar weer op hotel. Dat is tenslotte wat toeristen doen.

13 oktober | Meishan – Leshan

Er ligt een rit klaar van twee keer niks, dus vertrek ik met een omweg om het bijzondere park van Dongpo mee te pikken. Het is fietsers niet toegelaten en zo bemachtig ik enkel wat beelden vanop afstand.

De gps stuurt me een doodlopende woonwijk in waar vier gevaarlijke vlooienballen van schoothondjes me op de hielen zitten. Dan volgt een betonnen pad dat verhoogd loopt tussen kletsnatte akkers. Voor het eerst in tijden komt de zon schuchter kijken of de kust veilig is. Van boerderijtjes loopt het over in een drukke woonkern waar alles op straat wordt verkocht, zo ook bananen, een kar vol. De lolbroek die ze verkoopt, gebaart dat ik er geen mag kopen. ‘Hoezo niet?’ Ik krijg ze.

Op de opritten wordt naarstig arbeid verricht vanop de hurken. Groenten worden ontdaan van oneetbare delen, riet gevlochten tot manden, aardnoten in de peul te drogen uitgespreid. Aan tafels worden grote stapels erwten ontbloot door de dorpsoudsten.

Van de grote baan sla ik een sluipweg in en kom terecht in mandarijngaarden tussen vrijstaande woningen. In het land waar Mandarijn de voertaal is, zijn de vruchten vaak erg vlezig en worden ze nog in de groene schil verkocht.

Opnieuw word ik de velden ingestuurd in de richting van een brug. Alleen, er is helemaal geen brug. Om op de andere oever te komen moet ik een heel eind rond via een grote baan. En het zal moeten, want om mijn bestemming kan ik niet heen. In Leshan vragen zowat alle fietsers hun verlenging van de visum-vrije periode van 30 dagen aan. In tegenstelling tot andere steden wordt die daar zelden geweigerd.

Langs de verkeerde kant van de rivier liggen uitstekende uitzichten en dan een steile klim tussen eucalyptusbomen. Dit stond niet op de planning en nu dringt de tijd. Langs de brede, bevallige stroom verschijnen grasvlaktes waarop de eerste waterbuffel graast. Ergens naast moestuinen en een bananenplantage ligt een paradijselijke camping. Ik zou er zo blijven staan als ik vanavond niet ergens moest zijn.

Het Chinese platteland heeft maar enkele kilometers nodig om van groene rust over te lopen in een strakke aaneenschakeling van hoge woonkolossen. Bij Leshan ligt de nodige brug er wel. Zo kom ik, nog steeds onder een gewatteerde wolkendeken, de stad in.

Het hotel voor drie nachten is allesbehalve een krot, en weer maar omgerekend €12 voor een nacht. In China kan zelfs een berooide zadelzwerver zwelgen in weelde. Gehaast spring ik nog in een taxi naar het Public Security Bureau, dat ik na lang zoeken vind en waar ik 20 minuten voor sluitingstijd binnenloop. De professionele, Engelssprekende ambtenares schiet in snelle actie en klaart de klus nog voor het einde van de werkdag. Over twee dagen mag ik mijn paspoort weer komen oppikken. Gelukt!

14-15 oktober | Leshan

In Leshan is er één grote bezienswaardigheid die alle aandacht opslokt. Een gargantuesk Boeddhabeeld uitgehouwen uit het roodbruine gesteente behoedt de stad al eeuwen voor gevaar. Hele autocars vol binnenlandse toeristen stromen ervoor toe.

Bij een infobalie voor internationals staat tussen de medewerker en mij een doorschijnend scherm, waarop ik een taal kan kiezen en waarop de woorden na elke uitgesproken zin leesbaar vertaald worden. Met een toeristenboot naar de Boeddha varen kost 70 yuan, op eigen beenkracht ernaartoe wandelen 80. Ik doe nog een poging te vragen waarom, maar zo goed werkt het vertaalscherm nu ook weer niet.

Rond de heilige, reuzendikzak ligt een heel park vol tempels, pagodes, gaanderijen, vijvers, trappenstelsels, ouwe stenen, natuur en topuitzichten op Leshan en de rivier. Door al die indrukken vergeet ik stomweg een foto te nemen van de grote, gezeten reus. Dan zal ik nog eens moeten terugkomen.