30. Leshan – Liangshan

16-20 oktober | dag 163-167

ꇨꉸ!

Tussen Leshan en de prefectuur Liangshan lagen knappe valleien die ik moest delen met toetzieke truckers. De wolken weerhielden me van kamperen maar door heilzame hotelnachten zat de vaart erin en zo bereikte ik na vier ritten Xichang, de lokale hoofdstad van het Yi-volk.

16 oktober | Leshan – Ebian

Gevangen achter een konvooi voor uitzonderlijk vervoer zoek ik de uitgang van het grote Leshan. Twee dagen heeft de zon met bakken geschenen, wat fijn was, maar vandaag is het weer grijs. Ondertussen werd op het PSB een sticker gedrukt voor in mijn paspoort. Ik heb dus een nieuw 30-dagenvisum bemachtigd, hoera! Zo’n visum begint te tellen op de dag van de aanvraag en zo heb ik nog 27 dagen om Vietnam te bereiken. Op zich een makkie, tenzij je ervoor kiest om een hoge omweg te nemen via het plateau van Nanzhao. Mezelf uitdagen, ik kan het niet laten. Het houdt de drijfveer hoog.

Bij een monument van neppe stenen zijn grote vissenstaartpalmen aangeplant, een ongeziene boomsoort. Over het land hangt een warme waas. Ergens te midden de lintbebouwing weerklinkt percussie en zang. Vier mannen van stijgende gestalte zitten geknield voor een vuurkorf, waar ze in porties papier in werpen. Geen idee wat hier aan de hand is, maar het ziet er wel tof uit.

Terwijl ik nog over een biljartvlak platteland rij tussen schattige woningen en groene akkers, verschijnen in de mist opnieuw bergen. In Luomu zet ik me vóór de klimpartijen nog neer voor gebakken aubergine, maar daarbovenop verschijnt toch al de eerste berg van de dag, van gehakt. Aan de rand van het stadje liggen, zoals wel vaker in dit land, familieleden begraven tussen de bonen en de rapen.

Na de middag slaat de miezer toe, op mijn jas, daardoorheen en uiteindelijk ook in mijn kop. De dorpen en het heuvelland zijn zeker de moeite, maar in de dichte mist maakt het geen volwaardige indruk. Mijn knie laat nu al van zich horen en ik twijfel of het geen slecht idee is om weer de hooglanden op te zoeken.

Aan een boom hangen de knalrode pomponnetjes van papiermoerbeien. De nacht valt en het blijft maar regenen. Het is stom en wat gevaarlijk maar ik moet nog 15 km door tot Ebian, een stad met hotels. Daar loopt een indrukwekkende trap de berg op met roodverlichte bouwwerken. Het eerste hotel waar de fiets binnen kan, is erg eenvoudig, maar het kost dan ook maar 50 yuan (€6) voor een nacht.

17 oktober | Ebian – Ganluo

De commerciële bedrijvigheid in het centrumpje van Ebian is overweldigend. Bovendien ben ik gisteren weer getransformeerd in een fabeldier. De verbaasde bakkesen zijn ontelbaar.

Overal worden voedingswaren verkocht die lijken op brood, maar nooit is het écht brood. Rauw deeg, cake, vette baksels als oliebollen. Voorbij de versmarkt koop ik twee schijven van rijstdeeg en iets dat op het zicht veel wegheeft van een wienerschnitzel. Al die Belgen die op reis jammeren over hoge nood aan een frituurbezoek …, ik ren straks naar de dichtstbijzijnde warme bakker en schrok er nog in de winkel een ongesneden volkorenbrood binnen.

Meteen buiten Ebian wordt er een dreigende dampende rotswand zichtbaar, recht uit een King Kong-film. Het klaart op en aan de overkant van de Dadu verschijnt een industrie als een roestig Pompidou. Voor mijn neus gaat een politiejeep in de remmen waaruit drie goedschikse flikken springen. ‘Je mag hier niet fietsen.’ ‘Oh, waarom dan?’ vraag ik de jonge agente, die verrassend goed Engels spreekt. ‘Hier ligt een geheime kelder.’ Geheim nog wel. Als ze me nu niks verteld hadden. Nu moet ik een kwartier wachten tot een van de drie weer opdaagt met een ruimere wagen, waar mijn fiets wél in past, zodat ik voorbij de verboden zone rond Jinkouhe kan worden gelost. Het voelt aan als een onnozele want totaal overbodige situatie, maar de interactie verloopt gemoedelijk en Lea, zoals ze zich in het Engels laat noemen, leert me onderweg nog wat Chinees.

Dit bord had ik niet gezien.

Als ik weer mag fietsen, zijn we al midden in de Dadu Grand Canyon, uitgesleten door de gelijknamige rivier. ‘You can take a picture’, zegt Lea, waarop ik het moment dan maar even vastleg. Groot probleem. Het was geen mededelende zin, eerder een vraag. Of zij een foto mogen nemen als bewijsmateriaal voor hun geslaagde politiemissie. Goed dan, maar die gewiste foto vis ik toch nog geniepig op uit de prullenmand.

Ook Chinese toeristen bezichtigen vandaag de kloof. In Gulu overspant een doelloze hangbrug juist niks, maar ze is zo te zien wel nog goed voor foto’s voor op een Chinese Instagram-kopie. Er steekt een felle wind op, maar daar merk ik nog weinig van in de tweede supertunnel van de rit, wel 4,5 km lang.

Op de torenhoge rotswanden grazen witte stippen, geiten die op de ene of andere manier niet naar beneden kukelen.

In een vreemde tunnel met glasramen vindt een dwaze truckchauffeur het nodig om vlak achter me te toeteren, wat zo hard weergalmt dat ik bijna uit mijn vel spring. Chinezen zijn meedogenloze toeteraars. Ze doen het de hele tijd en zonder enig nut, behalve dan om te schreeuwen van ‘ik wil erlangs!’. Daarbij klinkt elke claxon in dit land vals en schel en bij de luidere trucks wordt dat zo intens dat het merg ervan uit mijn beenderen trilt.

Na een late lunch met de vette confituurschnitzel, merk ik maar net op tijd vallende stenen op. Aan het einde van de onverharde weg blijkt de brug verdwenen, en zo te zien al een tijdje. Op de terugweg wordt voelbaar hoe hevig het door de pas waait.

Op de grote baan regent het stenen uit de hemel, kiezels maar ook vuistdikke exemplaren. Van schrik kijk ik op, maar dat is misschien net dommer dan die helm horizontaal te houden. Nog een steenlawine, aanhoudender dit keer. Afgeketste keien stuiteren de baan over. Als het stopt, spurt ik door de risicozone heen, vóór de volgende windstoot. Ook boven de Dadu kletteren de keien van de kliffen om met een doffe plons te eindigen. De buffernetten zijn vernield door aanhoudende steenslag en net als ik me door een kiezelregen waag, komen er tegenliggende vrachtwagens, waardoor ik niet kan manouvreren, enkel incasseren.

De wind zwelt aan, maar in de rug. De avondzon wordt gesmoord door grijze, witte en donkerblauwe wolken en buiten slapen wordt te link. Bovendien lijkt een verstopt en plat stuk aarde vinden hier onmogelijk. Liefst zou ik het eerste, het beste hotel binnenlopen, maar dat is buiten het stadje Ganluo gerekend. Geen enkel hotel heeft een zichtbare lobby. Als ik ontdek dat je eerst een smal gangetje moet doorlopen, sta ik daar 20 minuten te koekeloeren tot de uitbaatster, die mijn paspoort niet kan lezen en die weigert te communiceren, met pen op papier noteert ‘Waarom zoek je geen ander hotel?’. Het volgende hotel mag ik, nadat ze er lang over twijfelen, ook niet binnen. Uiteindelijk wordt het een te dure keet in de rumoerige en wanstaltige hoofdstraat. Dat het nu maar flink gaat stormen vannacht.

18 oktober | Ganluo – Zhongsuo

In elke kleine Chinese stad is de ochtendlijke hectiek van de hoofdstraat al verschrikkelijk, maar Ganluo is verdomme Gomorra. Tussen de egocentrische rotchauffeurs, de eeuwigdurende fruitverkopersriedeltjes en de schelle hellebazuinen van scootertoeters worden zelfs gehoornde wezens door de straten geleid, naar de slachtbank. In een open garage liggen wel tien biggen te krijsen in dichtgeknoopte, kunststoffen zakken met nog net een ademgat voor hun schattige snuitje.

De bijzondere blauw-met-rode buitenwijken brengen beterschap, maar ook daar stoort het nutteloze getoeter en de ongegeneerde aandacht van de bewoners. Ik ben er nog niet uit op welk vlak de Chinezen het onuitstaanbaarst zijn: de foto’s die ze ongevraagd nemen of hun claxons die ze enkel te onpas indrukken.

Via een kleinere baan door een ruraal gebied gaat het door eenvoudige dorpen waar de weg soms opgebroken ligt. Uit gewoonte houd ik op de kronkelweg braaf rechts en zo besef ik pas voorbij een bocht dat ik net rakelings langs een diep ravijn ben gescheerd, zonder enige vorm van valbescherming.

Hoewel het bergop loopt, gaat het met de weg alleen maar bergaf. Bij een oude brug sturen de werklui me over een roestig geval verderop, waarop ik mijn adem inhoud. De weg van duizend barsten loopt de berg op aan een hellingsgraad hoger dan eender wat ik al heb meegemaakt deze reis. Zo zit ik na twee uur trappen en amper 20 km helemaal leeg en vreet ik alvast een portie vetdoordrenkte deegwaren.

Na nog een kuitenbijter buiten categorie bereik ik een provinciale weg voor 50 km rechtdoor. Weer claxonneert een camionneur vlak naast me. Ik schreeuw, van woede en machteloosheid. Mijn linkertrommelvlies piept pijnlijk.

Een gans sist naar me en steekt beangstigend haar tong uit. Dat brengt me op ideeën. Misschien moet ik gewoon gekke bekken trekken naar al die Chinese paparazzi.

Als het weer eens ergens keien regent, zie ik dat daarboven geiten aan het werk zijn. Misschien wilden die saters me gisteren wel van het leven beroven.

Een piepkleine vrouw draagt een traditioneel hoofddeksel van een haarband met een rechthoekige doek onder. Er zit een pijp in haar mond en haar getaande gezicht toont diepe rimpels. Het is een van de eerste vrouwen in traditionele Yi-klederdracht. Maar ik neem niet zomaar of stiekem een foto van haar. Hoe onbeleefd zou dat zijn.

Na 5 uur klimmen is de top daar, met uitzichtpunt. Mijn belonende snack is nog niet uit mijn zak of een dolle knul ontdekt me al en loopt zijn weggetje weer op, schreeuwend van ‘kom kijken, kom kijken!’. Met een koek tussen mijn tanden rij ik er snel vandoor, terwijl hij met zijn zussen komt aanrennen. Oké, het zijn kinderen, en ze zijn enthousiast voor iets onbekends, maar het is de manier waarop waardoor ik ze het niet gun. Ze zoeken geen contact, hun reactie is telkens enkel roepen, wijzen en staren, als naar een aap achter glas.

‘s Avonds land ik op een megavlakte tussen de bergen. Het moet zijn dat ik op het plateau van Nanzhao ben aangekomen. Eeuwen geleden lag hier een koninkrijk bevolkt door een volk dat etnisch dichter aanleunde bij de huidige Thai dan bij de Chinezen, maar daar is vandaag nog weinig van te merken.

Na toch nog een klimmetje strekt zich opnieuw een vlakte uit met in het midden Yuexi, een pittige stad waarin ik niet wil slapen. Ik ben de aandacht zat en zou liefst de natuur in trekken, maar de hemel is er weer niet naar. En misschien ben ik intussen al te veel aan weelde gewend.

Over een semi-drukke baan naar het uiteinde van de stad is het weer één lange toetertrein. Als voor de zoveelste keer iemand me wil inhalen, onder herhaaldelijk getuut, doe ik iets waarover ik al veel gefantaseerd heb. In plaats van naar rechts beweeg ik naar links, om de wagen te hinderen. Mijn hand hef ik naar achteren. Pas als het lang genoeg stil is, laat ik hem erdoor. Ze moeten het leren, de hufters. Dan kijk ik nog eens boos en blijkt het een huftster.

Bij het laatste hotel van de stad is het geen gedoe om in te checken en de ‘normale’ kamerprijs van 100 yuan. Als ik op de achterkoer de laatste tassen ophaal, wordt er geroepen van ‘Biliesje!’, Hé Belg, kom hier!. Het gezelschap nodigt me uit voor barbecue en dzudzjo. Dat betekent wijn, toch? De rosékleurige vloeistof brandt net geen gat in mijn slokdarm en leeggetrapte maag. Het blijkt zelfgestookte maïsbrandewijn van wel 55%. Ze overladen me verder met gegrilde groenten, aardappelen en tofu en ik voel me weer behandeld als een volwaardig mens. Sommige bruten in dit land kunnen mijn beeld van de Chinees vreselijk onderuit halen, maar vanavond wordt dat door een groep gastvriendelijke mensen weer in ere hersteld.

19 oktober | Zhongsuo – Xichang

Bij de ontbijtkeet verderop krijg ik twee gekookte eieren, een kom warm water waarin overzwollen rijst zwemt, een korsteloze, gestoomde homp deeg en wat rauwe kool gemarineerd in chilipepers. Om de prijs te vragen, hoef ik slechts het betaalscherm in de app te tonen. De chef steekt haar duim en pink uit. 6 dus. De Chinezen hebben een vernuftig gebarensysteem waarmee je alle cijfers en getallen op één hand kan tonen.

1 tot 5 spreekt vanzelf. 6 is een telefoon. 7 is alsof je hand in sok zit om poppenkast te spelen. 8 is een pistool, maar richt het niet naar de verkoper want dan krult die misschien zijn wijsvinger tot een haak en dan betaal je 9. 0 is een vuist en 10 is de vingers gekruist, en het jammere is dat ze alleen dat dan vaak met twee wijsvingers doen. Voor hogere getallen kan je gewoon de cijfers na elkaar uitdrukken. Et voilà, je kan Chinese getallengebarentaal.

Als ik snel uit het raam piep of mijn fiets er nog staat, valt al een platte achterband op. Snel een pleister erop want er ligt een lange rit klaar. Na 10 minuten fietsen loopt hij weer leeg. Een duidelijke fit vind ik niet, maar wel een gat in de buitenband. Eindelijk mag de peperdure Schwalbe Marathon uit Tbilisi om de velg heen, en meteen ook maar een nieuwe binnenband. Als ik vandaag nog platrij achteraan, vreet ik mijn helm op. Uiteraard staat er al snel een hoop kinderen toe te kijken op wat die vreemde fietsmeneer allemaal doet en als ik van die situatie een foto wil nemen, rennen ze bang weg. Zou dat elke keer werken?

Niet veel verder moet ik al aansterken met een vroege lunch van krachtrepen want ander voedsel heb ik niet. Het is 13 uur als ik begin aan de enige maar loodzware klim van de dag. Al 12 km gedaan, nog slechts 110 te gaan. Dit wordt een lange dag.

Voorbij een tunnel van 3,5 km is er weer zicht, op een reusachtige vallei en rotsblokken, half op de baan en groter dan mezelf. Terwijl ik aan 40 per uur wat achterstand goedmaak, komt de zon zelfs door het wolkendek heen. De hele namiddag gaat het door een vrij vlakke, volgebouwde vallei. Een zuiver natuuruitzicht krijg ik nergens.

In de buurt van prefectuurhoofdstad Xichang is het al donker. Het geboekte hostel ligt kilometers van het centrum, naast het grote Qionghai-meer, en zo kom ik pas laat toe. Er is gelukkig nog één geopende barbecuetent en nadien kan ik moe en tevreden recht naar mijn bed, na een lange dag en vier stevige etappes.

20 oktober | Xichang

Xichang is de grootste stad van de Liangshan-prefectuur en daarmee de hoofdzetel van het Yi-volk, een etnische minderheidsgroep. Alleen al daarom is het een interessante plek, maar er is ook een oude stad met maar één overcommerciële hoofdstraat. Voor de rest is de architectuur er mooi bewaard en is het er onchinees rustig.

In de boetieks van Xichang krijg je een inkijk op de traditionele klederdracht van de Yi, waar zeker de gelegenheidskledij van de vrouwen in het oog springt door hoge hoeden met daaraan geborduurde doeken en zilveren pendels. Veel van de Xichangse commerce gaat op straat door, net als overal in dit land. Boven kleine korven worden aardappelen, bataten en maïs op kolen geroosterd. Een gortdroge hap in vergelijking met de sauzige Chinese keuken. Nog opvallend is de traditionele praktijk van wrattenverwijdering en andere dermatologische onzuiverheden, die wordt uitgevoerd gezeten op krukjes, te midden de stoepen.

Overigens nog merkwaardig: In Xichang werd ik bijlange niet zoveel aangestaard en gefotografeerd als de voorbije dagen en dat terwijl ik er geen enkele andere westerling tegenkwam.

Xichang, prima stad!