สวัสดีครับ! Sawasdee krap!
Na een kalme doch schokkende boottocht mocht ik vanaf het eiland Lanta gelijk weer het vasteland opzoeken, een avontuurtje op zich. Voor het eerst maakte ik een kerstperiode door ver verwijderd van familie, toevallig tijdens een mentaal zwaarder reisdeel. Na een vette maand in Thailand kwam alweer een landsgrens in zicht, maar niet zonder eerst nog enkele verrassingen.
22 december | Phuket – Phi Phi – Ko Lanta
Alweer ontbijt bij een machtig uitzicht. Een mens zou er nog aan wennen in Thailand. De aartssteile helling afschuiven kost me mogelijk een centimeter remrubber aan elke kant. Als mijn hydraulische remsysteem het nu begeeft, bepaalt het zuivere lot of ik die dwarse drukke baan aan het eind levend overbol.


11 kilometer is het tot de chaotische terminal, van waar een fietsvriendelijke ferry op Ko Lanta vaart. Inderhaast koop ik mondvoorraad noch drank vooraf, een klassieke misstap. Op het dek bouw ik mijn eigen stoel op in de schaarse schaduw en zo leer ik Connor en Elly kennen, een sympathiek en nieuwsgierig stel uit Belfast.
Er is een tussenstop op de “paradijselijke eilandengroep” Phi Phi, waarvoor blijkbaar alle andere passagiers hier zijn. Norse toeristen struikelen er op de dokken over elkaars trolleykoffers heen. Dichtgetatoeëerde spierbundels in onderlijfjes, botoxpoppen in bikinitop, hun bovenlijven rood als biefstuk, maar ook rugzakzwervers en kroostrijke gezinnen aangespoeld uit alle windrichtingen.


Ze jagen me de boot af voor een overstap. In de dichtstbijzijnde superette kosten alle artikelen tweemaal de prijs van het vasteland. Amerikaanse ketens trachten vakantiegangers te lokken met manshoge logo’s en je zou er nog binnenstappen zodra je de driedubbel absurde bedragen op andere menukaarten leest.
Turend naar die drommende mensenmassa vraag je je af waarom hier vandaag nog altijd toeristen op afkomen. Wat trekt hier nog aan? Vanop zee kijk je uit op een adembenemende kust, ja, maar waarom nog aan land gaan? De parelwitte stranden zouden intussen verborgen liggen onder een tapijt van plasticafval. De zeespiegel bezoedeld met zonnecrème en motorolie. Op de snorkelplekken is alle koraal morsdood. Phi Phi is een door mensenhand verwoest paradijseiland, een droefniswekkend hellegat in de Andamanse zee. Vaar er niet heen.
Op de tweede boot wordt iedereen recht het koude ruim in gejaagd, ik verkies de privé van het lege achterdek. Zelf meubilair meezeulen, het heeft zijn voordelen.

Ondertussen zag ik het al aankomen, maar ook mijn eiland van bestemming, Lanta, blijkt niet gespaard van enig overtoerisme. De hoofdstraat langs de kust puilt uit van de eettenten met friet en burgers, de boottouroperators, coffeeshops, muay thai gyms en scooterverhuurshops en er komt maar geen einde aan. Terwijl ik nog de volledige, westelijke kustlijn aftrap, op zoek naar rustigere oorden, zakt de zon in het knaloranje weg achter een afgelegen eiland en dat tracht een haag van fotografen terecht vast te leggen.


Op het laatst volgt nog een reeks moordende klimmetjes tussen de apen en dan bereik ik de enige camping aan de westkant van Lanta, in feite een strandrestaurant met een afgezonderd toilet. De lieve uitbaatster roerbakt me na sluitingstijd nog een smaakvolle portie pad thai, maar het plan om hier rustdag te nemen gaat op de schop. Wegkomen van Ko Lanta is nu het doel.


23-24 december | Ko Lanta – Hat Chao Mai National Park
Aan de oostkant van Ko Lanta vind ik een ticket naar Ko Mook, een kleiner eiland nabij het vasteland. De boot vertrekt pas de volgende ochtend en zo breng ik nog een nacht door aan de rotsachtige, onbezwembare, fotogenieke oostkust.

De boottocht naar Mook levert uitzichten op fantasie-eilanden uitgerust met loodrechte rotswanden. Op de kop van de lange pier, waarrond vandaag helaas geen zeekoeien dobberen, bemachtig ik snel een nieuw ticket – of liever, een stickertje – naar het vasteland. Terwijl ik op het drijvende paradijsje van zakdoekformaat een uur tijd mag doden, ontmoet ik per toeval een ouder koppel Hongaren om even, met moeite maar aangenaam verrast, het aloude praatje van waarvandaan en waarnaartoe te slaan in een taal die in mij stilaan verwatert. Talig kerstfeest!



De fiets mag aan boord van een longtail en zo rollen mijn banden al om 13.30 uur weer over vaste grond. 10 kilometer ten noorden ligt alweer een nationaal park te wachten en een welgekomen dosis rust en kust. De kampeergronden blijken echter volledig belegerd door een kerstkamp voor wel honderden jonge scouts. ’s Avonds weerklinken de basdreunen van live-muziek ver voorbij mijn afgelegen stek onder de bomen, die wellicht voor de gelegenheid deels verkleurd zijn van groen naar kerstig rood. Kerstavond breng ik door in het gezelschap van een fotoshooteisende zeezwerfhond, een batterij bloeddorstige muskieten en schattige, alom in het donker ritselende heremietkreeften die rond hun zachte achterlijfjes langwerpige spiraalschelpen dragen.





25 december | Hat Chao Mai National Park – Thung Wa
Om 5.30 uur marcheert er al een luidruchtig legioen kinderscouts langs. Vanaf 8 uur wordt er in groep geravot rond mijn kamp. Ook de volwassen leiding loopt op een meter bij mijn tent langs, alsof ze er niet staat. Dan toch niet zo’n eenzame kerst.
Al snel bots ik op een veerdienst waar geen pont klaarligt. Ik mag kilometers rond en welke richting ik ook uitfiets, altijd lijkt er tegenwind te staan.


Voor de lunch bestel ik kalkoen en kroketten maar ze schuiven me toch weer gewoon vegetable fried rice voor de neus. Twee borden, want jezelf volstompen hoort nu eenmaal bij kerst en een Thaise standaardportie omvat niet veel meer dan een amuse-gueule voor een fietsende Vlaming in schransstemming.
Terwijl het door doods ogende rubberplantages loopt, keert de droge wind af en toe in de rug, een welkom mirakel. Zuid-Thailand toont opnieuw niks dan landbouw, zo jammer. Je vraagt je af of er buiten de afgelijnde nationale natuurparken nog lappen land liggen die niet zijn teloorgegaan aan plantagebouw. De inwoners groeten hier wel vaker met een enthousiaste hello, iets wat in het noorden van het land haast niet voorviel.



Pas aan het einde van de rit kruipt er wat oerwoud over de heuvels. Iets voor een kloofje staat een wel erg uniek verkeersbord, waarschuwend voor stenenwerpende vierarmige wezens. Een piepjong makaakje heeft de oversteek, over de weg of middels de takken erboven, niet gehaald.


En de dierenhorror houdt niet op. In de verte zie ik, halverwege het onheil, hoe een zwart-bruine, jonge hond uit het linkerwiel van een zijspan wordt geslingerd. Eerst rij ik verstijfd aan het spartelende beest voorbij. En dan rem ik. Onderweg heeft deze precieze ramptoestand zich al afgespeeld in de meest pessimistische uithoeken van mijn verbeelding. Verlos je dat arme dier uit zijn lijden? En hoe dan? Een volledig antwoord heb ik nooit geformuleerd.
Als ik me omdraai, trekt het beest in doodsstrijd nog een laatste stuip om dan voor eeuwig de geest te laten. Oef. Vanuit de berm kijkt een oudere zwerfhond stokstijf toe. Wat gaat er in die kop om? Wat gaat er in mijn kop om?
Bij Thung Wa ligt een viewpoint, eigenlijk een visserskaai met een geschikt grasveld ernaast. Eerst schuiven de muggen gretig aan voor hun kerstmaal en daarna de mieren. Mijn feestelijke verlichting komt in de vorm van een uitlaaiende citronellakaars die al sinds dag 1 meereist. Aan de hemel flikkeren bliksemschichten en er is mogelijk hevige regen op komst. De kopzorgen nemen het over van de kerststemming en bellen naar België, voor een flard van het familiefeest, lukt me niet meer.

Het werd een eenzame, lullige kerst, maar dat geeft niet. Dat dat kon gebeuren, wist ik op voorhand. En volgend jaar verjaart de Verlosser vast ook wel weer.
26 december | Thung Wa – Wang Prachan
Daar zijn de mieren weer, met nog meer. Het is een kwelling. Elke halve seconde word ik in een ander lichaamsdeel gebeten. Bij elk voorwerp dat ik aanraak, krioelen ze meteen in tientallen over mijn handen. Een tijdlang vind ik de moed niet om aan de opruim te beginnen.

De voorspelde regen blijft nog uit maar de hemel trekt samen tot een onheilspellende grijste. Een lange bange slang sliert gehaast over de baan.
Bij een grasveld onderaan een brug liggen enkel wat restanten van wat tot voor kort een aangeprezen camping was. Het zijn de eerste zichtbare sporen van de zware overstromingen die onlangs de regio troffen. En ik maar jeremiëren over een mierenplaagje. Voor de mensen hier passeerde zo-even de zondvloed. Niet veel verder zijn alle rubberbomen onderaan voor anderhalve meter verkleurd door achtergebleven aarde. Op lagergelegen gronden staan palmen waarvan zelfs de kruinen bruin zien. Ik stel me het waterpeil voor. De waanzin.


Doorheen de rit valt af en toe een blinde stortbui, maar gelukkig is Siam een voorbereid land rijk aan afdaken. Na een stop bij de laatste 7-Eleven van Thailand – snif – schurkt de baan aan tegen een rotswand vol natuurpracht. De hemelkraan draait weer open, maar heb ik niet 500 meter terug een schuilhut gezien? Als ik toekom, is het alweer droog.
Op de lange, drukke baan richting landrand droom ik van een zacht bed en een warm bad. De bergflanken raken steeds wilder begroeid. Hoog boven mijn hoofd springen apen door de takken. Het allerlaatste hotelletje van Thailand blijkt niet alleen open, het is er op de koop toe netjes, voorzien en betaalbaar. Ideaal voor een langverwachte volwaardige rustdag. ‘You go to Malaysia?’, vraagt de dochter van de uitbaters. ‘The border is closed.’


27 december | Wang Prachan
In de schaduw van de torenhoge stenen wanden bij Wang Prachan ligt een gastenverblijf dat ik elke fietser toewens die al 7,5 maand van huis is en moe is. Doordat er zo weinig te doen valt, krijg ik veel gedaan. De takenlijst in mijn telefoon wordt half weggeschrapt. De buitengewoon lieve uitbaatster, een dame op leeftijd, doet keihard haar best om wat Engels te spreken. Ze wast mijn kleren en brengt heerlijke vegetarische maaltijden tot bij mijn kamer. Onder een hervonden harmonie bouw ik aan een nieuw plan om Maleisië binnen te komen en ik zie het weer helemaal zitten.
And the stone walls of Harmony Hall bear witness / Anybody with a worried mind can never forgive the sight
28 december | Wang Prachan – Padang Besar
Na een ontbijt van toast en groene pudding bij de waterval vraag ik mijn hospita van het voorbije anderhalve etmaal of de grenspost niet toevallig alweer geopend is sinds de aardverschuiving. ‘Border is open … but not for you.’ Nou ja, zeg. Hoewel de grensstad Padang Besar op een dagmars van hier ligt, moet ik weer noordwaarts en rond de heuvels voor een allerlaatste Thaise etappe van 120 km.
Pas als ik al 12 km ver ben, besef ik dat ik alles tot daartoe al een keer heb gereden, weliswaar in de omgekeerde richting. Zo hard lijkt het allemaal op elkaar tussen de rubber- en palmplantages.


Op de drukke baan rond het nationale park begint een gifgroen serpent net aan zijn oversteek. Bevroren sta ik toe te gapen of dat beest het haalt, terwijl ik net zo goed de aanstormende auto’s had kunnen tegenhouden. Wat een waardeloze natuurheld.
(Of wicked snakes inside a place you thought was dignified)
Langs de baan wordt ook salak verkocht, slangenvrucht, in stapels. Die bruine, nog vers al verrot smakende palmvruchten proefde ik al in Vientiane en bij die ene keer zal het blijven. Verder liggen er meurende doerians, schattige ananassen en leerachtige ballen met een leuk hoedje die mangistan heten. Maar waar zijn al hun plantages?
Op een rustigere weg zijn rond de alleenstaande huizen alle honden vel over been. Langs de baan hangen groene en rode, zachtharige kastenjebolsters, als coronavirusknuffels. Ramboetan, familie van de lychee, en dat proef ik in de ene laaghangende, halfrijpe vrucht die ik te pakken kan krijgen.


Een onverhard pad neemt me mee tussen de rubberbomen. Naast een rivier ligt een logge kluit aarde met daaruit een bussel reuzenbamboestokken, horizontaal. Het bekken ligt bezaaid met ontwortelde bomen die alle kanten uit steken. Enkele mannen zijn druk in de weer om het dak van een jeep vol te laden met gezaagde stammen. Zo zijn die overstromingen nog ergens goed voor geweest.


In Padang Besar, een stad in twee landen, check ik in bij een keurig verblijf vlak bij de grenspost. Het is een eind wandelen naar een open restaurant, waar de Translate-bestelling ‘vegetarian meal’ resulteert in pad thai met scampi’s. Zo eindigt het Thaise avontuur met nog een culinaire verrassing.
Een ganse maand in Siam, dat had ik niet verwacht. Maar wat een fenomenaal fietsland is het, en zo vol van fantastische en zorgzame mensen. Khabkhun, Thailand! Met de handpalmen tegeneen en een welgemeende buiging.

Reageer