41. Door de pupanhee naar Phuket

17-21 december | dag 225-229

สวัสดี ครับ!

Vanaf de paradijselijke Thaise golf ging het dwars door het schiereiland naar de westkust en van daar weer zuidwaarts richting Phuket. Een voedzame maaltijd vinden bleek soms lastig, maar aan zalige slaapplekken was er geen gebrek. Onderweg passeerden allerlei palmsoorten de revue, maar er kan er slechts een de bijzonderste zijn.

17 december | Saphli – Lang Suan

Afscheid van mijn heerlijke hut aan zee. Klaar voor een laatste trapdag langs de Golf van Thailand. De wind staat weer gunstig en over keurige wegen en langs kanalen gaat het met gemak aan 25 per uur.

Op zoek naar butaan loop ik in Chumphon verloren in een winkelcentrum om vervolgens bizar genoeg enkel buiten te wandelen met een lange suisse. Ook fijn. In een tuincentrum vang ik opnieuw bot, maar de medewerkster schenkt me zomaar fris fruitsap en water.

Terwijl het de ganse dag over rustige banen, door dorpjes en tussen oliepalmen gaat, tref ik enkel gesloten restaurants aan of verstokte vleesmarchanten. Na een omweg door een afgesloten hangbrug, moet ik om een bocht hard in de remmen voor een stilliggende varaan. 5 tellen houdt het reptiel zich stokstijf, om dan pijlsnel het struikgewas in te schieten.

Als ze me uiteindelijk toch ergens voedsel willen voorschotelen, is het voor de elfendertigste keer mixed vegetables & rice. Wat groensels gebakken in olie, zonder meer. Verre van vreselijk, maar waar verstoppen zich de wereldvermaarde Thaise topschotels? De panaengs, de kiew waans, de pads krapauw en de massamannen, enfin, alle smaken die ik ken en bemin dankzij gastronomisch restaurant Thai Duffel?

Er klinken vandaag heel wat meer hello’s dan anders. Dan passeren hier vast minder toeristen. Waarom zouden ze ook? De oliepalmen nemen overal het zicht in. Holy palmolie! Het wordt stilaan tijd om het schiereiland door te steken.

In een voortuin zit een aap op een stok met een lang touw om zijn nek. Rondom keffen loslopende honden. Waarom zouden de Thai toch apen houden?

De strandcamping kan net niet tippen aan de hemelrijkjes uit het vorige hoofdstuk, maar de hydraterende kokosnoot bij aankomst maakt dat al ruimschoots goed. Mijn enige menu-optie is, jawel, groenten met rijst, maar daar leg ik me niet bij neer! ‘Als jullie nu de mixed vegetables nemen maar die bereiden alsof het die sauzige scampi’s zijn, zou dat lukken?’ Even twijfelt de ober, maar dan gaan ze in de keuken aan de slag. Dat ik daar nu pas op kom.

Als ik na alle digitale taken moe mijn scherm uitknip, neem ik nog een moment om te staren naar het donkere uitspansel tot de hele sterrenhemel verschijnt. Van daar daalt mijn blik af naar de heldere schuimkoppen. De witte strepen schuiven dichter over de zwarte leegte en verdwijnen daarin telkens weer vanzelf. Eén golf schijnt haast lichtblauw. Trip ik nu? Dan volgt er nog een blauwe, alsof er een gloeiende kwal onder zwemt. Ik spring recht, spurt richting branding en geloof mijn ogen niet. Zeevonk! Een onaangekondigd, ontroerend wonder der natuur.

18 december | Lang Suan – Kapoe

De ochtendstond brengt een doffe bons. Op de camping houden drie mannen elk een of twee lange, rode koorden vast die naar de kruin van een kokospalm lopen. Af en toe stort een van de groene ballen ter aarde. Belachelijk laat besef ik pas dat die touwen vasthangen aan de halsband van een aap. Die zijn getraind om de vruchten los te wrikken door de steel op te draaien tot die krakt. De beestjes zijn zelf niet groter dan de noten.

Tegen de tijd dat ik de camping en daarmee de golf van Thailand verlaat, liggen er stapels kokosnoten verspreid over het terrein. Die dieren kan je dus inhuren om je bomen te laten leegplukken. Het verklaart ook de apen in die zijspan (zie 40) en op die stok.

Om het nauwe schiereiland door te steken gaat het over een soort snelweg waarlangs boeddhistische kapelletjes staan met daarvoor geofferde flesjes rode frisdrank. Het loopt eindelijk nog eens ouderwets omhoog en omlaag. De uitzichten zijn schaars, maar als er even geen plantage voor zit, geven de boomkruinen van het oerwoud al hun kleuren prijs.

Als het tegen de avond pas weer plat loopt langs de westkust, is er zicht op het helgroene geheuvelte waar ik uit kom. Op de baan vol wegenwerken verschijnen steeds meer kleurrijke moskeeën. Hoe zuidelijker in Thailand, hoe aanweziger de muzelman.

Bij zonsondergang arriveer ik op een moderne camping bovenaan een gruwelijk steile helling. Het restaurant is toe, maar aan de overkant van het grasveld zit er wel nog iets anders. Het blijkt de eerste openingsavond, voor familie en vrienden, maar ik mag neerzitten voor een groene curry – hoera! – en nog wel met het hart van pupanhee, of perzikpalm. Die nieuwe vrucht uit Brazilië zouden zij hier als enige domein in de omgeving telen. Een van de dames heeft vijftien jaar in Den Haag gewoond en kan niet stoppen met vertellen over haar bijzondere levenswandel en de veelzijdige, geneeskrachtige pupanhee, waarvan zelfs de drank in mijn aangeboden ananascocktail is gestookt.

19 december | Kapoe – Si Phang Nga National Park

Het ontbijt deel ik met 60 miljoen mieren en een schilderachtig uitzicht van pupanhee voor een effen, groene achtergrond. Palmolie op doek.

Op de eerste bergtop prijkt weer een heiligdom met dierenbeelden. Naast de olifant speelt de haan een prominente rol in de Thaise beeldtaal. In de afdaling rijdt een tegenligger midden op de baan terwijl op de pechstrook een nare slang kronkelt. Met gespannen schouders stuur ik me heelhuids tussen de dood en de duivel door.

Als de route voor enkele kilometers van de hoofdweg afwijkt, gaat het tussen doodse, kale rubberplantages en de eeuwige oliepalm. Langs de baan reiken ook rankere palmenstammen naar de hemel, met een kleine kruin en, iets lager op de bamboestokachtige stam, een tros groene tot oranje ballenvruchten. Dat zal toch geen pupanhee zijn, zeker?

In de kleinste dorpjes dragen alle vrouwen een hoofddoek en de mannen sneeuwwitte gewaden en bijpassende hoofddeksels. Bonte vogels zingen hun lied vanuit hangende kooien. Bij een bananenkraam probeer ik weer eens voor een kwart tros te onderhandelen maar de demente verkoopster kijkt dwars door me heen. Langs de weg wordt de gele superfood wel gefrituurd, dus neem ik dat maar voor een snelle hap, bij terugkerend gebrek aan restauratie.

Voor de tweede keer op een dag wend ik me om te overleven tot de winkel der winkels, en ik win nog wel de 7-Elevenloterij, want er is voor de verandering wat groente verkrijgbaar. Vanaf daar zoek ik het Si Phang Nga Nationaal Park op, in de hoop nog wat natuur bloot te leggen.

Aangekomen tref ik een gesloten slagboom en een bonkige parkwachter, dus vrees ik een weigering. ‘Camping?’, vraagt hij. De vriendelijke man toont me de uitgebreide faciliteiten waar ik vanavond als enige gast gebruik van maak. Uit de bomenkruinen krijst een oorverdovend en elektronisch klinkend geluid, maar het kunnen net zo goed krekels zijn.

20 december | Si Phang Nga National Park – Ban Nai Rai

Dan toch niet gratis! 100 baht voor het nationale park, dat ik evenwel niet bezoek, maar bon. Meteen stuift op links een bange troep apen het woud in. Apen gezien, mijn dag is al goed.

Ik trap hard, want ik heb me verslapen en de rit is nog lang, maar dan loopt mijn achterband leeg. Terwijl ik in de schaduw van een kokospalm het euvel oplos, twijfel ik over de haalbaarheid van de route.

Voor het eerst in tijden gaat het een helling op de naam col waardig en dan is het al laat in de namiddag. De jungle schreeuwt weer zijn hoge lied. Af en toe word ik op een plaatje getrakteerd maar het gros van de tijd gaat het door een eentonigheid van rubber, palm en pupanhee.

In het donker aankomen wordt onvermijdelijk. Opnieuw stel ik me al in op een slap souper uit de 7-Eleven, maar dan verschijnt het mooiste groentekraam van heel Thailand met de liefste vrouw erin. In de dorpen branden overal vuurtjes, mogelijk van afval, waardoor de avondlucht vol met rook komt te hangen.

Op het laatst moet ik nog een stuk snelweg af maar dan arriveer ik op een fabelachtige strandparking. De tent kan er onder de fascinerende schroefpalmen, die enorme vruchten dragen. Ikzelf kan er nog veilig en heerlijk de zee in, onder de sterrenhemel.

21 december | Ban Nai Rai – Phuket

Het strand is een ideale ontspanningsplek op deze zonnige zondag en dat weten de locals ook. Van ‘s ochtends vroeg al word ik omringd door strandgangers, maar de immer eerbiedige Thai staren niet en laten me op mijn gemak, zelfs de jongeren.

Om het beroemde eiland Phuket te bereiken is er geen boottocht nodig. Er ligt gewoon een brug naartoe. De hoofdwegen richting Phuket-stad zijn druk en in een poging die te ontwijken kom ik op zanderige paden terecht.

De eigenaar van een shop die butaangas verkoopt, heeft aangeboden om op de zondagnamiddag speciaal voor mij te openen, maar ten laatste om 15 uur. Daarom stamp ik de benen van mijn lijf en terwijl ik aan het strijden ben op de chaotische ringwegen rond de toeristische trekpleister, stuurt mijn helper ‘Waarom spreken we niet ergens anders af?’ en deelt die zijn locatie. Ik zucht al van hoe ingewikkeld het dreigt te worden, maar dan blijkt dat we ons toevallig op zo’n honderd meter van elkaar bevinden. Mijn magische gasengel, een jonge vrouw en vrij vlot ter Engelse taal, bezorgt me voor een schappelijke prijs twee verder onvindbare busjes butaan, nota bene op de parking van de Decathlon. Ik kan weer verder.

Zo komt er tijd vrij voor een kriskras-blitzbezoek aan Phuket, waar opvallend veel Russisch te horen valt en waar ik Ventsi door de waardeloze souvenirstraat sleep op zoek naar ansichten. Postkaartjes blijken in Thailand al bijna zo zeldzaam als butaangasflessen met schroefdraadaansluiting.

In de buitenwijken ontvouwt zich al een interessantere stad met gezellige straatjes. De camping bezuiden Phuket ligt bovenop een heuvel en de gps wil dat ik een mirakel verricht door loodrecht op te stijgen. Het klimmetje lijkt onfietsbaar, dus ik rij helemaal rond, om dan alsnog een geschift steile, maar wel bredere helling aan te treffen. Met een segment van wel 24% is het het allerschuinste stukje van de reis tot dusver en ik moet er meermaals bij pauzeren. Mijn hart pompt wel duizend keer per minuut. Boven ligt om de hoek gelukkig meteen de camping, met een fantastisch uitzicht over de baai.