31. Searching for Shangri-La

21-24 oktober | dag 168-171

བདེ་མོ!

Vanuit Xichang klom de route naar het hoogland van Yunnan. In mijn verwachting zouden daar de uitlopers voorkomen van de Tibetaanse cultuur, al zou mijn research uiteindelijk te beperkt blijken.

De term Shangri-La komt uit de roman Lost Horizon (1934). James Hilton beschrijft daarin een Himalaya-utopia, waarvoor hij zich baseerde op een niet-specifieke plek, ergens in de ruime regio. Shangri-la krijgt later in de Engelse volksmond de betekenis van een hemelse plek, een aards paradijs waar harmonie en rust het leven kleuren.

‘Ja maar’, denkt de lezer met een uitstekende geografische kennis, ‘Shangri-La ligt daar toch gewoon ergens in de geburen?’ Het is pas in 2001 dat de Chinese overheid de stad Zhongdian hernoemt, verwijzend naar Hiltons boek, in de hoop meer toeristen aan te trekken. Dat officiële Shangri-La lag niet op de route, wegens te veel omweg. Daarom ging ik hoog in de bergen van Yunnan op zoek naar harmonie en rust en mijn eigen shangri-la.

21 oktober | Xichang – Qingtianpu

Bovenop de bergen rond het Qionghaimeer rust een wolkenbontje, losjes, als een spierwitte nerts. Maar eindelijk – eindelijk! – straalt de zon weer op volle kracht op een fietsdag.

In het eerste dorp staan allemaal tafels vol azijn, van druiven nog wel. Het is bizar hoe dat fenomeen overal in de wereld, althans op mijn route, voorkomt. Dat plots in één dorp alle inwoners één en hetzelfde product slijten langs de hoofdstraat. Even snel als ze kwam, is de azijn weer vervlogen.

Na een eerste miniklim verschijnt een industriële vlakte in scherp contrast met daarachter liggende schitterende bergen. Al snel mag ik de eerste heuvelpartij in, die haar gele schakeringen blijkt te danken aan steile hellingen vol droge maïsstengels.

Een vrachtwagenchauffeur, die me inhaalt aan een verschil van amper 2 km/u, avontuurt het toch om op nog geen 3 meter van mijn linkeroor zijn claxon in te drukken. Ik scheld hem helemaal naar Jupiter. Als mijn stuur een knopje had waardoor zijn schietstoel afging en hij het ravijn in werd gekatapulteerd, zou ik geen seconde twijfelen.

In een tunnel zijn er weer twee van die haastige zotten die hetzelfde doen. Als er iets onleefbaar is aan de Chinese samenleving, is het wel dat niemand, nergens, nooit ofte nimmer rekening houdt met andermans oren. Geluidsoverlast bestaat niet. Overal heerst herrie.

Vanaf een uur of 17 ontstaat er file in de pas. Het is me niet duidelijk of ik dadelijk de gevolgen van een vreselijk ongeluk ga aanschouwen of dat het gewoon spitsuur is. Het wordt een accordeon en zo klim ik de hele tijd dezelfde auto’s voorbij, die mij dan weer inhalen, enzovoort. Nog nooit hoorde ik aanmoedigingen in dit land, maar nu de Chinezen tijd hebben, klinkt af en toe ‘kayo kayo!’ Dat kan niet anders dan Chinees zijn voor, ‘komaan zenne!’.

Om 18 uur heb ik het helemaal gehad met klimmen en claxons. Naast een stroompje beproef ik mijn geluk, maar een plat stuk grond is hier een speld in een hooiberg. Hoewel ik net nog een toilet passeerde, ontwaar ik in een haarspeldbocht de toegang tot een stenenpad, bezaaid met uitgeregende zakdoeken en Chinezendrollen. Dat pad volg ik maar door tot het vernauwt tot iets haast ondoordringbaars, en toch zet ik door. Hier móét iets liggen.

Net voor zevenen kan dan eindelijk de tent recht. Het is geen moment te vroeg want ook de Chinese oktoberzon heeft helemaal genoeg gehad van de dag.

Belachelijk lang doe ik erover om mijn schimmelhut recht te krijgen op de ongelijke ondergrond van scherpe silexsteen. Twee weken geleden had ik de tent wel laten drogen, maar blijkbaar niet voldoende. Een klassieke fout. Maar hemel, wat een plezier om eindelijk nog eens buiten te slapen, en dan nog vlak aan een rivier. Zonder regen en zonder Chinezen. Zalig.

22 oktober | Qingtianpu – Zhengjiatie

Veel te laat hervat ik de grote klim. Deze kampeermeneer is nog niks veranderd. Na 4 km kan ik afslaan voor een wilder traject met meer hoogtemeters. Als ik maar van die baan af mag. De oordopjes kunnen alweer uit.

Op de omweg van 13 km halen me slechts 7 vrachtwagens in, allemaal elektrisch, met een dikke batterij en een hoog gezoem. De zon schijnt, de dampende bergen zitten volgeprikt met hoogspanningseiffeltorentjes en er klinkt weer gekwetter van roodsnavelkitta’s en ander subtropisch gevogelte. Zo fijn kan fietsen in China dus zijn, maar wat is het zoeken naar rustige streken.

Zelfs op grote hoogte zijn de bergen nog groen van de dennen. Ook hoog boven me steken de toppen kleurrijk uit en dat terwijl ik uitkijk vanaf 3200 meter. Eerst is de afdaling bibberen, maar dan land ik bij Weicheng op een 2500 meter hoge plaat die bakt in de zon en waar overal langs de weg appels worden verkocht. In een winkel krijg ik er een gratis. Na een simpele lunch van rijst met ei en tomaat geven ze me er nog twee mee.

Bij Yanyuan kan ik langs het noorden de grote stad afsnijden. In een dichtbevolkt gebied gaat het van de ene op de andere steenweg met de wind als dwarsligger. Ik verzink in gedachten, tracht in mijn hoofd mijn tocht opnieuw te rijden aan de hand van elke slaapplek, en loop al vast in Duitsland. Opeens fiets ik tussen een rotswand en een kolkende rivier. Waar komen die nu vandaan? Hoe lang was ik out?

In de fijne vallei rijden minder toeter-losers en zo zet ik door tot na zessen. In Yantang is geen groen te koop, maar gelukkig heeft een voorbereid fietser altijd een noodmaaltijd op zak. Op een zijweg verschijnt wat vlak grind naast een mooie maar te ongelijke akker. De instant noodles smaken nog op een hongerige maag en voor het eerst is me een blik vergund op de Chinese sterrenbeelden, al lijken die verdacht veel op de onze. Vroeg naar bed, want het is fris en morgen moet ik verdorie vroeger op of ik kom geheid weer in het donker toe.

23 oktober | Zhengjiatie – Yulu

Bij mijn ontbijt van appels en in plastic verpakte prefab-sandwiches duikt er al een boer op voor dat schattige akkertje. Even later komt er een scooterrijder aan die niet echt iets om handen heeft. Dan arriveert er nog een op een driewieler. Ik weet het zeker. Die eerste heeft die andere twee gebeld. “Kom kijken, er zit hier een langneus in een tent naast mijn akker.”

Net als over de rivier een prachtig beeld opduikt van grazende paarden in een weiland moet ik linksaf voor een klim van 1 kilometer. Verticaal welteverstaan. Op de heuvels vol maïsvelden wordt naarstig gewerkt door Yi-mannen en -vrouwen, die ook in tijden van arbeid wapperende, zwarte hoofddeksels blijven dragen.

Op de provinciegrens staat er weinig vrolijks ter begroeting, enkel wat waarschuwingsborden. Yunnan is het volgende landsdeel op mijn route en meteen word ik er kris-kras de berg op gestuurd over een smalle, oude baan. De vallei waar schaapjes grazen is pittoresk, maar dat er één beest dood in een boomkruin hangt, is dan weer akelig. Het is rustig op de kronkelweg en de uitzichten op het bosgebied worden met de bocht beter.

Boven op de top zijn er naast een uitzicht vol sluikstort ook slingers om me te verwelkomen, op alweer 3200 meter. Ik verpoos er maar kort want de dag is al half om.

Bij Ninglang valt op hoeveel rood en geel er in de skyline zit. Zou het land der Tibetanen naderen? Voorbij de stad eet ik in het kleinste restaurant ter wereld snel een gewokte bultige, bittere komkommer met rijst. Het is nu al de vierde keer in China dat ik bij een fruitkraam eerst naar de bananen wijs, dan één vinger opsteek, waarop de verkoper een volledige tros op de weegschaal legt. Zij zien toch ook hoe groot mijn tassen zijn en dat ik maar één man ben? Maar goed, ik krijg het gele goud wel weer gewoon gratis mee vanwege mijn lachwekkend kleine bestelling.

Om de stad uit te komen moet ik een flinke klim overwinnen door buitenwijken waarin het plots zomers heet is. Heerlijk. De mensen zwaaien en roepen hello. Dat is nieuw voor China. Ik beland op een baantje tussen dorpen waar de huizen steeds meer trots uitdragen en waar zelfs een winkeltje zit waar een beter ontbijt te scharrelen valt dan in de grote supermarkt, al blijven het suikers en E-nummers. Vanop het smalle weggetje zijn de uitzichten op de grote baan die ik niet hoef te nemen fantastisch en tegen de felle zon in.

Mijn zinnen staan op een kampeerplek, online aangeraden door een andere fietser, maar daar aangekomen kan ik de weg naar de plek maar niet ontdekken. Gedwongen zoek ik zelf verder, zonder succes, terwijl het daglicht verdwijnt. In iets dat lijkt op een verlaten pretpark, vang ik ook bot. Als ik uiteindelijk toekom op een overgroeid, doodlopend pad, op hoorbare afstand van een rivier, maar zonder toegang, is het donker.

24 oktober | Yulu – Lijiang

Op hetzelfde erf dat ik gisterenavond doordrongen ben, schieten nu allemaal kakelende kippen en snaterende ganzen weg. Op de baan mag ik meteen beginnen aan het tofste wat er is in fietsland, klimmen, weer 500 meter omhoog. Er ligt vandaag een zware etappe klaar, maar aan het einde lonkt de rust. Wie weet wel een Utopia. Nog steeds ben ik op zoek naar het vredevolle land der Tibetanen.

Bij een fijn uitzicht neemt een Chinees liever foto’s van mij. Geen foto’s nemen heb ik al geleerd in zijn taal, hij sorry nog niet. Af en toe komt de zon erdoor maar anders is het een frisse, vochtige worsteling door de wolken. Elke dag floep ik eventjes over de 3000 om dan weer helemaal de dieperik in te dalen. Vandaag is dat niet anders. Op de top is er geen uitzicht. Het is zelfs zo mistig dat de lamp aan moet.

In de eerste dalende kilometers zie ik geen hand voor ogen. Als ik al 20 km zonder trappen aan het bollen ben en mijn vingers en tenen gevoelloos zijn, word ik getrakteerd op het beste dat China al prijsgaf. Rode steile bergflanken vol gele bomenkruinen, een diep dal met een turkooizen rivier en daarnaast de groene terrassen. Dat allemaal in één onbevattelijk beeld. Daarna staat alles plots in het teken van bananen. Overal hangen ze langs de weg, aan hun planten of aan haken in kraampjes.

1700 meter lager dan daarnet steek ik de dikke, lichtblauwe Jinsha Jiang over om aan de volgende kilometerklim te beginnen. In een ideaal getimed wegrestaurant watertand ik al van de lange vegetarische menusectie, maar de eigenaar begeleid me naar de koelkast. Ik wijs de onovertroffen aubergine aan. Of er een peper bij mag? Vaneigens. Tien minuten later staat het lekkers voor mijn neus, heet, gaar en geolied.

De oude baan, die qua verkeersdrukte duidelijk is ingehaald door de nieuwe, wordt half overwoekerd door Mexicaanse zonnebloemen, wat een fijne, schaduwrijke klimsetting biedt. In Yunnan is er iets met de honden. Gelukkig hangen ze aan kettingen of zitten ze in kooien, want elke waakhond gaat helemaal door het lint en wurgt zichzelf bijna aan zijn halsband, rondspringend van razernij.

Na drie kwartier klimmen oogt die brug in de diepe verte al als geknutseld van luciferhoutjes. Een slang ligt in de berm maar wat dood te wezen. Een donkergroene eekhoorn op de linkerkant doet hetzelfde. Regendruppels vallen uit de hemel, maar klimmend is het te heet om een jas aan te trekken. Deze hoogten had ik me toch iets hemelser voorgesteld. Waar ligt mijn shangri-la? Anderzijds ben ik wel met opperbeste uitzichten en over een strakke baan naar boven aan het rijden, zonder enig verkeer. Misschien ben ik toch al dichterbij dan ik denk.

Bij de eerste stortbui is er net een afdak om onder te schuilen. Mooi, kan ik lekker koekjes eten.

Eens op de grote baan razen de wagens meteen langs mijn oren. Wat een plezierdip. Na 200 meter keer ik al terug om een kleinere weg in te slaan, al brengt die ongetwijfeld nog meer hoogtemeters. Fluitende vogels en rustgevend groen belonen meteen. Het is net een kalme dreef op een bergwand.

Terwijl ik een afgelegen bergdorp doorfiets, trekt de hemel alweer open. Wat een kermis is deze rit.

In de laatste afdaling slaat de regen opnieuw toe en koelt het af. Als ik de drukke baan hervind voor de laatste 10 km, is het donker. Op het eerste gezicht lijkt Lijiang op alle vorige Chinese steden, met een baan vol restaurants en winkeltjes. Mijn hotel ligt in de oude stad en de fiets schuift met de tassen maar net tussen de toegangspoortjes.

Amai, zo’n oude stad! Helemaal Himalaya. Het is er één grote markt voor streetfood en kleinoden in winkels van goud. Om de hoek van mijn hotel liggen de Starbucks, Pizza Hut, KFC en McDonalds’s. Nu weet ik het zeker. Ik ben toegekomen in mijn shangri-la.

Eén reactie op “31. Searching for Shangri-La”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Heerlijk authentieke oude stad 🤪 goed bezig lief x

    Geliked door 1 persoon