Sawasdee!
Fietsen in Thailand bleek poepsimpel. De wegen zijn er prima. Er wordt niet getoeterd en veilig gereden. De talrijke winkels en restaurants zijn betaalbaar. De Thai blijven altijd kalm en eerbiedig. Er zijn een hele hoop honden, maar die blaffen enkel. Het is er warm, maar niet té.
Alles liep gesmeerd, alleen ikzelf kon me nog tegenhouden en eventuele gigantische, fantastische zoogdieren.
28 november | Vientiane – Ban Na Dan (Thailand)
Mijn nieuwe zonnecrème blijkt chemische whitening-brol. Zo witgegrimeerd als een Chinees modepopje verlaat ik Vientiane. Onderweg pik ik nog enkele tempels en andere pronkbouwsels mee waar de goudverf vanaf spat. Een goedlachse bananenmadame verrast me met een spontane 2+1-gratisactie.


Op de gladde baan richting grens wemelt het van de winkeltjes en dat is handig, want zo kan ik mijn laatste kippen kwijt. Wat ik niet opkrijg aan Ola-ijs en andere lekkere rommel, krijgt de winkeldame van me. De gps stuurt me fout richting de friendship bridge en zo duurt het nog even voor de paspoortcontrole opdoemt. ‘40.000 kip voor de exit-stempel’, zegt de corrupte ambtenares. Het is niet waar, hé! Ik protesteer en krijg mijn stempel gratis. Met die geldklopperij.
Als ik de brug op wil fietsen, houdt een agent me tegen. Mag niet. Busticket kopen en fiets in de koffer proppen. Opnieuw protesteer ik. Die brug is makkelijk te fietsen. Ze leiden me een bureau binnen, waar een overste benadrukt dat het echt niet kan. Goed dan, maar ik betaal niet! Net voor ik opstap, ontmoet ik een Nederlands koppel fietsers. Ze hebben nog niks gehoord van een verbod. Door het busraampje moet ik jaloers toekijken hoe ze ongehinderd de brug oprijden.
Thailand kent linksgaand verkeer en dat was ik helemaal vergeten. En mijn hoofd ontplofte daarnet al zowat. Mijn ervaring met links fietsen, van die keer in Brittannië, is dat het me belachelijk lang duurt om eraan te wennen. Net als toen zing ik Cornershop om mezelf er voortdurend aan te herinneren. Fiets on the left side / leave the right side free.
Even nog mag ik de Mekong af, met zicht op Laos, over een heerlijk baantje tussen tempels, plankwortels en luierhutten op de oever. In een ervan zet ik me neer voor binnengesmokkelde lunch met echt brood. Omdat ik nog geen baht heb gepakt, rij ik om naar de eerste automaat. Die vraagt ‘Wil je 250 baht betalen om 5000 af te halen of wil je iets anders doen?’ Ik wil iets anders doen. Dat is potdorie €6,70 aan kosten! Het geld komt er toch uit. Tot zover mijn keuzevrijheid.


Overal langs de oever waggelen gestreepte zebraduifjes, onbevreesd. Als ik de Mekong vaarwel zeg, stuurt de gps me 20 km rechtdoor, het binnenland in, over een uithoek van het droge Khoratplateau. Over de saaie baan is het heet trappen. Langs de weg groeien palmen en riet met glinsterende witte pluimen. Verder huizen er druppende rubberlaren, boeddhistische monumentjes en woeste waakhonden.



Vanop een erf schiet een roedel van vier blaffend in de achtervolging. Op dagen dat ik slechtgemutst ben, stijgt de assertiviteit tegenover die kwelduivels aanzienlijk. Ik knijp mijn remmen dicht en schreeuw ze ‘bol het af!’ in hun muil. Hun bazin kijkt verbaasd toe. Ze draaien zich om en vier staarten gaan weer van jacht- op kwispelstand. Weg is de interesse. Dat instinct moet gewoon de kop ingedrukt.
Om 16:30 uur moet ik eigenlijk kampeerinkopen doen, in de 7-Eleven nog wel, maar ik wil niet. Het was een kakdag dus ik zal binnen slapen en daarvoor ga ik nu nog twee uur doorduwen. Zo fiets ik nog bij een betoverende zonsondergang tussen suikerriet en rijst en eigenlijk is er niks heilzamer en goedmutsender dan dat.
Het “vakantiecomplex” blijkt iets eenvoudiger dan die google-vertaling doet uitschijnen. Voor het stukje van honderd meter tot aan hut 4 komt de uitbaatster aanrijden op een zijspan met twee kleuters in, die vervolgens in mijn slaapkamer rondstuiteren. De hut is voorzien met airco en een warme douche maar vreemd genoeg niet met een lavabo.
Het restaurant verderop is doods. Helemaal terug in het dorp vind ik geen warme maaltijd maar wel nog verse groenten. In mijn bizarre, rozegeverfde kamer kan ik wel koken, maar hoe doe ik nadien de afwas? Misschien was in de natuur slapen vanavond, al met al, minder avontuurlijk gebleken.


29 november | Ban Na Dan – Ban Si Ubon
‘s Ochtends is het verrassend fris. Mijn idee van de tropen klopt toch niet helemaal. Ik verlaat mijn vanbinnen en vanbuiten biggenroze bunkertje en rij de baan op, langs de verkeerde kant.
Het is niet te tellen hoeveel tempels in deze omgeving liggen, steeds vol van gulden ornamenten en kronkelende draken. Rondom slenteren vaak jonge bhikkhus, jongens al van een jaar of 12, in die oranje pijen van ze. In de voormiddag bedelen ze gewoonlijk om eten, maar mij spreken ze daarvoor niet aan.


Nu heb ik al in verschillende landen gedacht ‘hier wonen de meeste honden’ maar het koninkrijk Thailand spant wel echt de kroon. Twee per huishouden lijkt me een goeie schatting, en dan zijn er nog de zwervers. Enkele keren per uur is er een achtervolging, maar dan volstaat het telkens om af te remmen en ze aan te kijken, eventueel met een vuist in de lucht, alsof je iets kan gooien. Als je dan weer optrekt, schieten ze opnieuw in actie, maar al aan halve kracht. Weer de vuist omhoog en dan houden de lafaards zich voorgoed koest. Het is nooit eng, alleen wat vermoeiend.


In het verder vlakke landschap steekt plots een kalkstenen berg in de lucht. In de verte verschijnen er meer silhouetten. Zo kom ik vanzelf weer in de glooiingen, omringd door bananen, papaja’s, kokosnoten en vooral veel suikerriet. Eén berg steekt prominent uit in het landschap door zijn conische vorm met een platte top. Aan de voet daarvan wil ik slapen, maar daarvoor moet ik eerst nog 30 km over brede asfaltwegen tussen schermen van riet.



Bij avondrood arriveer ik op een camping, voor het eerst sinds Cappadocië. Het is er groot, modern en verzorgd maar er is niemand te bespeuren. In de hoop dat het wel mag, stel ik maar op op het grasveld, tussen de automatische lampen en de honden. Terwijl ik mijn potje rijst kook, koelt het af tot ontropische temperaturen. Als ik de afwas wil doen, blijkt het water plots afgesloten. Wat een eigenaardige plek.



30 november | Ban Si Ubon – Lom Sak
Om 7:30 uur verschijnt er dan een levende ziel op het terrein. Ze vragen 300 baht (€8,10), en dat voor een koude douche en wat eenzaamheid. Nachten van nare dromen maken mijn ochtenden zwaar. Na lang lanterfanten en zonder ontbijt begin ik er weer aan. Een verkeersbord waarschuwt voor overgaande olifanten. Laat het waar wezen!


De grote klim is daar meteen en overlevend op wat suikertroep kom ik boven uitgehongerd toe. Gelukkig zit dit land vol wegrestaurantjes en in het eerste willen ze zelfs een dubbele portie pad thai maken voor mijn brunch. Vlees zit er zoals gevraagd niet in, maar wel krab.
Buigzaam als een slurf beweegt de baan zich bergop, over pokkesteile hellinkjes tot wel 20%. Boven liggen bars waar kan worden genoten van koffie en vergezichten.


Als ik met 50 afdaal over het gladde asfalt, gebeurt er iets waar ik al twee dagen doodsbang voor ben. In blinde razernij schiet een hond vanaf de rechterkant de weg over, net bij een tegenligger. De chauffeur vliegt in de remmen en het beest kan op het nippertje nog zijn baan corrigeren. Het scheelde geen haar of het liep er voortaan bij als zoveel van die sukkelaars hier, pikkelend op drie poten.
Aan de lopende band volgen de powerklims elkaar op. De heuvels liggen er vredig bij, in de zinderende zon, hier en daar bewaard door een wakende Boeddha. De hele dag speur ik de berm, de vergezichten en hele valleien af, maar de grote, dikke olifant blijkt toch sterk in verstoppertje.
De rit trakteert me nog op een stuk door het bos en door minieme dorpjes en dan land ik op een vlakte die ik, puur op gevoel, op de kaart heb uitgekozen. Geprangd tussen twee bergketens is het er heerlijk plat fietsen met bergtaferelen aan elke kant.



Kamperen was het plan, maar in Lom Sak rij ik als een lome zak richting hotel. In het centrum kwetteren honderd miljoen vogels naast elkaar op alle bekabeling, zo oorverdovend dat het zelfs het verkeer overstemt. Het is een puike hotelkamer met alles erop en eraan en dat voor een redelijke prijs. In het restaurant verderop heb ik één optie, groenten met rijst. De beroemde Thaise curry’s, ze laten nog op zich wachten.


1 december | Lom Sak – Ban Wang Tha Di
December alweer. In de hotellobby staat de kerstboom al. Waarschijnlijk al een maand.
In de dorpen liggen stapels pomelo’s te koop. Na een afslag mag ik door de bomen waar ze vandaan komen. Binnen het eerste uur passeer ik al vier tempelcomplexen, het ene nog verluchter dan het andere. In de buurt daarvan staan vaak bomen die de verbeelding tarten, vergroeiingen van tientallen stammen, schijnbaar duizend jaar oud.


Naast de weg grazen enorme koebeesten met oren als van olifanten. Op de velden branden vuren tegen een achtergrond van wazig gebergte. Maar goed dat ik er niet permanent bij wegdroom want op mijn pechstrookje ontdek ik maar net op tijd een rood-zwart gestreepte slang die roerloos in de zon baadt.



Op een lange baan tussen de teakbomen is een pizzeriaatje de enige eetgelegenheid. Dan maar Siamese pizza, met zicht op een uitzonderlijk gewelfde berg.
Bij een erf komen zoals gewoonlijk de honden blaffend naar de baan gerend. Een heel gezin, tot de puppy’s toe, loopt in passende t-shirt. Dat beeld van een hond in mensenkleren zie je in Noord-Thailand gek genoeg overal. Misschien onderscheiden de Thai ze zo van de straathonden.


Terwijl het vlot op en neer loopt, over lage heuvels, steken bij de volgende top grote, grijze vlekken de baan over. Het is een stoet van wel acht dieren. Zo hard ik kan, trap ik de helling op in de hoop nog een glimp op te vangen. Boven toegekomen zijn de dieren spoorloos. Is het mijn fantasie? Waren het gewoon buffels?
Op een onverhard pad tussen droge akkers aarzelt een scooterrijdster zichtbaar verward om me in te halen. Zonder verkeer in de buurt ben ik vanzelf weer rechts gaan rijden. Verdorie toch, fiets on the left side!


Pas helemaal op het laatst volgt de enige noemenswaardige klim van de dag. Tussen de bomen lonkt een stuwmeer, gelegen tussen bergflanken vol oerwoud. Het parkje met uitzicht over het meer biedt tafels en een toilet met stromend water, maar er is niemand te bekennen. Dan zal het vast wel mogen om er te kamperen.


2 december | Ban Wang Tha Di – Ban Chao Thong
De opzichters van het parkje vinden mijn aanwezigheid geen enkel probleem en die lachende hond al zeker niet. Meteen gaat het weer tussen lianen en bananen. Bij een huis koeren de duiven afzonderlijk in gehesen kooien.


Op de velden groeien bonen tussen wilde bloemen. Vogels worden steeds vreemder met een lange gespleten staart en blauw verenpak of een oranje kont. Voor het eerst in Thailand gaat het echt de natuur in, over een landweg door de heuvels. Als ik vandaag geen olifant zie, bestaan ze niet.

Het pad verzandt in puur avontuur tot er geen doorkomen meer aan is. Na een waadpartij ontdek ik bewerkte velden en scooters. Oef, dan moet er een uitweg zijn. Die gaat via onverharde klims waarop het zweet uit alle poriën plenst. De uitzichten zijn dik. Het weer zo heet als snik.
De kaneelappel is een knappe, vreemde vrucht die al sinds Vietnam bij de fruitboer ligt. Nu zie ik pas voor het eerst hoe die groeit, gewoon aan de boom.


Een windhoos vol droge bladeren tolt de baan over. Van de maniok gaat het over in zonnebloemen. Het is even net of ik terug door Turkije fiets.
In de dorpen is de vruchtenpracht niet te overzien. Tamarinde en jackfruit, mango’s en drakenvruchten groeien er gewoon in de tuinen. Daar zit dan in een keer een hip tuinbarretje met campingstoelen en melige popmuziek en dan is doorrijden geen optie.



Omringd door wel acht blaffende honden stel ik eerst zeker dat het echt naar links is, want het gaat onverhard bergaf tussen de bananen aan 25%. Als ik dat weer omhoog moet doen, ben ik de sigaar. Elke paar minuten rij ik door een ander decor, overdekt met bamboe of geflankeerd door pluizig gras.




Na een kort asfaltintermezzo gaat het er weer keihard aan toe, onverantwoord onverhard, tot ik toekom bij enkele barakken aan de rand van het bos. Het zou nog 17 km rechtdoor gaan door wat er op de kaart uitziet als een groene zone. Een man roept naar me, zegt iets met ‘no way’, ‘elephant’, ‘go back’ en grote gebaren. Daar heb ik niet meteen oren naar want het betekent een enorme omweg. Hij haalt er nog iemand bij en het wordt duidelijk dat doorrijden niet zal lukken als het van hen afhangt. Het is wellicht ook verstandiger. Je zal maar platgestampt worden.
Zonder veel goesting stippel ik een plan-B uit voor de avond, richting bewoonde wereld. Het is nog 13 km noordwaarts over asfalt tot een voorzien dorp en onderweg moet ik bij zowat elk huis vertragen om de honden te vertellen wie de baas is.
Zo leg ik uiteindelijk hemelsbreed maar een lachwekkende afstand af, op toch 5 uur traptijd. In plaats van de vrije natuur wordt het een schoon motelletje met aanpalend restaurant. Vroeg naar bed, want morgen wil ik kilometers goedtrappen. En dan zullen er olifanten zijn, ik voel het.




Één reactie op “38. Lanterfanten en olifanten”
boeiend weeral en prachtige foto’s
LikeGeliked door 1 persoon