37. Olalala Lao

22-27 november | dag 200-205

ສະບາຍດີ! (sabaidi!)

De Fransen voegden 3 kleinere Lao’s samen tot één land en voegden er een stille meervouds-S aan toe, die in het Nederlands hoorbaar werd.

Lao dus. Het is er keischoon, keifijn en de inwoners zijn keilief. Vanuit Vietnam ging het eerst omhoog, de berg over, en dan langs de mythische Mekong tot in hoofdstad Vientiane.

22 november | Son Kim (Vietnam) – Tha Bak (Laos)

Dag 200 en nog steeds niet geleerd hoe je vlot opkraamt. Nadat ik al met vier verschillende passanten heb kennisgemaakt, verlaat ik het ideale kampeergazonnetje en begin ik al afscheid te nemen van Vietnam.

Tegen beter weten in neem ik een B-weg, door een verlaten resort en langs een woest kolkende rivier. Het betonbaantje loopt recht de jungle in en als het afbuigt naar een stenen pad richting rivier, ruik ik onraad. Hier kan verderop onmogelijk een brug liggen. Ik ga zelfs niet kijken, maak rechtsomkeert, het beton af en begin opnieuw aan de klim, over de brede, keurige hoofdweg. Die loopt steil omhoog door het oerwoud met uitzichten op berg en dal. Over de rivier loopt inderdaad geen brug, zo te zien slechts een riskant ogend dammetje.

Na twee uur klimmen verschijnt de grenspost. Een wachter doet teken van ‘blijf daar maar staan’ dus ik blijf staan. Hij herhaalt zijn gebaar, alsof hij een basketbal dribbelt. Juist, even vergeten dat Vietnamese handgebaren volslagen averechts en verwarrend zijn. Hij bedoelt ‘volg mij’.

Stempel vergeten, eerst nog een kantoor in, dan in het volgende nog een illegale grenstaks betalen (€1), maar dan laten ze me eindelijk binnen in land nummer 21 van de reis, Laos. Van het land weet ik voorlopig weinig. De wegen zijn er naar verluidt verschrikkelijk en mijn eerste, langs een fabelachtige rivier, is inderdaad niet om aan te zien, maar hij wordt wel heraangelegd met stinkend asfalt.

Meteen valt een verschil op in landschapsactiviteiten. Ontboste hellingen, daarbovenop windmolens en op de rivier wordt flink gebaggerd. De wind voert me aan hoge snelheid richting binnenland, langs geweldige uitzichten en door houten dorpen. De kinderen zwaaien, glimlachen en sommige roepen enthousiast – maar niet overdreven en schreeuwerig – hello. Ben jij een Vietnamees kindje en lees je deze blog? Neem eens een voorbeeld aan de Laotiaanse kindjes.

Bij veel van de paalwoningen of betonnen blokjeshuizen weerklinkt muziek en zitten Laotianen in groep te eten. Lak Sao ligt in de schaduw van een enorme, verticale karstberg. Men betaalt hier blijkbaar met kip en die kan ik er gelukkig al uit de muur trekken.

Vlak voor de zon achter de bergen verdwijnt, werpt ze nog haar licht op reuzenhoge rotswanden. Als aan de einder het laatste oranjerood wegdeemstert, is het nog 15 km. En als de zon eenmaal onder is in de tropen, is het licht kort daarna ook weg. De schemertijd is erg kort.

Bij de oversteek van een brede rivier heb ik mijn doel, Tha Bak, bereikt. Er zit een ‘resort’ waar ik mijn eigen paalhut krijg en waar ik de enige tafelgast ben. De menukaart biedt, volgens de vertaler, markante opties als grill the chicken, crush the beef and touch the sea urchin. De keuken beveel ik slechts fry the vegetables en cook the rice. Het resultaat smaakt naar Thailand en dat is een heerlijke vooruitgang ten opzichte van de Vietnamese kost.

23 november | Tha Bak – Pakkading

Mijn idyllische houten hut met rivierzicht blijkt een folterkamer op stelten. De airco kan niet uit en houdt standje Noordpool aan, en het is buiten niet eens warm. Gelukkig kan ik beneden in de zon ontbijten. Nog even de ketting strakker spannen en dan is mijn ros klaar om wat Laotiaanse bergen te gaan bedwingen.

Bij een van de vele winkeltjes langs de weg, waar snoepgoed aan touwtjes hangt, stop ik voor nodig water. Een schattig ventje mag er net zijn zondagse zoetigheid van de draad plukken. Een boog wenst me een goede trip toe, vlak voor de eerste steile bergop aanvat. So far, so good.

In Laos liggen maar weinig hoofdwegen en er is dan ook geen nood aan een ingewikkeld namensysteem. Vandaag volg ik de 8. Die doet zijn naam geen oneer aan en slingert als een achtbaan de bergen op en af tussen oerwoud en opvallend veel flanken die daarvan bestolen zijn. Elke zoveel kilometer wordt nieuw asfalt bijgewalst. Naast een vlotte afdaling verschijnt een adembenemende vlakte van gele weilanden, verspreide bomen en hier en daar een uitstekende rots.

Kleurrijke tempels, aan alle kanten bezet met nepgoud, tonen dat de esthetiek hier geënt is op Thailand. Ook de taal en het krullenschrift lijken op Thais.

Steil bergop verandert de baan in een brokkelig stofnest en door de langsdenderende vrachtwagens waan ik me even terug in de Pamir. Voor het eerst in tijden gutst het zweet weer uit alle poriën.

Aan een enorme boom ontspruiten wilde vijgen op lukrake plekken onderaan de dikke takken. Vlinderparen flirten en fladderen elkaar achterna. Boven flakkert er plots wat toerisme op bij een viewpoint and lodge maar gelukkig kan ik verderop het kalksteenbos ook kosteloos gadeslaan.

In de dorpen lopen kinderen naar de weg toe voor een hello terug. Hun geluk kan niet op. Vanuit de schaduw wenken mannen me met dat bizarre handgebaar van ze om er eentje mee te drinken van de ondubbelzinnige merknaam Beerlao. Beerlao is overal. Het kwik tikt de 30 aan en ik heb nog niet geluncht. Nu een blik bier en ik haal geheid de eindmeet niet.

In schaduwtenten wordt aan weerszijden van de baan een weinig veelzijdig gamma tentoongesteld. Er zijn kramen met bananen, met watermeloenen of met messen, machetes en sikkels. Uit de tegengestelde richting komt nog eens een fietser in zicht. De Zweedse Kajsa trapt in haar eentje Zuidoost-Azië rond en kan niet veel ouder zijn dan twintig.

Over vlak asfalt raas ik door de laatste 40 km tot in Pakkading, waar alle voeding blijkt geclusterd in de versmarkt. Meteen daarop haast ik me richting Mekong, want de zon is net onder. De oever staat vol met villa’s en voor ik het weet, sta ik al bij mensen in de tuin. Zo durf ik meteen vragen of ik niet mag opstellen aan hun stukje rivierkant. De vrouw lacht hardop, dus dat vat ik op als een ‘ja’.

Zwemmen in de vervuilde Mekong schijnt allesbehalve verstandig. De stroming kan veel sterker zijn dan het rustige wateroppervlak doet vermoeden. Dan moet ik maar kijken en wegdromen bij de hemel die boven Thailand kort warm oranje kleurt en dan even snel weer diepzwart.

24 november | Pakkading – Phabath

Alle spullen, buiten en binnen de tent, liggen bedekt met een laag stof door de rukwinden van afgelopen nacht. De Mekong stroomt nog steeds onverstoord langs, langzaam maar machtig.

In een restaurant met open deur wordt onder franke drum-‘n-bass op de tafels gesprongen. Het is half tien. Ook gisteren lagen er op willekeurige plekken langs de weg discotheken. De Laotianen lijken wel van een feestje te houden.

De 13 volgt de Mekong richting hoofdstad en loopt zo plat als wat. De rit is heet en eentonig en gaat door dorre velden, terwijl het regenseizoen nog maar net is afgelopen.

Uit de andere richting ontmoet ik fietsers, die me waarschuwen dat de route niet spannender wordt tot Vientiane. In een wegrestaurant kan ik maar niet kiezen tussen fish in the water, inherit the included bugs, tears and tears en piece of horse urine. Meerdere menuopties zijn behoorlijk verontrustend.

In de namiddag kan ik eeuwig 25 aanhouden op een brede fietsstrook en dat is fijn want op de lange baan naar Vientiane valt geen ruk te beleven. Af en toe een gouden Boeddha of een vrolijke koe. Stalletjes met stinkvis uit de smerige Mekong.

Verspreid langs de baan zitten op de meest onverwachte locaties winkeltjes, zo vaak dat ik het intussen wél verwacht. Na enkele maanden van afwezigheid duikt overal het verlokkelijke wit-en-rode spiraalhart weer op. Ola-lala ijsjes, ze komen goed van pas, bij dertig graden en zon.

Als het tijd is om te stoppen, ontwaar ik weer een overdekte versmarkt, verstopt en van de weg af, waar ik bij een kraam of vier al mijn inkopen voor de avond en ochtend kan doen.

Hoewel ik de Mekong vanavond links zou laten liggen, wegens onbezwembaar, sla ik bij gebrek aan opties toch of naar haar oever. Er ligt zomaar een platte grasstrook aan het water waarvoor ik enkel even mijn bagage een trap af hoef te tillen. Een groep kleine meisjes kijkt van bovenaf toe terwijl ik bij zonsondergang mijn tent opzet. Ze roepen Engelse zinnetjes die ze van filmpjes hebben geleerd, vermoed ik. Ik babbel maar wat Engels terug, voor de vorm. Als ik er wel genoeg van heb, probeer ik: ‘I was hoping I could be alone now, is that okay?’ In koor roepen ze ‘okay’ terug en ze rennen ervandoor. Wacht, die konden echt Engels, of wat?

25 november | Phabath – Vientiane

Voor zevenen brommen er al enkele prauwen langs de oever. Van Thaise kant waait er Indisch klinkende muziek over het water. Uit de veren dan maar, om te genieten van een zonnige ochtend op mijn privégazon aan de Mekong.

Overal wordt aan de versleten hokkelbaan gewerkt en ik ontdek dat het fijner is om door de werf ernaast te fietsen. Laotiaanse honden zijn stuk voor stuk lamme goedzakken. Als je voorbijfietst, geeuwen ze eens, likken ze hun muil af of glimlachen ze als een retriever. Thailand schijnt op hondenvlak een tweede Turkije, ik geniet er dus maar beter nog even van.

De hele dag gaat het over een saaie baan omringd door drommend verkeer. Op restaurant neem ik de vegetable bridge included, in de hoop dat die brug meeneembaar is voor als er weer ergens een niet bestaat. Het kost 46.000 kip en om af te geraken van wat plaatsinnemende briefjes van 2000, geef ik 106.000. Ze snappen er niks van, twijfelen of ik een gulle fooi geef. Dat is nu al de derde keer.

Op 10 km van het centrum verschijnt de eerste hoogbouw van Laos, zij het langs een minder modern wegdek. Kort daarna wordt het dan toch een eigentijdse grootstad met navenante verkeersdrukte. Het straatbeeld, met zijn lelijke warboel van kabels, steekt af tegen de gouden tempels die op elke hoek liggen, zo ook naast het hotel. Na 8 opeenvolgende fietsdagen, van Hanoi naar Vientiane, voel ik me vies en vuil, maar vree voldaan.

26-27 november | Vientiane

De Laotiaanse hoofdstad laat zich beter translitereren als Wieng Chang, maar de koloniale Fransozen hebben de boel nogal beïnvloed hier.

Opvallend veel toeristen hebben de weg gevonden naar Vientiane, maar niets verklaart waarom. Er zijn een hoop tempels, ja, maar je bezoekt toch ook geen Europese stad enkel voor wat kerken? Het kleine centrum voelt ook niet aan als een hoofdstad door de afwezigheid van hoogbouw en drukte.

De tijd die over is, dient om te redigeren alsof het een betaalde baan is, want achter dat ik loop!

3 reacties op “37. Olalala Lao”

  1.  Avatar
    Anoniem

    Die zonsondergangen zijn wel prrrachtig!!!

    Geliked door 1 persoon

  2. Kristel Avatar
    Kristel

    Schrijven Ruben, schrijven !!!
    Weeral mooi om te bekijken en leuk om te lezen !

    Geliked door 1 persoon

  3. Wim Avatar
    Wim

    Mooi verslag – elke keer weer fantastisch om te lezen

    Geliked door 1 persoon