Hello!
Vanaf George Town lag de weg open naar de glinsterende wereldstad Kuala Lumpur. Over een hachelijk parcours ging het door een Maleisisch binnenland van oerwoud, plantages en verkeersdrukte. Middels verhoogde voorzichtigheid kwam ik heelhuids de vierdaagse door, wat niet gezegd kan worden van alle dieren onderweg.
2 januari | George Town – Taiping
Met dezelfde ferry als vorig jaar – sorry, één zo’n mop maar – vaar ik terug naar de vaste ondergrond van het schiereiland. In de verte schittert de rand van het eiland Penang, volgebouwd met blinkende woontorens, terwijl het centrum van George Town zo laag en zelfs bouwvallig oogde.

Bij Penanti wordt een hele heuvelflank ingepalmd door grafzerkjes. Vanaf elke straathoek walmt de zure lucht van vuilzaksap. Het gaat over wegen vol vrachtverkeer tot ik in een bescheiden pas beland doorheen beboste heuvels. De lokale apen lokken uit tot observatie, maar de verkeersdrukte laat het niet toe.
Langs de rijbanen dwars door het groen ligt amper een verharde berm om overheen te trappen. Een apin met een kleintje gromt naar me als ik te dichtbij fiets.


De oliepalm is helaas terug van weggeweest maar bij momenten loopt het door stukken jungle waarin slanke bomen makkelijk 40 meter richting hemel reiken. Op de apen langs de weg raak ik de tel kwijt. Voor het eerst stuiven ze ook door de palmenplantages. Dan toch wat leven in de groene woestenij. Van een hoopje huid en haar aan het asfalt vermoed ik dat het ooit een slingerbeest is geweest.
De hele namiddag glijdt het geleidelijk aan door de palmolie. Op het tegengestelde pechstrookje strekt zich een apenlijf uit, schijnbaar verstijfd halverwege een oversteekactie. Op de soundtrack zingen Pixies lijzig, this monkey’s gone to heaven. Verderop ligt een gedumpte zak passievruchten. Een tegenligger smijt toastbrood richting berm. De jungle ritselt langs alle kanten.



Glanzende, pekzwarte vogeltjes met bloedrode ogen vliegen op een meter langs. Als uitgespuwd door een bergtop vult een spectaculaire wolkenmassa de hemel. Op 5 km van de meet begint het te regenen. Bij Taiping is de poort van de camping bij het natuurgebied Bukit Larut gesloten, maar om de hoek blijkt er gelukkig nog een andere te liggen. Aanvankelijk positioneer ik de tent tussen de woudreuzen, maar het dondert beangstigend van achter de heuvels en ik krijg toestemming om op te stellen onder het afdak. Maar goed ook, want volgens de infoteksten rondom is Bukit Larut de regenachtigste plek van gans schiereilandelijk Maleisië.



3 januari | Taiping – Ipoh
Met hoofdpijn uit de veren. Aan de aanslepende vermoeidheid komt geen einde.
Door samenwerking van vochtige tropenlucht en lange zadeltijd is mijn fietskont zo rood en gezwollen uitgeslagen als bij de mannelijkste der apenmannetjes die rond het afdak sluipen. Van mijn vier fietsbroeken is er slechts eentje zo zijdezacht en tropenhard dat mijn derrière er niet van gaat jammeren na één rit. De vaststelling dat ik net díé broek met mijn domme harses heb laten hangen op het wasrek in George Town komt aan als een mentale oplawaai. Al mag ik al tevreden zijn dat ik niet nog meer kwijt ben. Van de enige andere, Maleisische kampeergast is een aap met een horlogebatterijtje aan de haal gegaan.
Bij daglicht ogen de enorme bomenbundels nog machtiger. Hoewel er gisteren enkel makaken rondsprongen, zijn de langoeren er nu het vroegst bij. Meteen mag ik door een stadspark vol sierlijke vijvers waar het fietspad onder reusachtige kronkeltakken door loopt. Er volgt een begraafplaats die in niks gelijkt op alle voorgaande in Maleisië, voorzien van hoefijzervormige tombes begrift met Chinese tekens.





Een fluwelen grindpad leidt me de jungle in en door een indrukwekkende tunnel heen. Vanaf het plafond pletsen dikke druppels op mijn helm. Vleermuizen kijken ondersteboven, van tussen de stalagmieten toe hoe ik mijn ros over de keien duw.


De doorgang wordt alsmaar smaller en steiler en ik vertrouw het niet langer. Flashbacks naar die trap in China. Te voet verken ik het pad een end bergafwaarts voor ik me eraan waag. Eigenlijk is het een fantastisch en avontuurlijk segment, maar ik voel me fysiek en mentaal beroerd. ‘Geniet dan toch, zagevent!’, bijt ik mezelf toe. Maar het lukt niet.


Nadien herrijst de rijst, frisgroen afstekend tegen bosrijk gebergte. Als ik pas om drieën bereide voeding aantref, is er geen menukaart, wel een buffet van blikken bakken waarin amper iets herkenbaars zit. Al wat plantaardig aandoet, schep ik op, maar uiteindelijk blijkt dat toch zowat enkel de rijst.


Op één plek ligt zo veel vuilnis bij mekaar dat de vogels, de apen én de honden er hebben verzameld om te schranzen van het bermbuffet. Vanaf de regenwolken in de verte hangen grijze gordijnen en die beloven niet veel goeds.



Na een eerste vlaag staan er diepe plassen op de baan. De Maleisische chauffeurs malen niet om hoeveel water van hun banden opspat richting een eventuele fietsende malloot. Een droge rijzone moet ik zelf zien af te dwingen op de tjokvolle ringwegen rond de oude mijnwerkersstad Ipoh. Er barst een nieuw onweer los, maar gelukkig is het vanaf mijn tankstationluifel niet ver meer. Al zijn drie minuten van deze neerslag wel voldoende om, ongeacht het aantal lagen Gore-Tex, een mensenlijf tot het bot te doorweken.


In een akelige wijk, zichtbaar geteisterd door leegstand, zit verrassend genoeg nog een net hotel voor een aanvaardbare prijs. Uit schrik dat ze weldra de tent dichtgooien, haast ik me in stanktenue naar het enige restaurant, waar de Maleiers veel latere tafelaars blijken dan de Thai. Zelfs na mij schuiven ze nog in kroostrijke families aan tafel.

4 januari | Ipoh – Slim River
Rondom schijnen schone bergen te liggen. Mijn uitzicht wordt vandaag echter beperkt door de 1, een mistroostige kakbaan richting Kuala Lumpur. 95 km rechtdoor.
Langs de baan liggen doerians te koop in heuse stapels. Aan een passant vraag ik hoe het bestaat dat ik die stinkende stekelballen al meer dan drie maanden ruik maar nog nooit een doeriannelaar heb mogen aanschouwen. De plantages zouden verder in het binnenland liggen, achter de dorpen. ‘Oh, deze boom hier naast ons is ook een doerianboom’, merkt de man verbaasd op. Er hangen alleen geen vruchten aan.
Pal op de middenstreep van de weg ligt een lijvige civetkat, morsdood. Alweer is een hele heuvel ingericht als een verpieterende Chinezenrustplaats met een tombetype dat ik in het Middenrijk geen enkele keer tegenkwam.


Een wegkantbuffet blijkt opnieuw de efficiëntste manier om calorieën te tanken op een Maleisische fietsdag. Een werkneemster neemt me mee op ontdekkingstocht langs de blinkende rij voederbakken. Bananenscheuten in curry, aubergine in chilisaus, ananas in nog vlammender nat, reuzenpakora’s, cap cai en soy bean meat, wat verdacht veel wegheeft van goeie tofoe. Verder verschillende soorten geurige, gedroogde vis in vette sauzen.
De ruimtelijke ordening wordt steeds meer een herhaling van hetzelfde. Eerst gaat het kilometers lang door niks anders dan oliepalm. Daarop volgt een rechthoekige woonkern, bezwaarlijk een bezield dorp te noemen, met een lange façade aan de baankant waar in een rij verouderde panden alle commercie samen zit gepropt, lokale en internationale.


Bij Slim River vlij ik me neer aan de visput in het park en daar lijkt, enigszins verrassend, niemand wat op tegen te hebben. Er parkeert zich voorzichtig een witte Perodua op het grasveld en de visser die uitstapt komt al snel naar me toe om te informeren naar mijn reiswijze. De zachtaardige Ching slaapt hier vanavond ook, in zijn onopvallende auto.
Mijn gezel legt uit hoe anno 2019 het gerucht ging dat je als Uber-driver goed geld kon gaan verdienen in de hoofdstad. Hoe daarna door een virus in één klap alle werkgelegenheid verdampte. Sindsdien leeft hij in zijn Perodua en van zijn spaargeld. Hij is al heel peninsulair Maleisië rondgereden, in korte etappes, en blijft nooit lang op dezelfde plek, want dan gaan de mensen morren. Sinds kort vist Ching ook. Dat is prima tijdverdrijf en gratis levensonderhoud. Hij toont me zijn nieuwe elektrische visgrillpan, waarvan hij ontzettend tevreden is.


5 januari | Slim River – Kuala Lumpur
Terwijl de koffie pruttelt, komt Ching me al de eerste vangst van de dag tonen. Een mooi, grijs, rondbuikig visje. Mijn ogen houd ik de hele tijd wijd open, gericht net boven de bomenrij, maar de fabelachtige neushoornvogel laat zich niet zomaar spotten. Op Chings aanraden ga ik op zoek in de kruinen van de fruitbomen achteraan de plas.
En jawel, hoor! Een echtpaar uit de kluiten gewassen gele snavels wipt elkaar achterna van tak naar tak. De schuwe beesten maken zich pardoes uit de veren door tweemaal fluks te vleugelslaan en dan gracieus door de hemel te glijden. Vanuit de kruinen lachen ze als sprookjesheksen. Dolblij stap ik op voor de laatste traptocht richting hoofdstad.


De baan mankeert een vluchtstrookje en voelt meteen gevaarlijk aan. Een scooter haalt me in, zet zich in de zachte berm en maant me aan om hetzelfde te doen. ‘No, sorry, I have to move’ zeg ik, niet geheel gelogen en zonder veel zin in een selfie. De man komt daarop naast me rijden en gebaart opnieuw om te stoppen. Hij beweert politieagent te zijn, hoewel hij geen uniform draagt, en toont een pasje. Hij noemt het een ‘routinecontrole’ en wil enkel mijn paspoort zien, maar ik kan niet verbergen dat ik het allemaal wat bizar vind. Uit zijn portefeuille haalt de undercoveragent een briefje van 5 ringgit (€1) tevoorschijn. ‘What? No, why are you giving me money?’ ‘In islam, is good give money.’ Krijg nou wat.
Een vrachtwagen steekt me voorbij met een boogje en wijkt gevaarlijk vroeg weer naar links. Luttele tellen later haalt een tegenligger dan weer te breed in, waardoor ik mezelf van doodsangst de berm in stort. Fietsen over Maleisische steenwegen kan griezelig zijn, maar het is de enige manier om KL te bereiken.
Overal in het land hangen sterke geuren. Als het geen sluikstort is dan wel doerian, droge vis of dierlijke verkeersslachtoffers. Daar komen Pixies weer op. Aan de baan plakken her en der bloederige vlekken aap.
Na 50 km mag ik eindelijk van die levensbedreigende klotebaan af. Een Chinees familierestaurant zit al goed gevuld met tafelgasten en het personeel negeert mijn aanwezigheid in eerste instantie totaal. ‘English?’, vraag ik. ‘No’, het geërgerde mens wuift van ‘bol het al maar af’. Als ik vervolgens met een vastgespijkerd zinnetje Chinees vraag of ze me nog lunch kunnen aanbieden, gaan haar ogen wijd open en besta ik plots wel.
Het gaat daarop ouderwets bergop door het oerwoud zodat het zweet in gulpen door mijn kleren plengt. Bovenaan de klim komt vanuit het bos water in een poel gestort, waarin een groepje Maleisiërs geheel terecht verkoeling zoekt. Op de flanken van de pas groeien varens en lange, ranke boomstammen. Een arend zoeft op een meter hoogte de baan over. Een makaak jat uit de berm een zopas gesluikstorte afvalzak en kruipt er snel de hoogte mee in, bang dat ik hem zou afpakken.


Bij wegenwerken vergeet een walkietalkieman zijn job te doen en zo word ik ei zo na door een tegenliggende vrachtwagen verpletterd. Op een loodrechte klim moet ik mijn benen naar de haaien trappen om een rechte lijn aan te kunnen houden. Bij zo’n hellingsgraad kan je voorband plotsklaps een kant uit schieten, maar links gaapt een diepe goot en rechts scheren ongeduldig auto’s langs. Boven dient zich een eerste uitzicht aan op de randen van het metropolische Kuala Lumpur.


Vanop het eerste viaduct zie ik de befaamde torentweeling al aanlokkelijk pronken. Nog 10 km te gaan. In de rafels van de stad, de schemerzone tussen de gewone en de urban jungle, delen een purperreiger en een varaan vreedzaam een kanaaloever.
De gps maakt er een zootje van en stuurt me, tegen de rijrichting in, over smalle trottoirs en paden die allang in onbruik zijn. De broederlijke Petronas-torens, in mijn prille jeugd nog de hoogste van allemaal, nemen steeds meer het zicht in. Thans staan ze dan misschien op plaats 21, zijn ze zelfs in KL niet meer de hoogste, toch blijven de Petronas Towers voor mij altijd de bijzonderste. Dat ze in levenden lijve teleur zouden stellen vreesde ik even, maar dat doen ze niet, integendeel. Ze eisen al mijn aandacht op.


Met een bang hart check ik in bij het receptieloze hotel. Voor een onwaarschijnlijk groot aandeel van de lager geprijsde hotels in centraal Kuala Lumpur maken eerdere gasten melding van walgelijke kamers, onbeschoft personeel, torenhoge extra kosten, bedwantsen, nachtlawaai, leugenachtigheid en ga zo maar door. De urenlange online zoektocht van eergisteren loont gelukkig en op mijn hotelkamer op de 21e verdieping blijkt uiteindelijk weinig aan te merken. Vanaf het balkon is er zelfs zicht op het iconische tweetal, dat zilver uitblinkt boven de futuristische skyline.


Reageer