Ni Hao!
Honderden jaren geleden lag in de hoogten van Yunnan het koninkrijk Nan Zhao. Van de historische stad Lijiang ging het in twee ritten naar de oude hoofdstad Dali, door de bergen, de velden en de vrieskou.
25 oktober | Lijiang
Lijiang blijkt iets te weinig shangri en iets te veel la la la. Lalalai is Chinees voor kom, kom kom, als in kom maar kopen, geef je geld uit. De oude stad, het toeristische centrum, heeft een oppervlakte vergelijkbaar met een Vlaamse provinciestad. En wat er dan zo onvoorstelbaar aan is, is dat de Chinezen er toch in geslaagd zijn om bijna elke straat van dat hele pretpark om te toveren in een commerciële doolhof van eetkraampjes, fruitverkopers, souvenirwinkels, fotostudio’s, cakeshops, koffiehandelaren, nougatkramen, rijstwijnslijterijen, theehuizen, porseleinwinkels en dan vergeet ik nog wel wat, maar in alle straten komen precies dezelfde shops terug. Zo overkomt het je meermaals dat je denkt, ‘hè, hier was ik al’, maar dat klopt dan niet.
De grootste shocker is hoe op het centrale ‘marktplein’ ’s avonds wel zes muziekoptredens doorgaan, tegelijkertijd. De prikkelgrens van het Chinese oor is bewonderenswaardig.



26 oktober | Lijiang – Xinfengcun
Bij het uitrijden van Lijiang wil ik nog snel langs het postkantoor voor een dringende zending, maar dat is buiten de medewerkers gerekend. Als ze naam, stad en adres willen overtikken van het blaadje dat ik in keurige, losstaande letters heb ingevuld, zie ik met mijn eigen ogen hoe het bestaat dat China zo bomvolgedrukt staat met tikfouten. Ze kunnen geen handschrift lezen. Alle letters die ook maar iets op elkaar lijken (a-d, i-l, h-b, o-a, m-n, t-l, d-b, …) worden verhaspeld.
In een tijdperk waarin copy-pasten al lang bestaat, moet dat betekenen dat Chinezen waarde blijven hechten aan kalligrafie en authentieke kopiistenijver. Ze bakken er alleen niks van.
Doordat de dames maar blijven sukkelen en mijn hulp niet inroepen, kaap ik het toetsenbord. Als ik buitenkom, is het bijna middag. Zonde, want het weer is om van te smullen. Er is een makkelijke, korte route naar Dali en er is een zelfgeknutselde route door de bergen. Nu moet ik eigenlijk die eerste kiezen, maar toch doe ik het niet. Ik wil natuur, uitzichten en stilte.
Na 20 km gaat het pas tussen bonen, maïs, knollen en kool. Op het land zijn hele families in de weer met de oogst. Vanop een dam is het uitkijken over een vredig stuwmeer en anderzijds groene bergen. Eindelijk lunch ik nog eens in T-shirt, met brood, pinda’s, komkommer en een Chinese tofoetwist. Het is onnozel hoeveel ik daarvan geniet. Het is als thuiskomen.



Langs het meer ligt een dorp waar amper iets te horen valt. Rust en vrede in China, het kan dus toch. Na het Lashihai-natuurreservaat zijn bij de eerste afdaling de bergen op links volgebouwd met windmolens. Het is zo stil dat op kilometers afstand de wieken hoorbaar wentelen.
In de dorpjes, die op hun pannendaken na soms uit Oostenrijk geplukt lijken, worden de wegen steeds smaller tot het eindigt in een onfietsbare aardeweg. Net als ik voor het eerst de fiets een onmogelijke helling op moet sleuren, zonnebaadt in het midden daarvan een ledematenloze wachter. Het geelbuikige serpent leeft, maar verroert zich amper. Uiterst voorzichtig en met een boog loop ik om het beest heen, hopend dat het net bezig is met de vertering van een muis of een kikker.



Het wordt hoe langer, hoe meer acrobatie door modder en klei, die vast komt te zitten tussen spatbord en band. Het mondt uit in zo’n moordende boscol dat mijn ribben ervan steken en mijn benen schreeuwen om redding. Tegelijkertijd doet het deugd om nog eens een onverhard avontuur te rijden. Boven gaat het plat tussen ranke pijnbomen en varens. Had je me hier gedropt en mijn blinddoek afgenomen, ik had gedacht dat ik in Vlaanderen stond. Enkel de karakters op het zwerfvuil verraden waar ik fiets. Na nog geen kilometer remmenknijpen verschijnt er nagelnieuw beton, deus ex machina.


De goddelijke schenking is helaas van korte gestalte. Zonder dat er aan het begin van het pad ergens een waarschuwing stond, houdt het wat verder op in versgegoten, nat beton. Van een arbeider mag ik Ventsi door de greppel slepen. De bocht kan ik afsnijden door de wildernis. Eerst de tassen, dan de fiets.
De werken voorbij verschijnt meteen het pastorale beeld van schaapjes in de avondzon gehoed door een Yi-vrouw in traditionele kledij. Maar waar schapen grazen, waken honden, ook in China. Hij houdt het gelukkig bij blaffen.


Op een landbouwvlakte schitteren vogels om de vleugelslag zilver in de zon. Tijdens weer een steile klim verdwijnt ze achter de bergen, terwijl de vlakte geel, bruin en groen kleurt. Het is kampeertijd, maar ik heb te weinig water. Ik heb weleens gehoord dat je niet zonder kan, dus bij het eerste dorp blijf ik zoeken tot er een kraantje opduikt.


Blijvend op zoek tussen tuinbouw vat ik nog een klim aan. In een bocht krijg ik zicht op een landschap zo ruig dat zelfs de Chinezen het niet konden bewerken. Dan is het ruig. Een plekje zoeken tussen alle scherpe stenen en het struikgewas moet al in het licht van de wassende maan. Vandaag ben ik bijlange niet geraakt waar ik wilde, maar het geeft niet, want ik slaap onder de sterrenhemel op 3000 meter met weer een prachtige rit achter de rug. De weemoed van gisteren slaat om in een diep gevoel van geluk.


27 oktober | Xinfengcun – Dali
Als ik op wil staan, is het nog te donker. Het vriest, geen idee hoe fors. De tent ziet wit, net als het hele rijmland rondom. Een boerin is op haar akker al in de weer met een hak. In blijde verwachting van de zon is het moeilijk aan de dag beginnen. Het streepje licht op de berg bovenaan zakt tergend langzaam.
Om 8:38 uur schuift op enkele tellen mijn hele koninkrijkje, het bergtopje, in de zon. Een magisch moment en wat een verschil in gevoelstemperatuur. Het land haast zich in de verdamping, de kristallen sublimeren van de tent af. Twee uur later kan ik in T-shirt vertrekken.

Al sinds de vroege ochtend passeren er bestelwagens met van die verkoopsriedels on repeat. Het valt me nu pas op dat de rijdende groentenboer groente verkoopt aan de boerin die bezig is groente te oogsten van haar eigen land. Raar.
De landbouwlieden, vaker vrouwen dan mannen, roepen me ‘Hallo’ toe en dan zeg ik ‘Ni Hao’ terug, wat blijkbaar hilarisch is. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat worden ruggen hier kromgewerkt. Eind oktober wordt de grond omgeploegd en verrijkt met de assen van houtvuren die overal dikke witte wolken smeulen.
In de eenvoudige dorpen wordt de oogst vervoerd door gekke vrachtwagentjes met een buitenboordmotor. Voorbij zo’n dorp ontdek ik wat er van een typisch Chinees, prima betonnen baantje kan geworden als het er al heel lang ligt. Hotsend over de horizontale barsten bezorgt de afdaling me rake klappen.



Terwijl ik onder een zalige zon wellicht de laatste piek boven drieduizend van de hele reis bedwing, grazen langs de rivier elegante bruine paarden vrij rond. Een goed excuus voor een dravend Chinees stuk als Muvi. Er verschijnen ook koeien met klingelende bellen op zeldzame open weilanden en weer is Oostenrijk niet veraf.


Ik keek uit naar een lange, vlotte afdaling maar dat valt tegen. De weg ligt er onchinees vreselijk, in stukken gebarsten bij en bolt voor geen ene meter. Eindelijk beneden gaat het meteen weer door een tsjirpende halfjungle waarin lianen en dennentakken met elkaar zijn verstrengeld en waar appels en bananen naast elkaar hangen te blozen. Een wandelende tak wordt ei zo na verpletterd door mijn banden.
Eens op de vlakte, tracht ik op een rustige parallelweg tegen de wind in meer dan 20 te trappen want Dali is nog ver en het uur al laat. Grote groene en rode spinnekoppen hebben er webben gesponnen tussen de boompjes langs het pad. Sommige ragenetten zijn wel een meter in doorsnede, andere zo verstrikt dat je je afvraagt hoe ze er zelf nog uit komen. Helaas pakt rag niet prachtig op foto.



Na een stuk grote weg gaat het weer over betonnen banen, hoog boven vlakke velden, zo ver als het oog kan zien. Op 100 km verschijnt eindelijk het enorme Erhaimeer.
Langs het piekfijne fietspad ligt een retestrak en langgerekt park. Van tussen twee bergtoppen zet de avondzon de overkant nog knap in de kijker en schenkt ze haar laatste warmte. Ook de Chinezen fietsen het meer af, elk op een kinderformaat met vooraan een plastic mandje met valse bloemen in. Ze zien er geen been in om zichzelf filmend van links naar rechts te zwalpen over het 5 meter brede pad. Met mijn fietsbel rinkel ik de gelegenheidsfietsers aan de kant. Daar zullen die toetermaniakken niet van terughebben.



Hongerig als een wedstrijdpaard galoppeer ik zo op de laatste kilometers alle slome Chinezen voorbij. Nog even.
Terwijl ik steeds toeristischer stroken doortrap, verdwijnt het laatste beetje kleur uit de oude wolken die op de bergtoppen leunen. Van geel ging het over goud en rood om weg te deemsteren in grijstinten. Na 140 kilometer en exact 8 uur zadeltijd arriveer ik pompaf in een uiterst rumoerig maar voorzien hostel vlak bij het centrum van Dali.
Ooit was dit de hoofdstad van het vergane koninkrijk Nan Zhao. Benieuwd hoeveel geschiedenis de stad vandaag nog ademt.

Eén reactie op “32. Nan Zhao, een verloren oostenrijk”
Prachtige omgeving alweer!!! Knap stuk, goed bezig x
LikeGeliked door 1 persoon