33. Trappen en tanden bijten

29 oktober – 1 november | dag 176-179

你好!

Vanuit Dali was het vooral afdalen naar de reuzenstad Kunming. Dat verliep soms trapsgewijs en met plantaardige verrassingen.

29 oktober | Dali – Xiazhuang

De stad Dali behoeft geen lange beschrijving. Het is niet erg om er te zijn, maar het biedt ook geen meerwaarde. De oude stad was weer zo’n typisch Chinese, schreeuwerige prullenmarkt.

Misschien ben ik te negatief. Misschien mis ik gewoon mijn lief.

I just got off my bicycle / I said Jesus Christ not this again / I said all these cities look the same without you / They look the same without you

Op retour naar het meerfietspad zit het licht al fantastisch. Gelukkig is het geen zondag, want het ziet er nu al zwart van de cyclisch incapabele Chinezen. Op een toeristisch hittepunt met een strandje blijkt het gunstige ochtendlicht meer dan één trouwkoppel te verlokken tot een fotoshoot. Ik tel 18 bruiden, de meeste in een jurk die wat van wit afwijkt richting roze, blauw of oranje. Het volgende baaitje doet het slechter met amper 10 bruidsparen. Ook in de meest intieme viering der liefde blijken de Chinezen grotere groepsdieren dan wij.

Opboksend tegen de wind gaat het door drukke straten, langs kalme kanalen en over grote banen. Op 40 km ruikt het aan de poort van de natuur naar eucalyptus. Terwijl ik een heuvel bestijg, valt uit de open achterklep van een oplegger pardoes een pompoentje, dat de betonnen geul naast de weg in botst. Ik loop een stukje terug en oordeel dat de intacte vrucht evengoed mijn tas in kan, anders zal ze toch maar wegrotten in de goot.

Boven is er uitzicht over een enorme vlakte tussen de bergen, waarop het glas van de bebouwing glimmert in de zon. De afdaling loopt eerst door de natuur en dan over een smal paadje tussen moestuinen, loodrecht naar beneden. Het vernauwt tot een loopplank van nog geen halve meter breed. Terwijl ik schoorvoetend het muurtje afwandel, voel ik me net een gymnast op de balk.

Het is een gok om verder af te dalen, want ik kan knijp komen te zitten. Het duurt geen minuut of ik krijg spijt. It’s a trap. Het gaat niet om een korte overbrugging maar om honderden treden steil naar beneden. De trap raakt overwoekerd door allerlei jeukplanten en wit tandzaad, dat met weerhaken langs alle kanten in mijn kleren knaagt. Mijn naakte ledematen krijsen. De zon brandt op mijn huid. De scherpe noppen van de metalen linkertrapper hakken in mijn achillespees telkens als de rechter vastloopt in het hoge gras. De fiets helt te ver voorover en ik moet het lompe gewicht noodgedwongen laten gaan. Het moet zijn dat iemand ergens, vanop een afstand, alle vogels uit de bomenkruinen weg ziet vliegen en dan een ijselijke gil hoort.

Als de fiets na een uur de laatste tree afbotst, is er geen ontlading. Mijn motivatie is gebroken. In mijn short, truitje en kousen prikken duizenden zaadhuisjes die enkel met de hand te verwijderen zijn. Het is onbegonnen werk. Het wordt een ganse dag jeuken.

Als ik na de rest van de afdaling, waarin ik over dikke keien nog bijna op mijn smoel ga, een plattere wereld bereik tussen bananenplanten en akkers, omringd door zonnebadende bergen, voel ik me uitgeput. De energiezuipende ervaring van daarnet heeft me murw geslagen.

Bij een bergop worden de bermen overwoekerd door sisal, cactus, eucalyptus en oleander. Waar komt Portugal nu in een keer vandaan?

Terwijl de wolken al naar een bruidsjurkroze kleuren, volgt de laatste vlakke 20 km over een steeds vertrouwder platteland van akkers vol smeulende vuren. In de dorpen zijn de huizen versierd met klassieke daken, metalen poorten en afgevaagde rode papieren van de laatste keer dat het Chinees Nieuwjaar was.

Het gouden avonduur maakt het einde van de avontuurlijke dag weer rooskleurig. In de buurt van waar ik wilde kamperen check ik vlot in in een net hotelletje en zo is die rotstreek van de trap en dat tandzaad alweer bijna vergeten. Wat een dag.

30 oktober | Xiazhuang – Lühe

De hotelkamer laat ik ontrots achter, bestrooid met tandzaadzaad. Anderhalf uur verkwansel ik aan een online zoektocht naar nieuwe olie voor in het naafversnellingssysteem. Stommerik.

rood papier, van Nieuwjaar

Over een omweg, weg van de inspiratieloze G320, kom ik langs grillige stuwmeren en straten waarop chilipepers drogen in de zon. Het voelt alsof ik tijd in te halen heb, dus trap ik tussen de roodbruine heuvels alsof de reis ervan afhangt. Bij een ruïne uit dezelfde roodbruine aarde vraag ik me af hoelang geleden men hier nog in stille eenvoud leefde. In het volgende dorp zijn sommige huizen nog van hout en aarde. In de straten bloeien felgekleurde bloemen naast cactussen.

Bij een steile afdaling ligt het wegdek er nat bij, maar niet door neerslag. Chinese vrachtwagens spuiten bergaf permanent water op hun remmen. Zo word je als fietser niet alleen doofgetoeterd én natgespoten, je moet ook nog opletten dat je door die booswichten geen ravijn inglijdt.

In een dorp hangt onwaarschijnlijk veel maïs te drogen voor het geringe aantal huizen. Er is niet eens plaats om alle kolfjasjes te drogen, dus dan moet het maar op straat.

De gps stuurt me een vreselijk uitziend pad op waarvan twee mannen komen gewandeld die zaadhuisjes uit hun broekspijpen pulken. Niks van. Ik baan me mijn eigen weg door de akkers en beland tussen aubergines en tuinbonen en dan op een soort Chinese Oude Kwaremont omzoomd met cactussen. In een oubollig dorp ligt een bruggetje waarrond de Chinezen zeker nog een pretpark kunnen bouwen. Terwijl ik een foto neem, tegen het avondlicht in, krijgt verderop een kleine deugniet een pak voor zijn broek met een vliegenmepper.

De omgeving oogt weer hopeloos agrarisch maar eens ik een weg in sla naar wat wilders, is het meteen prijs. Op een oud pad met een semipanoramisch uitzicht is er plaats voor de tent, al moet daarvoor eerst wel in een veilige kring tandzaad gewied. Het van de camion gevallen pompoentje kan de pot in en het smaakvolle eindresultaat is de halve fles butaangas helemaal waard.

31 oktober | Lühe – Lufeng

Ontbijt van rijstpap met pompoen. Het is tenslotte halloween. Net als ik in de beschutting van de bosjes het gemak opzoek, schrik ik op van een boerenpaar dat poolshoogte komt nemen. Wat een timing. Vervolgens staan ze me wat aan te gapen terwijl ik doe alsof opruimen momenteel de hoogste nood is.

Ik griezel tussen het tandzaad en de eucalyptus vandaan, klaar voor een trapdag onder de wolken.

In een afdaling wijk ik uit voor de barsten na een recente aardverschuiving. Verboden terrein wordt in China vaak feestelijk afgespannen met kleurrijke wimpels. In de dorpen bloeien de bloemen om het hardst. Ze hebben nog niet door dat het morgen november is. Gezeten langs de weg duwen mannen hun gezicht in rookgerei van wel een meter lang, gemaakt van reuzenbamboe of aluminium, waartegen ze onderaan dan een onnozel sigaretje duwen.

Op een straffe bergop kruis ik een geitenkudde, waarvan één bok met zijn voorpoot verstrikt zit in zijn eigen halsband. Ik roep naar de oude herder en wijs het sukkelende dier aan. Hij geeft geen kik.

Hoewel ik blijf rijden door een landschap van indrukwekkende landbouw en fleurige dorpjes, verzink ik de hele dag door in gedachten. Dat verre, vreemde China is intussen doodnormaal geworden.

Op het einde van de rit raak ik dan toch nog verlost van landbouw in een groene vallei met steile rotswanden. Voor het eerst in een eeuwigheid ontmoet ik een bikepacker, maar wel een Chinees. Hij zegt wel attent ‘kayo’.

In Lufeng is eerst nergens een supermarkt te bespeuren en dan geen enkel restaurant met licht verteerbaar eten. Pas na 3 uur ronddolen vind ik knorrig en uitgeteld mijn hotelkamer weer.

1 november | Lufeng – Kunming

De drukke G320 kronkelt naar boven langs geweldige uitzichten en onder een onvoorspelde zon. Het is van voor de Pamir geleden dat het zweet zo in mijn kleren drong. Als ik eindelijk de grote baan af kan, is er meteen geen doorkomen aan een gigaplas. Het wordt peentjes zweten naast de camions vandaag.

Tussen groen uitgeslagen plastic van wegwerpserres en enorme viaducten bereik ik een steeds volgebouwder gebied. Als ik me halverwege neerzet voor een warm middagmaal, is er geen menukaart. Intussen heb ik al zo vaak gevraagd om ‘gebakken groenten met rijst, geen vlees, alstublieft’ dat de Chinese woorden er vanzelf uit komen. De kok knikt, herhaalt nog eens en ik klop mezelf al op de borst. Ik kan verdomme Chinees?! Toch verschijnt er even later rundsvlees voor mijn neus. Chinees leren, het zal me nooit lukken …

De gps jaagt me voor de gein nog eens een trap af. Op een kruispunt, dat eigenlijk gewoon een enorme asfaltvlakte is, heerst totale regelloosheid. Vreemd, in het anders zo gereguleerde China. Dan word ik de onmogelijke modder in gestuurd, rij ik verkeerd en moet ik door gortig meurende industrie. De laatste rit tot Kunming wordt nog even tandenbijten.

De flatgebouwen verschijnen weer in bosjes. Ik kom vast te zitten in werken en op paden die volgens al mijn landkaarten niet bestaan. U raadt al welke plant me daar weer te grazen neemt. Tandzaad.

Na een levensgevaarlijk rotstuk over een driebaans autosnelweg zonder pechstrook kom ik met wat prutswerk op een fiets-o-strade. Geen triest rozegeverfd bochtenbaantje zoals in België maar een gloednieuwe, gladde cyclopiste met vier baanvakken en een middenberm. Daarop gaat het de stad in door een verkeersdrukte die ik intussen op blind gevoel kan meevolgen, al is een ondergrondse brommerrotonde wel een bijzondere nieuwigheid.

Opgelucht arriveer ik in het Upland Hostel, veel levendiger dan verwacht. Hoog tijd voor twee dagen rust in alweer een enorme stad, Kunming.

Eén reactie op “33. Trappen en tanden bijten”

  1. Wim Avatar
    Wim

    Schitterend verslag weer – niet allemaal eenvoudig – volhouden

    Geliked door 1 persoon