36. Hanoi, de zee, de bergen

16-21 november | dag 194-199

Xin Chào!

Na een vermakelijke tweedaagse in de hoofdstad ging het over een vlak Vietnam, tot aan de kust en dan weer tot de westgrens.

Na regen kwam zonneschijn, tussen de verontreiniging blonk natuurschoon en zo kreeg de soms helse tocht door Vietnam nog een hemels einde.

16-17 november | Hanoi

Het lijkt erop dat de Vietnamezen zowel de zondagsluit als de sieste van de Fransen hebben overgenomen. Zo blijft de eerste dag Hanoi beperkt tot taken dicht bij huis.

Maandag trek ik per fiets de stad in. Niet alleen vergeet ik mijn regenjas (dom) maar ook mijn helm (superdom). Als de wolken breken en alle scooterrijders een instant poncho-stop inlassen, doe ik hen maar na. Het is best een humoristisch beeld, een leger brommerrijders dat op enkele minuten verandert in niets dan gekleurde, flapperende plastic zakken. Maar het lachen vergaat me al snel als voor mijn ogen de eerste mensen op het asfalt onderuit glijden in volle drukte.

In de nauwste steegjes rij ik verloren en dat biedt een blik op hoe knus er gewoond wordt in de dichtsbevolkte wijken van de hoofdstad.

Bij een fietsenmaker hebben ze het te druk om me verder te kunnen helpen. Daar gaat mijn plan om te voet het centrum te bezoeken. Met een fiets aan de hand klop ik aan bij de Laotiaanse ambassade voor een visum. Nadien word ik van de ene naar de andere fietsenmaker gestuurd, telkens kilometers verwijderd van elkaar. Dwars en kris-kras door Hanoi fietsen blijkt de plezantse culturele onderdompeling denkbaar. Rond bezienswaardigheden wemelt het van de toeristen en de globalisering, daartussen toont zich een nog indrukwekkender Hanoi waarin frivole architectuur en subtropisch groen elkaar afwisselen.

18 november | Hanoi – Hàng Tram

Als ervaren hanonaut lanceer ik de fiets opnieuw de openbare ruimte in. Het waait stevig en miezert gedurig. Herfst in de tropen. Voor de eerste afslag rij ik al verkeerd. Geeft niks, dambordpatroon. De korte interacties met de brommerrijders zijn goud. Dan moet je met twee of drie links afslaan en vorm je een moment lang een pakt, als een klein schooltje vissen dat een zelfzuchtig zeezoogdier de pas afsnijdt.

Even gaat het langs heiligdommen en stinkende plantenvijvers maar het is naïef te denken dat ik daarmee de stad al uit ben. Er volgt een nieuw chaossegment langs vervuilde rivieren en door fruitmarkten maar voorbij een meerbaans autosnelweg vind ik, al met al vrij vlot, de rust, tussen velden vol zwervende grafstenen. Regen en miezer wisselen elkaar af. De groene plastieken zak van gisteren bewijst opnieuw zijn nut.

Om de ene of andere reden is Vietnam een land van uitsluitend smalle, diepe kavels. De lange, barokke façades van de huizen puilen soms uit van de luister met zuilen, dakkapellen, erkers, portieken en bordessen, kleurrijke motieven en balkons met golvende balusters.

Doordat ik nu een parallelweg achter lintbebouwing volg, krijg ik links zicht op een blijk van koterijenbouwwoede die zelfs de Vlaming in verlegenheid brengt. Op rechts liggen nog meer vruchtbare dodenakkers. Langs toxische kanaaltjes wordt afval verwerkt en daartussen trippelen drijfnatte ratten over het jaagpad.

In een onwaarschijnlijke setting laveer ik tussen karstbergen die uitrijzen over kalme wateren en afgelegen tempels. Het plan om voor de lunch gewoon te wachten tot er een restaurant opduikt, blijkt vruchteloos. Na een pauze onder een zeldzaam afdak reikt de karst zelfs tot aan de wolken, net als een gouden pagode, maar die kan in het gehinderde licht niet in vol ornaat schitteren.

De betonnen weg loopt verheven boven een grijsgroen waterlandschap vol bakstenen schoorstenen en groene natuurtorens. Langs de baan liggen topuitzichten maar in de gietende regen zijn ze amper vast te leggen.

Na driekwart van de geplande rit geef ik er de brui aan en klop ik kletsnat aan bij een degelijke Nha Nghi. In een restaurant zit ik een halfuur te wachten op eten, gekweld door oorverdovende TikTokbagger op de buis. Het is mijn klankgeworden hel.

Als ik vraag waar mijn eten blijft, kijkt de eigenares stomverbaasd. Dat Translate-gesprek van daarnet is dus totaal mislukt. ‘Oei, vegetarisch? Dat hebben we niet hoor.’ Oh, vandaag wel. Mijn trommelvliezen en verstand zijn net half doorgesleten in uw etablissement, stil dan op zijn minst even mijn honger. ‘Maak anders noedels met groenten en vlees, maar laat het vlees eruit?’. ‘Ah ja, dat lukt wel.’

19 november | Hàng Tram – Xuân Thài

Vroeg opgestaan, want ik heb wat goed te trappen, maar dan word ik nog een tijdlang in mijn kamertje tegengehouden door regen. Met de landkaart in handen maakt de keuzestress zich van me meester. Fiets ik links naar de stranden aan de Baai van Tonkin of ga ik rechts, richting de Laotiaanse bergen? Ik kies om nog niet te kiezen en rij rechtdoor.

Al snel komt het nationale park van Cuc Phuong in zicht, dat door gebrek aan goede lichtinval de verwachtingen niet helemaal inlost. Daarna loopt de drukke baan plat tussen suikerrietplantages. Na een verkeerde wegkeuze gaat het door modder en plassen, maar even later loopt het keurige asfalt weer over een vredig platteland gekenmerkt door boerderijen en bergjes van kalksteen. Sommige stompen worden stukgebroken om er bouwmaterialen uit te winnen.

Opnieuw is nergens een eettent te bekennen. Op de bruine, brede Song Chu wordt gevist door eenzaten vanop kleine prauwen. Verderop ligt een enorme begraafplaats vol bonte familiegraven en vervolgens verschijnt overal rondom frisgroen gras. Gras, dat is lang geleden.

De hele dag kent het ge-hello geen grens. Mannen schreeuwen het theatraal hard als ik langsrijd. Tieners roepen telkens nog een tweede of derde keer als ik al met Hello of Xin Chao heb geantwoord. Als de school uit is, moet ik door de dorpen spurten of een eskadron snotneuzen zou de aandacht uit mij komen scheuren.

De avond valt over Vietnam als ik nog 15 km moet en over de enige pijlrechte klim van de dag. Op een pikdonker pad richting het meer is de ‘camping’ van Maps onvindbaar maar bij aankomst kan ik meteen in het wilde weg kamp opslaan. Halfweg mijn recept begint het te regenen, maar dan bedenkt de hemel zich nog. Oef!

20 november | Xuân Thài – Nghi Yên

Vertraagd door een fles sojasaus uitgelopen over de helft van mijn spullen verlaat ik de smalle strook tussen de acacia‘s en het meer. Er staan bomen in het water en palenconstructies met rieten daken. Misschien is die camping gewoon ondergelopen.

Op het geweldige baantje dat om de armen van het stuwmeer slalomt, rijdt het vol met veel te kleine kinderen op veel te grote brommers. Hier naast tieners rijden is mogelijk gevaarlijker dan naast tientonners. Uit de open ramen van een schoolbus wordt zo enthousiast gejoeld dat ik me voel als een piet met een volle juten zak op zijn schouder.

Eens op een grotere baan hangen, aan de bomen naast de weg, kommetjes onder verticale schorswonden. Uit de opengereten littekens drupt rubber. Verderop glippen in de spleten tussen de goottegels hagedissen weg.

Prijs de heer voor scooterrijders, want anders lag dat olifantenpaadje naast het kanaal er nooit zo berijdbaar bij. Over een steeds dichter bevolkt platteland stuurt de gps me over binnenwegen, al dan niet verhard. Bij een geparkeerde vrachtwagen trek ik de fiets haastig over wat snoeihout en, voor ik het besef, heeft een verstrengelde tak al een stuk uit het achterste spatbord versplinterd. Nog geen 200 meter verder ligt blubbermodder waarin mijn schoenen onzichtbaar worden. Na vier uur trappen ben ik amper opgeschoten.

De kaarsrechte weg naar de kust blijkt weer een kanaalpaadje waar het stikt van de dikke ratten. Eén haastige oversteker kopt mijn voorvelg. De zon begint te zakken en er komt nog geen zeeschuim in zicht. Terwijl ik in het gouden avondlicht een brede kustbaan afrol, waarop opeens ook Vietnamese coureurs bollen, kan het niet ver meer zijn.

Het is een stom cliché, maar in blijde verwachting van een zee hoor ik telkens vanzelf Charles Trenet met zijn bekende ode. Het is al van de Zwarte geleden – de Kaspische niet meegeteld – dat ik er een zag. Als het ruime zeebruin dan eindelijk verschijnt, is dat door een rij geknakte boomstammen heen. Cyclonenwerk.

In het silhouet van het vlakke land steken klassieke kerktorens uit in de oranje hemel. Als ik na boodschappen in het dorp pas aan het strand op zoek kan naar een plek, is het stikdonker. Daar oogt alle zand en afval nog overspoeld door de laatste vloed, dus ik durf niet op te stellen. Enkele kilometers verder ligt een recreatief strand, waar ik me iets hoger dan de vloedlijn kan zetten, tussen vuilnis en veek.

21 november | Nghi Yên – Son Kim

Na een herstelling van het achterspatbord met spuug en duct-tape kan ik weer op pad. Vandaag moet het van de zee naar de bergen gaan.

Uit het ultraplatte land priemen nu al originelere kerktorens. Op een baan rechtdoor kruis ik wel 1000 identieke tegenliggers: scholieren in dezelfde blauwe trainingsvest met witte schouders.

In het eerste dorp is in de winkel weer niks gezonds te koop. Het is opmerkelijk hoe de bevolking hier zo dun blijft. Alhoewel, de enige Vietnamezen met zichtbaar overgewicht zijn triestig genoeg de kleuters. Van overal klinken weer hello’s, maar nooit lijkt het een oprechte, enthousiaste begroeting. Het is een schreeuw om aandacht, om mijn vreemde smoel beter te kunnen zien.

Om 11 uur is voor de groenjassen de school blijkbaar al uit want in de straten krioelt het ervan. Als het ene non-gesprek stopt, begint het volgende alweer. Na hello? en what’s the name volgt nu ook where you from?, maar van Belgium hebben de jongeren nog niet gehoord. Misschien omdat het in hun taal in één lettergreepje klinkt als Bỉ. Als de zinnetjes op zijn, begint het gewoon van voren. Hello?! Vietnamese kinderen zijn beulen op wielen.

Op een rotpad, ergens tussen begraafplaatsen en een snelweg, dat onverklaarbaar populair is bij vrachtwagens, komt de zon erdoor. Voor al die kustbewoners dienen de eerste heuvels als laatste rustplaats, te zien aan de fleurige verzameling monumenten. De necropolis bezit geen misse skyline.

Net als ik van de honger dreig om te vallen, staat langs de kant van de weg een karretje met iets van deeg. Het blijken gefrituurde banaanstokken en kokosballen en die test ik met groot genot. Overal waggelen witte eenden over de natte akkers, de waterbuffel graast naast grafmonumenten en een tempel siert de wegkant op. De zon verwarmt de vlakte en de rust keert in mij weder. Dit is waarom ik fietsreis.

Als ik toekom bij de Song Lam, ligt daaroverheen helemaal geen brug, zoals de gps beweert. Het veertje opereert op bestelling maar het nummer kan ik niet bereiken. Door de enorme omweg kan ik wel de dijk meepikken die ik net misliep en van waarop een fenomenaal uitzicht ligt met op de voorgrond de gekke zerken en daarachter kilometers laagland. Het jaagpad biedt zo een unieke, verhoogde kijk op laag Vietnam en ook de uiteindelijke brug van 1,2 km is een attractie op zich.

Nadat ik mijn route hervind, ontdek ik een gloednieuwe asfaltbaan die de gps nog niet kent en die me door een pastorale en wonderbaarlijke setting gidst. Rijstplassen, grafheuvels, zilverreigers, een enkele adder, buffels, en dat allemaal onder een hemel van schapenwolkjes. Vandaag is ook opeens overal de beeltenis van Jezus Christus aanwezig. Misschien heeft hij dat plotse, aardse paradijs hier zo-even geschapen.

Vanop een asfaltweg die nog volop wordt aangelegd, kijk ik toe hoe boeren met de zeis de rijst te lijf gaan en hoe runderen met geweld op te kleine karren worden gehesen. Even later is het weer ploegen door de modder-madness. Come on Vietnam, cut me some slijk.

Nog twintig kilometer stamp ik noest voort over een baan die door dorpen op en neer loopt tot aan de voet van de bergen. Bij zonsondergang sla ik een weg op richting de rivier en daar ligt aan het einde een parel van een kampplek, een vlak veldje gras aan het water. Het is al wat ik maar kon wensen en het maakt de avond een vreugdevol afscheid van Vietnam. In het daglicht kan ik nog gaan zwemmen.

Later komen er twee felle lichten aangebromd. Mag ik hier niet zijn? Niks aan de hand. Twee aardige mannen gaan in het donker nog met een net de rivier in, maar ze vangen niks vanavond.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *