Ni Hao!
En voor je het weet, breekt daar al het laatste Chinese hoofdstuk aan. Van provinciehoofdstad Kunming ging het tot Hekou op de grens. Door wouden van steen bereikte ik de tropengordel, waar aanlokkelijke vruchten waren en waar voorgoed een groene oerwoudwereld openging.
4 november | Kunming – Shilin
Volgens het vertrouwde patroon zoek ik een weg uit het centrum van de miljoenenstad, over fietspaden waar enkel brommers brommen. Over het tweedaagse bezoek aan Kunming kan ik kort zijn. Het regende.
Pas na 25 km verdwijnt de stad en dan gaat het over een weinigbelovende drukke baan. Toch rijdt er nog een bikepacker, een licht beladen, wat oudere, Chinese man, op het stuur gewapend met een telefoon die live zijn fietsbelevenissen streamt. Dat is nog eens idee. Dat scheelt een hoop tekstredactie. ‘Gudeba!’, sluit hij af. Met stip het lolligste leenwoord hier.


In Qidian staat er net een gezellige markt, maar het is niet omdat ik verga van de honger dat ik plots zin krijg in gebakken kippenpoten of eend met de kop eraan. In een wat normaler restaurant duid ik nog eens stinky tofu aan op de kaart, intussen een favoriet, maar ze schotelen me een kom noedels voor. Chinese menus are like a box of chocolates. De bijbestelde rijstballen, voor gewenste koolhydraten, blijken een smakelijk dessert met een toets van granaatappelmelasse.



Om het Yangzongmeer zwaait weer zo’n smetloos fietspad met kleurenstrepen en zicht op groene natuur en koeltorens. Dan volgt een knappe kloof, maar over de drukke baan is het veel opletten en weinig genieten van de straffe mix van ruig landschap en groenteteelt. Yiliang blijkt een reuzenstad en zo is het weer scooters volgen. In deze ene rit zit zowat heel China gestouwd. Wanneer er op de volgende klim van 6 km ook nog maïs verschijnt, is de samenvatting compleet. Als u ooit half China wil zien, maar slechts een dag tijd hebt, hoeft u gewoon van Kunming naar Shilin te fietsen.




Op een erf briesen enkele waterbuffels. De wijdgehoornde kolossen zien eruit alsof ze een oerkracht in zich dragen. Om die te ringelen is hun een touw door het septum geknoopt. Zo leven ze elk apart in een eigen moddervlek.
Steeds meer kalkstenen richten zich op als natuurlijke menhirs. Het Stenen Bos van Shilin kan niet ver meer zijn. Een museumgebouw, hekwerk en ticketpoort blokkeren de toegang. Jammer, want ik ben speciaal omgereden. Nochtans is natuur onbetaalbaar, dus moet er een achterpoortje zijn. Een bewaker veert recht uit een hok en stuurt me streng rechtsomkeert. Vanop een sluipweggetje vang ik nog een glimp op van de steenformaties.



In Shilin-de-stad mag ik het eerste hotel niet in met mijn onontcijferbare paspoort. In een chiquer uitziende lobby betaal ik tot mijn verbazing de standaardprijs van 100 yuan (€12). In de kamer hangt die typisch Chinese, zerpe sigarettenzweem, maar ze biedt wel uitzicht op de lichtjes van Shilin, vanop de 27e verdieping.

5 november | Shilin – Pengpu
In de grijze wolkendeken boven Shilin zit een gapend gat. Er is hoop.
Bij een karststeen staat een auto geparkeerd. Rond een smeulend takkenvuur staan drie mannen en een van hen houdt een haan vast. Beurtelings buigt hij in de vier windrichtingen. De haan wiegt mee. Ik ga niet blijven kijken. Die vogel wordt dadelijk zeker weten de nek omgedraaid.


Langs de weg verschijnt het Shangpucao Stone Forest, dat volgens mij nog mooier is dan dat van Shilin. Na een expeditie tussen de karstbomen volg ik de X031. Wegen met een X staan garant voor karakter en luwte, net wat ik zoek. Daarnaast liggen ongewone akkers en concentraties van de verticale mirakelstenen. De hele tijd onderbreekt het landschap mijn tocht met uitzichten op knotsgekke rotspartijen tussen bussels van droge maïsstengels.
De lokale fietsclub haalt me in, wat me geenszins aanstaat. Dat tempo moet hoger. Verderop houdt de bende me natuurlijk tegen, waarop meteen een ongevraagde fotosessie losbarst. Dan trek ik ook maar een selfie.
Het landschap verruilt de maïs steeds meer voor een mengeling van tabak en afrikaantjes.


In het half-azteeks aandoende Xisan zet ik me op een kleuterkruk neer voor ‘groenten en rijst’, maar ze verstaan me niet. Dat Chinese accent, het wil maar niet in de juiste toonaard. In de vochtige tippen van mijn eetstokjes zitten bijtafdrukken als in een kinderpotlood, de serveuse duwt haar duim in mijn rijst en door de paksoi zwerven twee zwarte haren. Mijn spijsvertering zet zich schrap.
Totaal onaangekondigd verschijnt op een heuvel tussen de velden een machtige pagode met gouden piek. Er volgt een kilometerslange, stinkende winkelstraat, een deel van de X031 ontdekt door kwaadwillige camionneurs en andere toeterterroristen.


In Pengpu zit naast de troebele, groene stadspoel een gezellig ogend hotel voor minder dan de standaardprijs, misschien door de afwezigheid van warm water. Als ik na 19 uur op missie trek voor verse voeding, blijkt die onvindbaar. Veel supermarkten in dit land verkopen uitsluitend gesuikerde, ultrabewerkte, driedubbel-plasticverpakte troep. Voor een woensdagavond is het erg druk in het stadje, met groepsdans, mahjong en straat-karaoke.



Een maaltijd verzilveren bij het enige restaurant blijkt weer geen makkie. Hoewel de koelkast zoals steeds zichtbaar uitpuilt van de groenten, moeten ze heel diep nadenken en in een familieraad overleggen of het zal lukken om iets te bereiden zonder vlees. De Chinezen, ik vrees dat ik ze niet meer ga doorgronden.
6 november | Pengpu – Lengquan
Pengpu wordt wakker in de zon en in dat ochtendgloren is er meteen weer dans en mahjong op de promenade die met zwier door de centrale stadsvijver loop. Het is eens wat anders.
Al sinds de dag dat ik China binnenreed, liggen in de fruitkramen drakenvruchten en nu ik verloren rijd in de buitenwijken van Pengpu kom ik erachter hoe die rode schubbenballen volwassen worden.


Wat later bots ik nog op een tomatenmarkt. In China komen alle groenten van de wereld samen. De G326, mijn doorlopende lijn voor de dag, toont zich meteen druk. Langs de baan worden kalksteenrotsen verkocht als sierstukken.


In Kaiyuan is er wat vitamine-C te koop en geïnspireerd door de pitaja’s van daarnet koop ik toch eens wat onbekend fruit. In de schaduw van een raar schepsel, half cactus, half boom, proef ik wat lijkt op een gestreepte pruim, maar helaas smaakt naar dood en verderf, ook wel bekend als meloen.
Het is broeierig heet en ik zou niks liever willen. Op de markt vind ik naast veel bekijks ook koude noedels, nog beter dan warme. In Mengzi staan langs de fietspaden palmen en bomen op warboelen van luchtwortels. Ik word een tropische tinteling gewaar. Misschien is het de kriebelende kreeft wiens keerkring ik daarnet ben gepasseerd. Nu fiets ik officieel in de tropen.



Als ik tussen de fruitgaarden begin aan de finale klim, wil ik nog snel mijn tanden zetten in een gekke peer, maar ze raken niet door de schil heen. Het blijkt een gekke passievrucht, een lichtgroene markoesa.
De zon gooit vanuit een scherpe hoek nog licht over wiegende naaldbossen op de heuvels, maar van links walmen er vieze zwaveldampen. Nog even door voor ik de natuur kan blootleggen.


Terwijl ik naast de weg casual in wat oranje vruchten sta te knijpen, krijg ik klop van de man met de hamer. Snel koeken binnen van rijst, pinda’s en suiker want het is intussen al om half zeven donker. Kort voordien sla ik een doodlopende weg op waarvan nog verbazend veel boeren komen gebromd en waarlangs onthutsend veel tandzaad bloeit. Op de losse lössgrond ligt een plat stuk te smeken om een tent, en dan nog met uitzicht op de bergen. Het mag nu gewoon niet gaan regenen. Heerlijk, nog eens buiten slapen. Voor de laatste keer in China.



7 november | Lengquan – Hekou
Of het nu regent of niet, in China plooi je altijd een natte tent op. Door de dauw en de boomgaarden duw ik mijn ros weer naar verharde wegen voor een dagje rouwdouwen richting Hekou.


Na een eerste diepe afdaling beland ik op een atypische weg van betonnen kasseien tussen hoge bergwanden, waar de jungle fliert en fluit, tsjirpt, ritselt, knort en rommelt. De vergezichten zijn indrukwekkend maar over de versleten baan gaat het niet vooruit. Beneden aangekomen aan de Rode Rivier is het plakkerig en heet. Tropisch heet.



De oevers van de Hong He staan vol met lange ranke stammen die bladeren dragen als talloren, sommige zelfs als dienbladen zo groot. Hier en daar worden de teakbomen gerooid om straks meubels te worden op Vlaamse tuinterrasen.
Bij een politiecontrole zegt de agent ‘Welcome to China’. Verkeerde hoofdstuk, makker! Maar net boven het waterpeil wapperen oneindig veel bananenbladeren. De vallei valt in de schaduw en het is nog 50 km door. Als er aan de overkant een rivier bij komt gevloeid, betekent dat land in zicht, met grote baken en al. Vietnam. Gedaan met die banaan.



Op 30 km is er een derde paspoortcontrole. Flashbacks naar Xinjiang, waar het China-avontuuur begon. Als de nacht valt, is het nog 20 km tegen schijnwerpers in fietsen. Hekou moet mijn laatste Chinese halte zijn. Eindigen doe ik met wat intussen als traditie aanvoelt: Aankloppen bij een hotel, 100 yuan betalen en de fiets naar de kamer sleuren.
Als laatste avondmaal kan ik niet anders dan Mapo Tofu nemen. Van alles made in China het beste dat er ooit gemaakt is!


China was een zotte fietskoortsdroom op zichzelf van 50 dagen, met natuurlijke en emotionele hoogten en laagten. Ik kan tevreden terugblikken op een stevige route door het zonderlinge land met een nog zonderlinger volk en ben dankbaar voor al het moois en al het gekke dat ik heb mogen ontdekken. En het eten ga ik ongetwijfeld missen. Nog een leven lang.
Babai Zhongguo! Xiexie!







Één reactie op “34. Gudeba Zhongguo!”
Prachtige rit alweer!!!
LikeGeliked door 1 persoon