39. Bangkok dat is een apekot

3-10 december | dag 211-218

Sawadi Krap!

In de laatste ritten tot de wereldstad Bangkok ging het door bijzondere steden, bevolkt door mens en dier. Ook de natuur liet zich nog even van zijn beestigste kant zien.

Dat de Thaise hoofdstad zelf overdonderend zou blijken, stond vast. Zelfs 5 rustdagen volstonden niet om een volledige indruk te krijgen van dat bangelijke apenkot.

3 december | Ban Chao Thong – Tha Luang

Meteen gaat het recht omhoog door een staartje van het natuurpark waar olifantengevaar me gisteren tegenhield. Over de asfaltweg mogen fietsers er wel doorheen. In een boomkruin ritselt er wat. Een vogel? Een olifant? In de verte steken zoogdieren de baan over, vier poten en een staart, maar ze bewegen niet als honden. Apen! De meest fascinerende wezens in het dierenrijk, eindelijk. In de berm is een zak tomaten gesmeten en een hele troep doet zich daaraan beurtelings tegoed. Er wordt geknokt en gekresen. Eén familielid klautert over de elektriciteitskabels. Gebiologeerd sta ik naar de apen te gapen.

Nog geen kilometer verder ligt een platform met uitzicht over de vlakte waar ik vandaan kom. Nog wat later een boeddhistische tempel met een opzichtige poort en aan de overkant een markt met versproducten. De gedwongen omweg wordt een wenselijk geschenk.

Bij een bananenkraampje zeg ik ‘drie is genoeg’, maar ze geven er vijf, voor niets. Terwijl ik rechtstaand over glanzend asfalt een helling bedwing, spurt een lijnschilder achter me aan om me galant de berg op te duwen.

De 60 km van de namiddag moesten drie uur nemen, maar door een zeurend zitvlak en talloze hondenstops vlot het niet. Voorbij een klimmetje komt een uitzicht tevoorschijn op gekgeschapen scherpe heuvels. In het zwakke daglicht trap ik mezelf en mijn krent nog meer aan flarden over een weg die zweeft boven een zee van suikerriet.

Met nog een zweempje zicht arriveer ik na 125 km op een oogverblindende camping aan een aanlokkelijke, lichtblauwe rivier omgeven door bomen. Het is een paradijsje, mijn geluk kan niet op.

En dan komt een man op een scooter het steile grindpad afgedaald. ‘No camping!’. Hoezo niet?! Onderhandelen lukt niet, ik moet opkrassen. In het oranje schijnsel moet ik langs stilstaande wateren en onder constante vogelkreten op zoek naar een vervangparadijsje. Het is er een donkere jungle, de lucht verzadigd van de muggen. Een eind verderop ontdek ik nog een vlak grasveld, helder verlicht door de bijna-volwassen maan. Het enige wat ik nu mis, is die rivier. Kan erger. 

4 december | Tha Luang – Ban Phraek

Met de mieren deel ik een ontbijt terwijl het zweet al in mijn ogen lekt. Langs het water biedt de wind verkoeling. De zilverreiger overschouwt het oppervlak. Vanop op een paal gunt een smyrna-ijsvogel kort een blik op zijn helblauwe verenkleed om dan fluks op te fladderen. Een ongeïdentificeerde wit-zwarte vogel bidt boven het water en onderneemt dan een duikvlucht richting de vissen.

De baan loopt miraculeus het meer over, nog geen meter boven de waterspiegel. Op het pechstrookje schrik ik me rot van een waggelende varaan, maar het beest schrikt zich nog veel rotter van een fietser. Het dier schiet herhaaldelijk enkele meters vooruit van angst en dus steek ik de drukke baan over om het zijn ruimte te laten. Vreemd genoeg flipt het dier minder van de scooters die op een meter langsrazen.

Gevangen tussen twee eindeloze witte muren krasselt de Indische varaan wanhopig op de gladde betonblokken. Het is een prachtbeest met opvallende gele strepen in zijn staart. Maar dan steekt het de weg over. Tot in de helft gaat het goed maar dan moet ik met lede ogen aanzien hoe het dier in zijn strepenstaart gegrepen wordt door een bestelwagen. De gedachte overheerst dat mijn aanwezigheid een rol heeft gespeeld in zijn dood en met een ongemakkelijk schuldgevoel moet ik door.

Onder een stevige zijwind volgt 26 kilometer snelweg. Doordat het trapsgewijs lange stukken rechtdoor gaat, waait het het ene moment gunstig en het volgende lastig. Achter een plas verrijst een grillige rotsformatie. Naast wat suikerriet ligt een boomstronk waarin ik eerst een reuzenvaranenkop herkende. Of nee, wacht, dat ís een enorme hagedis!

De knotsgekke rotspartij komt steeds dichterbij. Lange tijd is er geen restaurant te vinden maar dan verschijnt daar ineens een gezellige tuinbar met kerstboom en zicht op de kalkstenen stomp. De slapende uitbaatster moet ik zich een aap doen schrikken om aan lunch te komen.

Enkele kleurrijke apenbeelden kondigen de stad Lop Buri al aan. Het offer om het centrum te zien is 10 km over een megadrukke toevalsweg tussen de zwart-witportretten van hare geliefde majesteit de koningin Sirikit, die in oktober overleed.

Als ik al aan de Pha Prang Sam Yot ben, een bekende Khmer-tempel met drie torens van oude stenen, vraag ik me af waar die apen nu toch blijven. Maar dan spot ik er een, in de verte op een dak, en daarnaast nog een, en op drie meter boven mijn hoofd hangt er een aan een lantaarnpaal, en gewoon in de laadbak van de auto waar ik naast sta en … De makaken zijn plots overal. Ze vechten, ze stelen, ze vreten en ze paren. Lop Buri dat is een apekot, parlez-vous.

Als ze tussen de auto’s door rennen, krijg ik flashbacks naar vanochtend, maar apen zijn nog net wat vinniger dan varanen. Bij een blitzbezoek aan wat andere oude bouwwerken zijn de acrobaten alweer verdwenen.

Voorbij Lop Buri volg ik wat op de kaart lijkt op een rustig baantje langs een brede rivier, maar het blijkt een drukke baan langs een vieze sloot. Op de weg ligt nog zo’n Indische varaan als vanochtend, met zijn gele buik naar de hemel.

Net nadat ik me voor het hoofd sla, omdat ik in de winkel geen verfrissend drankje heb gekocht, hoor ik achter me ‘hello, hello!’. Een scooterrijder reikt me een ijskoud flesje aan. Als ik op een veilige plek stop om hem te bedanken, is hij al bezig terug te draaien. Het zijn nog elektrolyten ook en de mijne zijn sinds gisteren op. Wat een held!

‘s Avonds sla ik de rijstvelden in, maar het is moeilijk om een kampeerplek te ontdekken in het verdronken land. Van een stuk grond bij het water twijfel ik of dat wel droog blijft als het morgenvroeg al begint te regenen. Zo blijf ik maar zoeken, tot een man naar me roept. ‘Zo kom je eruit’, wijst hij. ‘Nee’, gebaar ik, ‘ik zoek een slaapplek’. ‘De muggen gaan je te grazen nemen hier, hoor.’ Dat vreesde ik al.

Even later passeert de man me op zijn omgekeerde driewieler. Hij wijst een dak in de verte aan en rijdt door. Ik meen het pad ernaartoe te herkennen en sla af, waarop ik me vastrij in de rijstdoolhof. Mijn helper roept en claxonneert vanuit de verte. Hij was nog niet weg, hij reed voorop. De man lacht me – terecht – uit om mijn inschattingsfout en ik lach hartelijk mee.

Het blijkt een afdak met een boeddhabeeld, waaronder mijn tent zonder buitenzeil recht kan. Even later, in het donker, verschijnt mijn gids opnieuw, en hij heeft iets voor me meegebracht. Op twee rondslingerende flesjes balanceert hij wierookspiralen die me met hun geur moeten redden van de bloedzuigers vanavond. Het wemelt hier niet alleen van de muggen, ook van de helden.

5 december | Ban Phraek – Bangkok

Ontwaken tussen de schuins beschenen rijstvelden heeft iets feërieks. Het duurt niet lang of er gonzen knallen over de vlakte en Thaise beatmuziek. Tegen de tijd dat ik mijn shelter en de plassen met steltlopers verlaat, zit de hemel potdicht, en net dan begint het te regenen.

Zoals vaker wordt bij het eerste winkeltje een vreemdgekleurde vloeistof verkocht in oude sterkedrankflessen. Nu pas kom ik erachter dat dat benzine is voor scooters en geen zelfgestookte zuip.

De baan lijkt net een opblaasgeval dat op het water drijft, onderhevig aan wind en deining. Verrassend vlot gaat het over een grindpad met zicht op waterlelies en een rivier waarboven unieke visnetten hangen aan constructies gebricoleerd uit bamboe.

In de velden foerageren met die voorzichtige dievenpas van ze de zilverwitte reiger en de gaper, een grijs uitgeslagen soort ooievaar. De grauwe scharminkels doen denken aan die beelden die altijd volgen na een olieramp op zee. Dan steelt een opstijgende purperreiger veel meer de show.

Hoe dichter bij Bangkok, hoe bombastischer de Boeddha’s, verguld en zelfs in kleermaker nog 20 meter hoog.

In een dorpje liggen de vissen klaar op roosters, en masse, vol vliegen en binnenstebuiten, om gerookt te worden tot ze bruin glanzen. In de kweekvijvers verderop zitten gevleugelde dieven, op, gevangen onder of verstrikt in de netten die hen tegen moeten houden.

Een stortbui verrast me, maar gelukkig is er in Thailand vrijwel altijd een tempel om de hoek om even bij te schuilen. 200 meter verder school blijkbaar ook de Amerikaanse Kevin, die op zijn gemak naar de noordelijke stad Chiang Mai fietst. Er stopt een vrachtwagen waaruit een man stapt die ons beiden, zonder woorden, een groot blad geeft om op te kauwen, om dan uit te beelden dat het iets met je hoofd en je lijf doet. Als ze om de hoek zijn, spuw ik de groene drab al uit. Niet binnen te houden.

Nog voor Ayutthaya liggen er langs de weg al opmerkelijke bouwwerken in baksteen. Voor ik het doorheb, fiets ik al op het eiland, waar parken en ruïnes liggen in overvloed. En dan, in dat Thaise Pompeii, verschijnen ze daar ineens, gewoon om de hoek, alsof ze niet reusachtig groot zijn. Ik zag ze totaal niet aankomen.

Op zadels voor twee, met nog een potsierlijk parasolletje erbovenop, kunnen toeristen via een ladder een olifant bestijgen voor een wandeltocht van misschien een kilometer, nog niet. Een fotograaf schreeuwt door zijn microfoontje naar de vertrekkende duo’s, ‘hello, foto!’. Over en naast het fietspad dat ik hoorde volgen, kuieren de gezadelde kolossen tussen de historische overblijfselen. Het is een absurd gezicht. Hoe krijgt de kleine mens die machtige beesten zover, terwijl zij ons met één welgemikte trap kunnen verpletteren? Ik wil het niet weten.

Door de enorme omvang van het hele ruïnepark is het in Ayatthuya niet over de koppen lopen. Het maakt een bezoek wel de moeite waard. Al moet u het beeld van mishandeling van ontzagwekkende, intelligente dieren er dan wel bij nemen.

Het eiland verlaten moet blijkbaar per veerboot en die ligt net klaar. In één keer sta ik mezelf en de fiets recht te houden op de schommelende pont om aan te komen bij nog maar weer een tempel.

Na een supermarktlunch moet ik opnieuw de pont op, en die ligt niet klaar. Het is wachten tot een flottielje van vier loodsen en een vrachtvlot van wel honderd meter lang voorbijgedreven zijn.

Vanaf daar gaat het rechtdoor Bangkokwaarts, langs kanalen waar bomen bloemen dragen als hele tuilen narcissen. Op een parallelweg stikt het van het blaffende uitschot met jachtinstinct.

Wat ben ik blij dat het niet mijn eerste dag in Thailand is. Als ik dan dat linksrijdende termietennest door moest, zou mijn hoofd ontploffen. Rechts over mijn schouder kijken voelt onwennig. Ik zou bijna zweren dat ik minder ver kom doordat mijn nek na al die maanden zozeer de andere draairichting gewend is.

Door de benauwdheid en vochtigheidsgraad kan ik amper foto’s trekken tijdens de intocht, ook niet vanop de brug over de Menam, waarop een centrale tribune afgeladen vol zit met uitzichtbewonderaars. Ooit had ik met mezelf afgesproken dat als ik Bangkok zou halen, ik daar dan 4 dagen zou blijven. Dat gaat nu dus gebeuren ook. Het appartement is al wat ik maar kon wensen en vanop het balkon is er zicht op de stad die oplicht onder de volle maan. Tussen de wolkenkrabbers klapt het vuurwerk uiteen, mogelijk niet in de eerste plaats voor mijn blijde intrede, wel ter ere van wijlen koning Bumibhol. Merci Bumi!

6-10 december | Bangkok

Bangkok blijkt pokkekosmopolitisch. Er lopen zowat evenveel internationals als Thai rond. Het is schrikken als de eerste varaan ergens naast me in de straten opduikt, maar zelfs in het Central Park dobberen ze ongestoord door de vijvers. De hoogbouw is fotogeniek en gevarieerd. Het groen van de jungle is de stad binnengeslopen.

’s Avonds is de mensenmassa op de bruggen over de Menam ondoordringbaar. Heel Bangkok verzamelt zich daar om vuurwerk te aanschouwen, dagen aan een stuk.

Op de zondag zijn de winkels dicht, dus loop ik voorbij wat tempels en door de Khaosan-straat, een cirque asiatique, een rariteitenkabinet dat met al zijn ronselaars net op het randje van overprikkelend balanceert.

Elke dag trek ik er pas ‘s namiddags op uit, om mijn benen nodige rust te gunnen, anders hou ik me niet in. Telkens ontdek ik een andere wijk, maar als ik op derde avond terugwandel, schiet er toch een pijnlijke kramp in mijn been. De volgende dag is het ‘s middags al prijs. Mijn lichaam eist dat ik nóg minder wandel, maar Bangkok is net zo aanlokkelijk om te verkennen met al die verschillende wijken.

Als ik per ongeluk de dierenmarkt van Chatuchak ontdek, ben ik eerst nog onder de indruk van alle reptielen, vogels en kleine knaagdieren. Zodra om de volgende hoek de zoogdieren verschijnen, wordt de ervaring met de winkel mistroostiger. Apen, vosachtigen, vliegende eekhoorns, stokstaarten, wasberen, capibara’s, wombats en stinkdieren, alle dieren kleiner dan een hond zijn er te koop. Die fascinerende aapjes hier nu in kooien op en neer zien springen, stemt triest. Dan is de plantenmarkt ernaast, met haar hangende orchideeën, hertshoornvarens en andere freaks uit de jungle, een stuk fleuriger.

De wijk Sukhumvit is nog een apekot op zich, met voor elk feestbeest wat wils. De ladyboys en de gezelschapsdames kunnen me net niet verlokken tot een clubbezoek. In hun pogingen om je binnen te sleuren deinzen ze er niet voor terug om je, als man alleen, bij de arm of het nekvel te grijpen.

Doordat de spierkrampen maar niet ophouden, boek ik nog een dag Bangkok bij, waarop ik amper buitenkom. Aan de start van mijn bezoek aan Bangkok was ik apetrots en waande ik me een kind in een snoepwinkel, op de laatste dag voel ik me een wat zielige kluizenaar en nooit heb ik zo hard getwijfeld of ik nog wel door wil met de reis. Op zulke momenten is het een kwestie van doorbijten. Het komt vanzelf wel weer goed.