Xin chào!
Om van de Chinese grens naar Hanoi te fietsen nam ik een hoge omweg via het beroemde, vochtige Sa Pa. Vanuit de bergen ging het geleidelijk aan door rijstvelden en strakke theeakkers naar de drukke hoofdstad. Onderweg werd ik verrast door droge kost, buitengewone verblijfplekken en een Vietcong-leger aan irritante tieners.
8 november | Hekou – Sa Pa (Vietnam)
Door de regen zoek ik de achterdeur van China, en hoewel die vlakbij moet zijn, doe ik daar belachelijk lang over. Met gebaren vraag ik een agent welke kant ik op moet. ‘Ptong!’, zegt hij, ik begrijp het niet. Wat doet het ertoe dat je de woorden niet begrijpt? Kijk naar mijn handen! Chinezen gebruiken geen handgebaren, misschien letten ze er daardoor ook niet op. Elke keer die onwil om te helpen, ik ga het niet missen.
De fiets moet een huizenhoge trap op. Vietnamese vrouwen torsen versleten valiezen groter dan zijzelf. De paspoortstempelaar vraagt of ik Chinees spreek. ‘Ptong’, zeg ik. ‘Haha mannen, ptong zegt die blanke!’ Hilarisch. Goddank is dit de laatste ptong-pingpong.


Joepie, geen Chinese chauffeurs meer! Misschien ben ik nu verlost van al dat get… TOEEEET! Laat maar.
Meteen valt het verschillende straatbeeld op door de aanwezigheid van Latijns schrift. Al zijn de letters wel versierd met allemaal streepjes, hoedjes, bolletjes en cedilles onder en boven de letters, soms dubbel gestapeld. Vietnamees is een notoir aartsmoeilijke toontaal, zoals het Chinees, en dat moeten al die accenten weergeven.
Op de zaterdagnamiddag zijn alle banken kennelijk gesloten en hoewel de tijd net een uur teruggesprongen is, ben ik net te laat om geld te wisselen. De droge bakrijst met wortel en pijpajuin lijkt in niets op al wat ze in China serveerden. Bij vertrek zoek ik snel dankuwel op in het Vietnamees, wat blijkbaar com on is maar dan uitgesproken als kam eun. Het is net die flik van Allo, Allo. Good moaning, Vietnam.
Al vlug rij ik verloren tussen de bananenplanten, maar zo tref ik wel een schilderachtige compositie aan van waterbuffel en haan.


Bij een twijfelachtige doorsteek gaat het over wandelpaden, tussen vijvers en over bruggen van buigzame bamboe. Zo’n 10 minuten ben ik voor echt door Vietnam aan het fietsen en ik rij mezelf al vast in de jungle. Door rivieren en langs reuzenspinnenwebben en bananenplantages kom ik bij een afgelegen erf, waar de bedenkelijke blik van de vrouw en de hond des huizes me terugsturen.


Als ik via de verzopen dorpsstraat eindelijk de baan hervind, is het hoog tijd om aan de lange klim te beginnen. De rit is kort, maar het gaat dadelijk wel van 200 naar 1500 meter. Het giet aan een stuk door en vrachtwagens scheren permanent langs. Als het een moment droog genoeg is voor een foto, stroomt er net een filmische waterval onder de baan door. In wat voor waterwonderwereld mag ik nu weer fietsen?


Terwijl ik klimmend tussen koeien en kippen stilaan de status van tot op het bot verzopen waterkieken aanvaard, word ik voorbij gesnord door Vietnamezen gehuld in plastic poncho’s en wegwerpoverschoenen. In hun hello’s klinkt steeds een stijgende en daardoor verwarrende vraagintonatie. Hallo, ben je daar?
Door een wegversperring is een handig viaduct afgesloten, zo te zien door aardverschuivingen. In een colonne moeten we allemaal de kriskrasklim omhoog. Achter mij ontstaat een file en de voorste vrachtwagenchauffeur drukt geërgerd zijn claxon in. Moet ik in de goot fietsen misschien?
Tot tegen de baan liggen er rotsblokken, onlangs vergleden en groot genoeg om een fietser of drie in één klap te vermorzelen. Dat onnozele hekje ter afscherming gaat me niet redden.
Mijn scherm is onbedienbaar en foto’s nemen lukt dus ook niet meer. Ook als ik toekom in Sa Pa, sta ik eerst onder een afdak als een malloot minutenlang te blazen om het hotel te kunnen vinden. Dat zag er online veel beloftevoller uit dan in het echt. Het is er vochtig, vies en kil en na twee minuten douchen wordt het warme water al ijskoud. In het hotel ernaast hebben ze voor bijna dezelfde prijs een parel van een kamer dus ik pak mijn boeltje weer samen en verhuis. Morgen wil ik tenslotte lekker kunnen uitrusten, te midden de wereldberoemde rijstterrassen van Sa Pa.


In het restaurant om de hoek waag ik me aan mijn eerste phở, typisch Vietnamese noedelsoep, in dit geval met pinda’s en crudités. Er wandelt een Frans koppel binnen en ik groet in een reflex, want in China waren er amper westerlingen. Dan verschijnt er nog een toerist en meteen daarna een tafel van vijf Duitsers en ik besef hoe onnozel die begroeting van net was.
9-11 november | Sa Pa
Sa Pa heeft zijn bijnaam, de stad in de mist, niet gestolen. Twee dagen wachtte ik er een storm af, die niet kwam. Al loopt het in de straten wel storm.
Het is een vreemd weerzien met westerse elementen als je net 50 dagen door China hebt gefietst. Er is brood, er zijn weer balkons en het loopt er vol met rugzaktoeristen. Zelfs bekende Duffelse gezichten loop ik er tegen het lijf.
Overal leuren vrouwen van de Hmong, een ethnische minderheidsgroep gekenmerkt door blauwe sjaaltjes, een getaande huid en een korte gestalte. Om de haverklap krijg je de vraag of je geen sjaaltje, doek, prul, zilveren armband of wat wiet nodig hebt. Hmong-meisjes van vijf lopen er alleen rond met op hun rug een kind van één.
Als ik de avond voor vertrek de remblokken vervang omdat in Noord-Vietnam mogelijk nog glibberige afdalingen liggen, knapt mijn steekas in twee. In Sa Pa zijn geen onderdelen te vinden, dus moet ik ‘s anderendaags met de bus weer de berg af naar Lao Cai, waar gelukkig een snelspanner te koop is.





12 november | Sa Pa – Than Uyen
Na drie dagen kuieren door de Sa Pa’se mist kan ik eindelijk de Vietnamese banen gaan verkennen. Hoger op de berg is de mist als melk zo dik. ‘To enter the rice, please proceed to the ticket counter’, roept een intercom om. Verkeerde kant. Dat je als toerist geld kunt neertellen om een landbouwareaal door te wandelen, is een merkwaardig fenomeen. Al doen ze vlak bij huis tussen de Hollandse tulpenvelden net hetzelfde, en daar komen dan veel Aziaten op af. Wat een wereld.
De berm ligt vol met gedumpte groene vruchten (chayote). Dat is ook ongeveer hoe ver ik kan zien, de berm. Langs de baan stromen steile watervalletjes en die zijn gelukkig nog net zichtbaar. Net als ik de top bereik, scheurt er een groot gat in de wolken. Tussen de dichte begroeiing door verschijnen vergezichten over het dal.




De Mexicaanse zonnebloemen staan in bloei en in de zon is het weer verrukkelijk trappen. Tussen de theezeeën in halen steeds meer tienerjongens me stoer in op die elektrische scootertjes van ze. Ze zwalken gevaarlijk. Eén van hen vindt het grappig om even aan te hangen aan mijn achtertas en nog één begint al selfies te nemen zonder wat te vragen. Ze roepen onophoudelijk ‘Hello?!’ en zeggen dan ‘What’s the name’. Een vragende Engelse intonatie is de jonge toontaalsprekers zo te horen nooit aangeleerd.
Na het eerste reisbrochure-uitzicht daalt de weg af naar een dichtbevolkt gebied. Aan een grote vijver verlokt een bankje me tot een lunchpauze met bergzicht. Na nog een klimmetje word ik boven meteen beloond met een plaatje van theevelden waarvan de toppen net zijn afgemaaid zodat ze veel weghebben van gesnoeide tuinheggen.



Vietnamezen doen alles op de brommer, ook vervoer van grote vracht. Een harig zwijn, mogelijk zwaarder dan die brommer zelf, in een speciaal daarvoor gemaakte kooi, zag ik niet aankomen. En zo passeren er meerdere.
Tegen de avond sla ik af voor nog een joyride tussen thee en rijst. ‘Dit onverharde pad opslaan, goed idee?’, gebaar ik naar een piepklein vrouwtje. ‘Ja zenne’, knikt ze, ‘doe maar’. Als het nu misloopt, is het haar schuld.
De wegel blijkt een voltreffer en loopt langs eenzame, eenvoudige huizen in een jungleachtige setting. Een waterbuffel sukkelt in de ondergaande zon door een zompige rijstakker. Een kalfje ziet er verderop het nut niet van in.



Eenmaal bij de eindbestemming Than Uyen moet ik nog over een verlicht pad door de donkere velden tot bij het geboekte, afgelegen hotel. Het is een of ander resort in liefdesthema, maar het kostte geen fluit, dus ga ik hier maar in m’n uppie de liefde vieren.


13 november | Than Uyen – Tu Le
Vanuit de hartjesvormen sla ik in Than Uyen de grote baan op en dan is het 90 km rechtdoor. In het langgerekte stadje zitten geen slagerijen, wel staat er elke zoveel meter een tafel op de stoep met daarop uitgespreid alle delen van een varken, inclusief kop en poten. De verkoper daarachter kan je op zich nog wel nog een slager noemen, want zijn taak bestaat erin continu de vliegen weg te slaan.
Meteen na het stadje steven ik af op bergen die te onregelmatig naar de hemel reiken om nog echt te zijn. De 3D-puzzel van rijstakkers is zo onvolmaakt dat er weer pure perfectie uit straalt.


Stroomopwaarts door de vallei is het zalig zweten in de zon met af en toe een verkoelende bries. De uitzichten op de rijstterrassen zijn bij momenten adembenemend, al ligt het gebrek aan adem misschien deels aan de brandende afvalbelten. Elke paar kilometer ligt er een dorp, daartussen alleenstaande huizen met akkertjes die worden bewerkt door jonge vrouwen. Bij sommigen hangt op de rug een pasgeborene in een kleurrijke draagdoek.
Voor de lunch zet ik me neer achter de vangrails met zicht op rijstterrassen, paalhutten en waterbuffels. Ik dank de Fransen om brood naar dit land te brengen, al zijn ze jammer genoeg vergeten te vertellen dat er een vleugje zout in mag. Net dan arriveert er een Fransman te vélo en we zetten de beklimming samen verder. Théo is iets jonger, iets korter onderweg en houdt bergop ook een iets strakker tempo aan.


We klimmen door rijstterrassen, armetierige dorpjes waar honden ons achternazitten en op het laatst nog door de wolken. In de afdaling kan ik de gezwinde Fransman niet bijhouden en zo verliezen we mekaar uit het oog. Beneden in Tu Le ben ik zo ver afgekoeld dat ik een hotelkamer neem.
Via de fietserschatgroep kunnen we nog contact opnemen en foto’s uitwisselen. Ook Théo snapt niet hoe mekaar konden kwijtspelen. Hij heeft ergens wel een halfuur op me gewacht.



In het restaurant verderop klinken aan een lange tafel lachsalvo’s en luide kreten. De uitbater laat me proeven van de oorzaak van al die geanimeerde herrie en de borrels rijstwijn zijn nog heerlijk en zacht van smaak ook.
14 november | Tu Le – Xom Tang
Tu Le is weer zo’n plek met allemaal gelijke winkeltjes die niks verkopen. Frisdrank, chips en koekjes, dat is het. En niet eens goeie.
Langs de baan loopt het vol kippen en pas uitgebroken kuikens. Zo hysterisch als hennen kunnen zijn, schiet er een kakelend de baan over. Daar rijdt net een brommer. Het kieken springt suïcidaal tegen de voorband aan, maar overleeft het incident wonderwel.
Bovenaan de eerste klim liggen uitzichten over theevelden die de verbeelding overstijgen. Uit nieuwsgierigheid stop ik een blaadje in mijn mond, maar dat blijkt niet precies dezelfde ervaring als een heet kopje chai in de ochtend.


Vlinders van alle verven en vormen fladderen de weg over met die schokkerige schommelslag van ze. Een waterbuffel heeft zichzelf op elke centimeter van zijn huid ingesmeerd met modder. Na anderhalf uur trappen ben ik al helemaal leeg. Vietnamees brood blijkt niet veel meer dan gebakken lucht.

Voor het eerst kan ik langs de baan wat voedsel krijgen waar saus bij komt. Het is een feestmaal van tofoe in tomatensaus, bladgroen met gember, sojasaus, pinda’s en rijst. In vergelijking met Chinees is Vietnamees voer oersaai.
Langs de weg worden bolle taro-knollen verkocht en groene kaneelappels die van ver op artisjokken lijken. In de dorpen wordt houtsnijwerk vervaardigd en natuursteen gepolijst tot kunstwerken. Er staan overal grafmonumentjes te koop. Het is net een doorfietsmuseum van marmeren kitsch.


Onder grote houten constructies vindt een versmarkt plaats. Groenten heb ik nodig, maar er is niks dat ik herken. Er wordt opvallend veel boomschors verhandeld en zongedroogde houtschilfers. Verderop ligt er hout dat niet gewoon naar bomen ruikt. Dat is kaneel!
In een afdalinkje spot ik in mijn ooghoek een beest dat zonet rauw aan het spit geregen lijkt. Ik vertel mezelf dat het vast ‘maar’ een varken was, maar het leek toch verdacht veel op een trouwer soort viervoeter. Gelukkig val ik ter afleiding al snel in de volgende, vrolijkere verbazing bij enkele enorme jackfruits die gewoon langs de weg groeien.
Na de jongens is het de beurt aan de meisjes om me rijdend vragen te komen stellen. Als ik met een doodgewoon ‘hello’ antwoord op hun ‘hello’, is dat blijkbaar het allergrappigste dat ze ooit hebben gehoord. Opnieuw die raar uitgesproken ‘What’s the name?’. Wat later zijn het jongens van misschien tien, met drie op één zware brommer. De achterste vraagt terloops met een gebaar of ik geen zin heb in zijn brandende sigaretje.
Het laatste licht verdwijnt en hoewel ik ging kamperen, trap ik toch nog een uur door tot een grotere nederzetting want mijn kont is kapot en nu nog vervuilde rivieren betreden, is vast een dom idee.


Eerst moet ik bij zonsondergang langs de kant van de weg nog een belangrijk telefoontje plegen. Bij grote fietsreizen horen grote opofferingen, zoals de 30e verjaardag van je eigen lief missen.
Veel te laat kom ik uiteindelijk aan bij een Nha Nghi, een homestay, die op de kaart niet bestond. De energieke uitbaatster is van lotje getikt en sleurt mijn geld en paspoort zowat uit mijn stuurtas. De hygiëne en het comfort op de kamer zijn, nu ja, avontuurlijk, maar gelukkig kost het verblijf weer bijna niks.


15 november | Xom Tang – Hanoi
Met veel plezier pak ik mijn boeltje uit dat smerige kamertje. De bazin rolt plagerig met mijn fiets terwijl ik mijn tassen probeer op te laden. ‘Stop!’, beveel ik, waarop ze het uitgiert, wegloopt en dan aanleidingsloos ‘Hello!’ roept. Dat mens is knetter. Wegwezen, naar Hanoi! De zon schijnt in mijn ogen en mijn poep doet pijn. 120 km, let’s go!
In plaats van gewestwegen gaat het eindelijk over sluipwegen en dat biedt meteen een knappe omgeving van water en thee. Langs de eerste rustige banen van Vietnam groeien eucalyptus, banaan, maniok en papaja. Over de oude rijstvelden galmt vals karaokegezang. Door microscopische dorpen en over smalle, metalen bruggen zoek ik me een weg richting hoofdstad.


Telkens weer achtervolgd door andere tienerjongens die ‘hello?’ vragen en die zichzelf voorstellen als What, beland ik op steeds dubieuzere wegen tot ik achter een stuwdam ondoorwaadbaar water aantref. Na een omweg verschijnen achter een uitgestrekt rijstland schijnbaar loodrechte bergen en dat klopt niet want ik rij zeewaarts.


Met een hongerige maag steek ik al de brede Song Da over. Na een karig middagmaal kom ik bij een steenweg die onmogelijk over te steken lijkt door het onophoudelijke verkeer van beide kanten. Na minuten aarzelen overvalt me pas het idee om aan mijn kant met de stroom mee te rijen, naar het linkerbaanvak te manoeuvreren en om dan pas, bij een gat, de oversteek te maken. Het is de enige manier.

In de dorpjes speelt water een steeds grotere rol in het straatbeeld. Op grote oppervlaktes zijn begraafplaats en landbouwgrond één.



Dan gaat het langs kanalen over alsmaar vervagende paden. Libellen zwermen rond in de zakkende zon en loensend in het tegenlicht zou je bijna denken dat je door de Lage Landen fietst. Een man laat zijn kudde eenden uit. In die vredige setting ben ik nog maar een twintigtal kilometer verwijderd van de verkeershel van Hanoi.


Enkele buffels nemen op hun gemak een groepsbad. In de kwekerijen langs het kanaal kwetteren en spetteren de eenden ogenschijnlijk vrolijk. Door grote pijpen wordt water geloosd dat meurt naar bederf.


Dan volgen nog een tempel, uit het niets een hoge dijk en van daarop een oranje zonsondergang boven kunstzinnige bebouwing, bananen en bergen.


Tegen het einde van de rit begint de grootstedelijke gekte voor de zoveelste keer deze reis. In de hannekesnest van snorfietsen geldt alleen maar go with the flow, and toeter like a scooter. Hanoi telt 8 miljoen zielen en de meerderheid daarvan rijdt brommer.


In de chaos spot ik in mijn ooghoek op een hete grill twee hondenkoppen, zonder onderkaak, zoals Nabuko Donosor, maar dan minder grappig. Als de brommers me in onwaarschijnlijke aantallen komen omzoemen, proef ik de lucht verslechteren. Bij een doorsteek van de ene naar de andere invalsweg slalom ik plots door een steeg tussen geplukte kippen en tropische vruchten. Na nog enkele rode lichten, gedeeld met ontelbare brommers, vind ik al met al vrij vlot het hotel. Intussen voel ik me een volleerd metropoolfietser, en ik moet oppassen, want ik begin te kicken op die unieke adrenaline-ervaring.
Achteraf heb ik geen zin meer in de stadsdrukte, dus blijf ik gezellig thuis om te kokerellen in mijn eigen buitenkeuken, op de airco-bak op het balkon.


Reageer